Boeken

Wat is geluk? Spinoza wist het: geluk is meebewegen met het ritme van leven en dood

Drie recente studies over de filosofie van Spinoza (1632-1677) verdiepen zich in zijn ‘revolutie op kousenvoeten’, die evengoed levensgevaarlijk was in zijn tijd.

null Beeld Floor Rieder
Beeld Floor Rieder

Een docent vertelde me tijdens mijn studie dat Spinoza’s Ethica het belangrijkste en moeilijkste boek was dat ooit was geschreven. Ik kocht het meteen en begon aandachtig te lezen. De vuistdikke, in het Latijn geschreven Ethica bleek niet uit gewone woorden en zinnen te bestaan, maar uit definities, axioma’s en stellingen. Na twintig bladzijden gaf ik het op. Ik begreep eenvoudig niet waar Spinoza het over had. Daar kwam nog bij dat deel I over God gaat. Ik had net mijn lidmaatschap van de gereformeerde kerk opgezegd. Waarom zou ik moeite doen voor een God die ik zojuist de rug had toegekeerd?

Het heeft dertig jaar geduurd voordat ik begreep dat Spinoza met God de Natuur bedoelt en dat hij filosoof was geworden om zich te bevrijden uit het joodse geloof, zoals ik was gaan studeren om me te bevrijden van Maassluis. Filosofie is volgens Spinoza een diepzinnig soort natuurkunde. Als je je verdiept in de wetten van de natuur, worden de omtrekken zichtbaar van wat hij God noemt. Dat is kort gezegd de strekking van de Ethica. Aan het eind van het boek geeft Spinoza een definitie van geluk. Als de definitie van God al moeilijk te volgen is, dan is die van het geluk volstrekt onbegrijpelijk. Generaties commentatoren hebben er zich op stukgebeten. Wat verstaat Spinoza onder geluk? Drie onlangs verschenen boeken buigen zich voor de zoveelste keer over deze vraag.

Op een zonnige namiddag van 1652 had Spinoza (toen 19 jaar oud) een afspraak met zijn vrienden Jarig Jelles, Jan Rieuwertsz en Pieter Balling. Pieter vertelde dat hij had deelgenomen aan een eigenaardig soort kerkdienst. Het was meer een ‘college’ geweest dan een kerkdienst. Een van de deelnemers had een passage uit de Bijbel voorgelezen; de anderen waren erover in discussie gegaan. Voorgangers waren er niet geweest, de aanwezigen hadden het woord genomen als ze daar behoefte toe voelden. Spinoza voelde zich aangesproken door deze ‘collegianten’, hoewel hij zich afvroeg of de bijeenkomsten niet beter konden worden geleid door iemand met verstand van Bijbelteksten. Het gesprek tussen Spinoza en zijn vrienden is te vinden in Maxime Roveres Spinozaland De ontdekking van de vrijheid – Amsterdam 1677. Aan de hand van gefingeerde gesprekken geeft de Franse schrijver Rovere een indruk van het geestelijke klimaat waarin Spinoza zijn Ethica schreef.

Vrijheid

Aan de titel, De ontdekking van de vrijheid, voegt Rovere het jaartal 1677 toe. Dat is vreemd. 1677 valt in de periode volgend op het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672). Vrijheid was in die periode ver te zoeken. Spinoza kan de vrijheid niet in 1677 hebben ontdekt. Wanneer dan wel? Welnu, in het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. Dat was de periode waarin Johan de Witt als raadspensionaris het beginsel van ‘de ware vrijheid’ toepaste op de politiek. Spinoza gaf in zijn politieke traktaten vorm aan het politieke ideaal dat Johan de Witt voor ogen stond. Dat ideaal werd in de kiem gesmoord toen Johan en zijn broer Cornelis de Witt in 1672 werden vermoord.

Nadat Spinoza in het midden van de jaren 1670 de laatste aanvullingen en correcties had aangebracht in het manuscript van de Ethica, ging hij naar zijn uitgever, Jan Rieuwertsz, en vroeg hem het boek uit te geven. Rieuwertsz schrok van dat verzoek. Tien jaar daarvoor had hij publicatie nog wel willen overwegen, maar na de moord op de gebroeders De Witt was het tij gekeerd. Als hij het boek nu zou uitgeven, riskeerde hij vervolging en gevangenschap. Het kostte hem veel moeite om dit Spinoza duidelijk te maken. ‘Er is een goede kans’, zegt hij in het boek van Rovere, die het leven van Spinoza in een mengvorm van fictie en non-fictie heeft gegoten, ‘dat publicatie tot een uitbarsting van volkswoede leidt en jij, net zoals de gebroeders De Witt, wordt gelyncht’.

null Beeld Balans
Beeld Balans

Toen Spinoza besloot filosoof te worden, twintig jaar eerder, heerste er een heel ander klimaat. Johan de Witt was net aan de macht gekomen. Onder zijn leiding gingen vrije handel en vrij denken hand in hand. In die tijd, het moet rond 1653 zijn geweest, klopte Spinoza aan bij de Latijnse school van Franciscus van den Enden, een oud-jezuïet die zich had ontwikkeld tot een geduchte vrijdenker. Van den Enden dweepte met Descartes, een filosoof die zo revolutionair was dat zijn naam bijna niet hardop kon worden uitgesproken. De Latijnse school was een broeinest van nieuwlichterij.

In de loop van de tijd radicaliseerde Van den Enden steeds verder. Hij associeerde zich met Cornelis Plockhoy, een collegiant en utopist met wie hij de stichting van een vrijstaat voorbereidde in een van de Nederlandse koloniën. En warempel: in 1663 slaagde Plockhoy erin om in Delaware (in het noordoosten van de huidige Verenigde Staten), een kolonie te vestigen volgens de idealen die Van den Enden had neergelegd in zijn politieke pamfletten. In 1671 verhuisde Van den Enden naar Parijs. Daar beraamde hij samen met Normandische edelen een opstand tegen Lodewijk XIV die ten doel had een vrijstaat te vestigen in het koningsvijandige Normandië. Het plan werd te elfder ure verijdeld. Van de Enden werd, 72 jaar oud, op het plein voor de Bastille terechtgesteld.

Descartes

Je kunt je voorstellen in wat voor geestelijk klimaat Spinoza terechtkwam toen hij zich kort na 1650 als leerling meldde bij Van den Endens Latijnse school. Hij maakte er kennis met het werk van Descartes en met de nieuwe filosofie die door Descartes op gang was gebracht. Die filosofie was nieuw omdat Descartes niet de theologie maar de natuurwetenschap als uitgangspunt van zijn denken nam. Dat was voor Spinoza een openbaring. Hij besloot lenzenslijper te worden en zich te verdiepen in de theorie van de optica. In navolging van Descartes ontwikkelde hij zijn eigen, op de natuurkunde gebaseerde filosofie.

Hij stelde theorieën op over de werking van lenzen, over bewegingsleer en over scheikundige reacties. Hij ging erover in discussie met eigentijdse natuurkundigen als Christiaan Huygens, de uitvinder van de slingerklok, de beroemde Engelse scheikundige Robert Boyle en Niels Stensen, de Zweedse natuurkundige die wereldfaam verwierf met ontdekkingen op het gebied van anatomie en geologie.

Spinoza en Stensen hadden elkaar ontmoet toen Stensen na 1660 medicijnen ging studeren in Leiden. Maxime Rovere neemt de lezer mee naar de snijkamer van de Leidse Universiteit op het moment dat Stensen daar, samen met zijn collega Dirk Kerckring, bezig is een menselijk hoofd te ontleden. Er ontspint zich een hartelijk gesprek tussen Spinoza en Stensen. Ten opzichte van Kerckring voelt Spinoza zich geremd, omdat Dirk verloofd was met Clara Maria van den Enden, de mooie dochter van Franciscus, op wie Spinoza, naar men zegt, een oogje had.

Dat het geestelijke klimaat in Nederland ingrijpend veranderde na de moord op de De Witten kan worden opgemaakt uit het laatste bezoek dat Stensen aan Spinoza bracht. Dat was in 1674. Stensen had zich bekeerd tot het katholicisme. In zijn geloofsijver probeerde hij ook Spinoza te bekeren. Spinoza was verbijsterd. Hij voelde diepe vriendschap voor Stensen als vrijdenker en vond het onverdraaglijk dat zijn vriend zich ontpopte als geloofsfanaticus.

Dwaalleer

Hun vriendschap kwam tot een abrupt einde. Daar bleef het niet bij. Spinoza overleed in februari 1677. Niels Stensen werd in augustus van dat jaar benoemd tot bisschop. Een week na zijn benoeming begaf hij zich naar de inquisitie en overhandigde het manuscript van de Ethica dat Spinoza hem had toevertrouwd. Stensen kwalificeerde het levenswerk van zijn vriend als ‘dwaalleer’. Hij hoopte dat veroordeling door de kerk ertoe zou leiden dat het boek nooit zou worden gepubliceerd.

null Beeld Princeton University Press
Beeld Princeton University Press

Wat moeten we ons voorstellen bij Spinoza’s Natuur? Steven Nadler buigt zich over deze vraag in Think Least of Death. Volgens Nadler moet je bij ‘Natuur’ denken aan ‘levensdrift’, door Spinoza ‘conatus’ genoemd. Deze conatus (Spinoza ontleent het begrip aan de denkers van de Stoa) vormt de oorsprong en essentie van elk mens.

Volgens Spinoza komt de conatus tot uiting in twee tegengestelde impulsen tot handelen. De eerste impuls (‘blijdschap’) leidt tot vermeerdering van onze macht; de tweede (‘droefheid’) tot vermindering. Wat opvalt, is dat Spinoza de woorden ‘blijdschap’ en ‘droefheid’ dus uitlegt als een vergroting van macht in de zin van een vergroting van onze actieradius (blijdschap), tegenover een verkleining ervan (droefheid). Je hoeft niet lang na te denken om te zien dat droefheid teweeg wordt gebracht door bijvoorbeeld isolement en lockdown, blijdschap door het vooruitzicht binnenkort weer op vakantie te kunnen gaan naar Frankrijk.

Natuurwetten

Nadler concentreert zich op wat Spinoza de belangrijkste deugden (liefde, vriendschap, oprechtheid, welwillendheid, ambitie, wedijver) en de belangrijkste ondeugden (haat, lafheid, afkeer, nederigheid, medelijden) noemt. Spinoza verstaat onder ‘deugden’ dus niet alleen liefde, vriendschap en oprechtheid, maar ook ambitie en wedijver. En onder ‘ondeugden’ niet alleen haat en lafheid, maar ook nederigheid en medelijden. Het duurt even voor je beseft dat Spinoza onder deugd de impulsen verstaat die onze macht vergroten, onder ondeugd de impulsen die onze macht verkleinen. Spinoza vervangt de tegenstelling goed versus kwaad door die tussen macht en onmacht, en voert op kousenvoeten een revolutie door die je met recht een Umwertung der Werte kunt noemen.

In navolging van de filosofen van de Stoa verstaat Spinoza onder ‘rede’ niet alleen de natuurwetten die het universum een prachtig geordend geheel maken, maar ook het menselijke denken, dat ‘redelijk’ wordt genoemd, omdat het aan diezelfde natuurwetten gehoorzaamt, en ten slotte God, omdat God volgens Spinoza samenvalt met het geordende universum.

null Beeld Pelckmans
Beeld Pelckmans

Herman De Dijn gaat in zijn pas verschenen boek De andere Spinoza in op de betekenis van Spinoza’s ‘godsgeloof’. Je zou, rekening houdend met wat ik hierboven heb gezegd, ‘godsgeloof’ kunnen omschrijven als ‘geloof in de rede’, zolang je maar beseft dat dit geloof neerkomt op het geloof in de natuurwetten.

De Dijns studie heeft een intrigerende ondertitel: De twee wegen naar het ware geluk. Ik zou desgevraagd zeggen dat Spinoza maar één weg wijst naar het geluk en wel de studie van de natuurwetten waarin God zich manifesteert. Maar volgens De Dijn zijn het er twee. De eerste is de smalle weg van de filosoof die het talent, de tijd en de gelegenheid heeft om zich te verdiepen in de wetten van de natuur; de tweede is de brede weg voor het volk.

De Dijn illustreert die tweede weg met een anekdote die werd vastgelegd door Spinoza’s vroegste biograaf, dominee Johannes Köhler (Colerus): Toen zijn hospita hem eens vroeg of zij naar zijn oordeel in haar religie wel zalig kon worden gaf hij ten antwoord: Uw religie is goed, u hoeft geen andere te zoeken om zalig te worden, als u maar een stil en godvruchtig leven leidt.

Dat er niet één, maar twee wegen leiden naar het ware geluk vind ik een mooi gezichtspunt. Ik teken er wel bij aan dat die wegen niet gelijkwaardig zijn. Spinoza maakt onderscheid tussen filosofie en geloof. In het Theologisch-politiek traktaat definieert hij ‘filosofie’ als de weg naar de ware God (Natuur); ‘geloof’ als gehoorzaamheid aan de wet. Hij verklaart zelfs dat het geloof in de grijze oudheid door de machthebbers is bedacht om het volk in bedwang te houden.

Spinoza wijst het geluk aan als het doel van ons leven. In het laatste hoofdstuk van de Ethica zegt hij dat we dat doel kunnen bereiken door het beoefenen van ‘de verstandelijke liefde tot God’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Het komt erop neer dat geluk bereikbaar is voor degenen die met behulp van hun verstand de bedoeling van de Natuur doorgronden en hun leven volgens deze bedoeling inrichten. Denk bij ‘Natuur’ aan de grote natuurlijke ritmes van leven en dood, van dag en nacht, aan de kringloop van de seizoenen, de bewegingen van sterren en planeten. Het geluk dat Spinoza in gedachten had, komt overeen met datgene wat in het taoïsme De Weg heet. Ongeluk is dat we ons verzetten tegen de natuurlijke ritmes, geluk dat we er ons naar voegen. De geluksfilosofie van Spinoza komt verrassend genoeg overeen met de duizenden jaren oude leer van Lao-Tse.

Maxime Rovere: Spinozaland – De ontdekking van de vrijheid – Amsterdam, 1677. **** Uit het Frans vertaald door Hendrickje Spoor en Frank Mertens. Balans; 560 pagina’s; € 34,99.

Steven Nadler: Think Least of Death – Spinoza on How to Live and How to Die. **** Princeton University Press; 248 pagina’s; € 23,99.

Herman De Dijn: De andere Spinoza – De twee wegen naar het ware geluk. Pelckmans; *** 253 pagina’s; € 24,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden