‘Wat is er mis met schuldgevoel?’

Geen decadente flaneur, maar een man die haakt naar engagement is de hoofdfiguur van de nieuwe roman van Adriaan van Dis....

Illegalen in een kraakpand, asielzoekers, straatvegers, Albanese criminelen, een drankzuchtige pater, ongewassen gebrekkigen, en een hond – niet zomaar een, maar een dappere zwerver uit Tsjaad: het zijn geen types die je moeiteloos associeert met de immer onberispelijk geklede en articulerende Hollandse auteur en voormalige talkshow-gastheer Adriaan van Dis (1946), die in mei 2003 naar Parijs verhuisde. Maar juist daarom. In de roman De wandelaar, waar hij twee jaar aan werkte, wandelt de opmerkzame atheïst ‘meneer Mulder’ (1943) in houtje-touwtjejas door de Franse hoofdstad. Dankzij een erfenis hoeft hij niets uit te voeren.

Tot hij door een brand in zijn buurt betrokken raakt bij de bewoners van die ‘andere’ wereld, met de hond (die uit het bewuste pand werd gered) als gids – en meer dan dat: als huisgenoot die Mulders smetvrees attaqueert, die het bed met hem deelt, hem verleidt tot gezamenlijk wildplassen, en die de betrokken weldoener in hem wakker roept. Mulder wil ‘iets doen’ voor de kansarmen in zijn omgeving. De observator kan niet langer buitenstaander blijven. Hij wordt zelfs verliefd, op een Sri Lankese schone weduwe.

Van Dis: ‘Veel eerder heb ik me al met onze nieuwe mede-burgers bemoeid. Laatst kwam ik erachter dat ik rond 1970 de eerste imam in Nederland heb ontmoet, in een Haagse huiskamer. Toen ik student was, begon ik in NRC Handelsblad met de rubriek “Geestelijk eten”. Dan ging ik naar de mohammedanen en de islamieten – al die wonderlijke woorden die we gebruikten, toen “moslim” nog niet in zwang was. Ik wilde weten wat die mensen aten, en wat de Koran zegt over voedsel: is het verboden een hagedis te nuttigen?

‘Mijn interesse was ingegeven door schoonheid en nieuwsgierigheid. Gefascineerd door het exotische. Iedereen had toen vriendelijke ideeën over moslims – heb je altijd over mensen die ver weg zijn. Als ze plotseling op je trap stommelen, worden we achterdochtig. Dat betreur ik, want als je mensen etiketteert en ze voortdurend beloert, dan belemmer je het proces van hun integratie, dat binnen drie generaties kan slagen, zo lang je goed onderwijs biedt en dagelijks de straat veegt. Ga je ze verboden en geboden opleggen, dan wordt het hoofddoekje een wapen in de strijd. Dan stolt men een verleden, dat in de landen van herkomst trouwens allang in een fluïdum is geraakt. Als je antieke Turken wilt bezoeken, dan moet je naar Berlijn – dáár zie je Anatolië 1960 nog over straat: vrouwen met hoepelbenen onder de tweedjasjes van hun man. In Turkije tref je ze niet.’

In De wandelaar dringt de andere wereld zich aan de Hollander op. Van Dis: ‘Daarin gaat het over de politieke actualiteit – maar ook over de liefde. Over een man alleen die in aanraking komt met de wereld. Door het vuil aangeraakt, verkrummelt zijn ordentelijke bestaan. Hij moet zich afvragen wat zijn plaats is: neem ik wel deel, of bewaar ik altijd afstand?’

In de voorgaande jaren zijn Van Dis’ boeken gebundeld in drie omnibussen: ‘De Indische romans’, ‘De karakterromans’ en ‘De reisromans’. Ofwel: waar kom ik vandaan (Van Dis groeide op tussen repatriantenfamilies uit Nederlands-Indië), wie ben ik, en wie is de ander. Die laatste twee pijlers komen samen in De wandelaar: wie ben ik, te midden van de anderen? Meneer Mulder valt niet samen met meneer Van Dis (‘Zo heb ik geen erfenis’), al heette diens vader Mulder (een blanke Indischman), en groeide Adriaan in Bergen en Hilversum op als Adje Mulder, die vanaf zijn studietijd (Nederlands en Afrikaans) zijn moeders naam voerde.

Nooit te etiketteren: journalist, schrijver, tv-presentator, die zich afsplitst in zijn proza als ‘Nathan Sid’, ‘Zilver’, ‘de jongen’, of nu ‘meneer Mulder’. Vaak op reis, en de laatste jaren incognito in Parijs. Man die nergens bij hoort. Die zich herkent in de versregels uit het gedicht ‘De wandelaar’ van Martinus Nijhoff (‘Mijn eenzaam leven wandelt door de straten’, ‘Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren’), maar de aansluiting met zijn omgeving niet wil missen. Die geëngageerd is, al blijft de buitenwacht in hem de smetteloze heer zien.

‘Ook ik wandel. Dat is de verklaring voor mijn optimisme. Ik heb een hersenbloedinkje gehad, en heb last gehad van een hartklep die een beetje lekte – maar sinds ik twintig kilometer per dag wandel en spelenderwijs ben afgevallen, voel ik me kiplekker. A reborn walker. Hoefde ik niet te gaan zwemmen, in dat vieze water. Bij Walter Benjamin heb ik gelezen over de passages, die overdekte wandelgangen waarvan er in Parijs nog veel over zijn, zodat ik bij regen hele tochten kan maken en toch droog kan blijven.’

Zeker, het had gekund, dat hij een boek zou schrijven over een decadente flaneur. Onaanraakbaar en gelukkig. Maar nee. ‘Het moest een man worden die verlangde naar houvast, die het gevoel heeft dat de dood een aandeel in zijn leven heeft gekocht, en dat hij de boekhouding van zijn ziel moet opmaken.’ Wat uitmondt in een individueel, humanistisch credo, uitgesproken tegenover de oud-missionaris en whiskydrinker ‘père Bruno’, van de kerk uit zijn buurt. Is dat een eerbetoon aan Graham Greene, die in The Power and the Glory (1940) immers een naamloze ‘whiskypriest’ in Mexico opvoerde? Van Dis: ‘Mijn personage Bruno is een samensmelting van vele paters die ik heb gekend in Afrika. In mijn woeste tijd dat ik mij liet trainen voor een geheime missie naar Zuid-Afrika – waar nooit iets van terechtkwam – heb ik gewoond bij een Ierse pater die van whisky hield en met een Afrikaanse vrouw leefde. En in Parijs heb ik kloosters bezocht, waar ik hordes horrelvoeten in open sandalen onder klokgelui voorbij heb zien schuifelen.

‘Momenteel woon ik in het zesde arrondissement bij de Saint Sulpice, waarvan het gebeier mij al evenzeer omvaamt. Veel verschoppelingen zoeken daar troost. Op mijn wandelingen tref ik menig prachtige kerel in soutane. Alle mensen die een afspraak hebben gemaakt met iets buiten hen om vind ik onbegrijpelijk, en daardoor interessant. En als je geen erotisch leven hebt omdat de devotie je dat oplegt, dan zoek je de vreugde in iets anders – er wordt me geschrókt in die kloosters! –, en dat kan drank zijn.

‘The Power and the Glory heb ik nooit gelezen, terwijl ik een enorme Greene-fan ben, en weet dat in die roman een whiskypater voorkomt. Greene laat zo mooi zien dat het goede ook altijd iets slechts heeft. Hij toont onze ijzeren inconsequentie: dat je dingen beweert en je daaraan houdt, maar als je echt getest wordt dan lukt het niet, en stort alles in.’

Zo wilde Van Dis zijn Mulder testen: ‘Is zijn betrokkenheid met de nieuwkomer nou betrokkenheid of angst? Ik weet heel goed wat angst is. Als ik een groepje voetbal-enthousiastelingen in de stad zie, loop ik gauw een straatje om. En als het een rood hoofd heeft en het is getatoeëerd, dan is het een Engelsman of een Nederlander, en maar al te vaak een Nederlander. Ik praat raar, en zoiets nodigt uit tot allerhande verdenkingen van de tegenpartij. Jarenlang heb ik veurwiel gezegd; dát heb ik intussen wel afgeleerd.

‘Angst. Ook gevoed door mijn verleden: familie die een status had verloren, die het maatschappelijk werk op zijn dak kreeg en moest leren hoe een huishoudboekje werkte terwijl ze wel degelijk veel levenservaring hadden. Maatschappelijke vernederingen zijn mij bekend. Daar komt het verlangen uit voort naar een andere kleur, andere landen. In mijn studietijd heb ik een lange reis gemaakt richting India, en ontdekte dat er voorbij de dijken en onder de rivieren nog hele andere werelden liggen. Als student Nederlands sloot ik me teveel op; wist niet dat Piet Paaltjens en Baudelaire tijdgenoten waren.

‘Mulder merkt dat hij in zijn isolement makkelijker contact maakt met mensen die sociaal een trapje lager staan, en de hond helpt hem daarbij, dan met gelijken. Met de pater kan hij een gesprek voeren, maar ook op Bruno kijkt hij een beetje neer. Dat zo een intelligent man in zulke malle dingen gelooft. De vrouw die hem echt raakt, is een onderwijzeres uit Sri Lanka, die in Frankrijk haar vak niet mag uitoefenen en nederig schoonmaakwerk verricht.

‘Een estheet met een schuldgevoel. Mulder probeert iets goed te doen. Er rust een soort taboe op schuldgevoel. Maar ik vind het niet erg om dat te hebben. Het begon aan mij te schuren dat ik woon in een wijk waar 140 mensen op straat liggen. Elke avond wordt bij de Parijse kerk Saint Eustace eten geserveerd aan een paar honderd mensen. Dickens-taferelen. Ik heb ertussen gestaan, en één keer soep gegeten. Dat is geen lolletje.

‘ En het valt op, hoor. Ze zien meteen dat je er niet bij hoort, al trek je je oudste vodden aan. Maar ik heb groot respect voor die mensen die daar helpen, en broodjes smeren. Kan ik, met mijn esthetische hooghartigheid, nog veel van leren.

‘Ik ben een beschaafde meneer, die tegelijk aan wonden wil pulken. Als student dacht ik aan het smeden van een mooie kleine revolutie, maar wilde daar niet mijn baard voor laten staan. Die wereldreis van maart tot oktober 1969 maakte ik tussen langharige luie hippies, maar ik stelde er belang in om zeer schoon te blijven. ’s Nachts legde ik mijn broek onder mijn matras, zoals een goed matroos betaamt. En ik kwam proper terug! Wanneer Mulder angstig zijn kleren blijft schuieren wanneer al die enge dingen te dichtbij komen, vind ik hem belachelijk; maar het is een belachelijkheid die me niet onbekend voorkomt.’

Uiteindelijk blijft Mulder alleen, al kent hij zichzelf beter. Toch te bang. De Sri Lankese is slechts een passant in zijn leven. Wel blijft hij over haar dromen. Is dat genoeg? Van Dis: ‘Je kunt het altijd het beste vinden in je verlangen. Er schuilt dramatisch veel verlies in de poging dat te verwerkelijken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden