Wat jij, jonge vriend

Goedbedoelde vermaningen van een heer van stand

Iedere levensbeschrijving van hem is gedoemd te beginnen met: 'Op zijn zeventiende begon hij als striptekenaar bij de beroemde Toonder Studio's'. Daar werkte Dick Matena (1943) begin jaren zestig mee aan Tom Poes en aan Panda. Marten Toonder (1912-2005) had in de jaren zestig een goed lopende 'stripfabriek', en ook al schreef hij zelf de meeste teksten, het tekenen liet hij grotendeels aan anderen over. Enkele jaren later ging Matena al zijn eigen weg, en met succes, maar hij werd altijd beschouwd als iemand uit de school van de grote Toonder. Het was ook Matena die eind jaren negentig, op verzoek van Toonder, de strip Tom Poes hervatte, voor de Donald Duck.


'Zijn werk beneemt me nog altijd de adem', schrijft Matena in de inleiding van Wat jij, jonge vriend, een bundeling van brieven die de heer van stand en zijn 31 jaar jongere vriend tussen 1979 en 1991 wisselden. 'Er gaat geen dag voorbij dat ik niet even in een Bommelboek blader, niet uit nostalgie, maar om te zien hoe het moet.' Ze werden vrienden, die uitvoerig van gedachten wisselden over 'het vak', over tekentechniek en vertelkunst, maar ook over hun levens, Matena in België met vrouw en vier zonen, Toonder in Ierland met zijn Phiny. Toen Toonder in 2005 stierf, zat Matena aan zijn sterfbed. Het viel hem op dat Toonder meer dan ooit leek 'op zijn eigen Hocus Pas'. En hij zou zijn tovenaarsleerling blijven.


Die leerling krijgt er in deze brieven regelmatig flink van langs. Toonder mag dan te boek staan als een lieve, wat dromerige sprookjesverteller, zijn kritiek kerft soms diep. Matena stuurt Toonder zijn werk op, onconventionele verhalen als de strips Amen, Judgement Day en Prediker. Toonder bewondert Matena's tekeningen, maar vindt hem als verhalenverteller niet sterk. 'Je werk is goed, zolang je eerlijke mededelingen te doen hebt', doceert Toonder. 'Verzonnen of aangepaste mededelingen veroorzaken slecht werk.'


In een volgende brief raadt hij hem aan de schrijver wat meer de leiding te geven, 'niet de tekenaar en niet je ego'. Over Prediker schrijft hij dat een personage 'zo plat als een plaat blijft' en dat het verteltempo niet deugt: 'Je wilt gewoon te veel kwijt.' Matena reageert gewond - begrijpelijk - maar verdedigt zich wel: hij schrijft geen klassieke verhaaltjes 'voor de doorsnee lezer', hij wil 'meer dan 'n stripje'. Toonder waarschuwt hem: 'vertellers werken altíjd voor een publiek omdat het anders introverte mompelaars zijn.'


Matena nam gelukkig niet alle kritiek ter harte, maar die laatste wel. In de jaren negentig zou hij zijn perfecte vorm vinden in het 'verstrippen' van kinderklassiekers als Pietje Bell en Kruimeltje - 'heel goed', vond Toonder -, en vanaf 2003 van literaire klassiekers als Elsschots Kaas. Jammer dat we niet kunnen lezen hoe de meester over dat werk oordeelde.


Als Toonder zich op Bommeltoon badinerend uitlaat over De laatste dagen van E.A. Poe - 'Matena onwaardig', 'gerammel in Poe's doodkist' - ontploft de jonge vriend bijkans: 'Wat bezielt je om zo'n brief te schrijven, latent sadisme?' Toonder ziet niet dat het stripvak is veranderd, vindt hij, dat oude wetmatigheden en genre-eisen niet meer opgaan. 'Wat zeer, zeer hard bij me aankomt is jouw ontkenning van mijn wereld.'


Voor de lezer wordt het probleem duidelijk: Toonder wenste hardnekkig dat zijn vriend op hem ging lijken, dat hij, net als hijzelf, meer schrijver dan tekenaar zou worden. Maar Matena is in de eerste plaats iemand die een wereld in beelden vormgeeft. Wel stapt Matena in de loop van deze briefwisseling uit zijn ivoren toren en erkent hij dat ook werk om den brode authentiek en van hoge kwaliteit kan zijn. Maar als Matena op een zeker moment gaat werken voor Playboy, staat de vaderlijke coach weer niet te juichen.


Af en toe moet Matena het boetekleed aantrekken. In 1981 bekent hij Toonder

dat hij in een interview heeft gezegd: 'Wie is Toonder nou helemaal, 'n tekenaar in z'n nadagen'. Toonder reageert ogenschijnlijk rustig, maar bijt terug: regelmatig zal hij zinnetjes laten vallen als 'dit geleuter zal wel typisch voor iemand in zijn nadagen zijn'.


Eind jaren tachtig waren de scherpe kantjes er wel af, en ontstaat er iets dat voelbaar wordt als diepe vriendschap. Het is Toonder die oppert dat de correspondentie 'leerzame episoden' bevat, en daarom behouden moet blijven. Achttien jaar later volgt het antwoord op dat voorstel, in een zeer onderhoudende en jawel, leerzame briefwisseling, tussen een genie in zijn nadagen en een veelzijdige, rusteloze zoeker.



Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden