Wat ik je nog had willen vragen, maar niet durfde

Begin dit jaar overleed zijn moeder Erica, met wie hij een turbulent verleden deelt. Frénk van der Linden schreef na haar dood een aantal korte brieven die de opmaat vormden voor zijn nieuwe tv-serie 'Mijn moeder en ik'. Nu in V een selectie.

Op 14 oktober 1957, de pasgeboren Frénk samen met zijn moeder Erica.

SEKSUELE VOORLICHTING

Je was de Greta Garbo van Hillegom, een filmdiva-achtige verschijning in een bollendorp. Flirten deed je niet, je liet met je flirten. Erica van der Linden wist hoe een vrouw het spel moest spelen. Maar praten over de liefde, laat staan over seks - nee. Je had geen idee hoe je Désirée en mij seksuele voorlichting moest geven.

Ik kwam thuis van school nadat de meester iets vaags had verteld over mannen en vrouwen. 'Dit kunnen jullie nu maar beter weten', zei hij, 'want op een dag worden jullie verliefd.'

Aha, dat was dus het licht misselijke gevoel in mijn buik als ik Sjanny van Lierop, dochter van de sinterklaas in ons dorp, met haar dansende blonde paardenstaart tussen dertig klasgenoten van de meisjesschool naar de gymzaal zag lopen.

Maar hoe werkte dat dan, met die lichamen en zo?

Het duurde lang voordat je iets zei.

'Weet je, soms houdt een man zó veel van een vrouw, dat-ie wel in haar zou willen kruipen. Heel diep.' Zachtjes trok je me tegen je aan. 'En dat doet hij dan ook.'

Corry en de Rekels

Wat ik je nog had willen vragen. Móéten vragen, maar niet durfde.

Een bloemist kwam vijftig rode rozen voor je bezorgen. Op rekening van pa. Alleen was hij niet degene die ze had besteld.

Van hem mocht de bos 'onder geen voorwaarde' in een vaas op de salontafel worden gezet. Van jou mochten de rozen eveneens 'onder geen voorwaarde' in de vuilnisbak verdwijnen.

Het boeket kreeg een plaats in de granieten badkuip. We douchten in die tijd toch niet elke dag.

In een populair radioprogramma op zondagochtend kondigde de presentator een liedje aan, speciaal voor Jan van der Linden in Hillegom. Het was aangevraagd door een anonieme luisteraar.

We spitsten onze oren. Corry en de Rekels. Huilen is voor jou te laat.

Ik kan me niet herinneren hoe de rest van de dag verliep.

Wie verzon zulke dingen, mam? Wie voerde ze uit? En waarom?

De tekst loopt door onder de foto

Het gezin Van der Linden in 1961: Frénk (4) bij vader Jan en Désirée bij moeder Erica.

Mijn slechtste reportage

Het moet de slechtste reportage zijn die ik ooit heb geschreven. Niet toevallig was het mijn eerste. Een poging tot verslag met de pretentie van feitelijkheid, maar volkomen subjectief, ongehinderd door nuance. Oordelend, veroordelend. Zo kan een jongen van 13, 14 zijn.

Jouw advocaat ontving het ene exemplaar van de brief waarin ik - mede namens mijn zus Désirée - vertelde wat zich de afgelopen jaren bij ons thuis had afgespeeld. Het andere exemplaar stuurde ik naar de rechter die de echtscheidingszaak onder behandeling had.

Jij en jij alleen droeg de schuld, schreef ik. Jij had een andere man. Jij had mijn vader bedrogen. Jij had ons verlaten. En dus wilden wij, de kinderen, worden toegewezen aan pa.

De rechter bleek een wijs man. Op een van zijn vrije dagen ontving hij Désirée en mij bij hem thuis, met een literfles Chocomel en een pak Bastognekoeken op tafel. Hij vroeg ons nog eens uit te leggen waarom we hem hadden geschreven, wat zoal onze redenen waren, hoe we de toekomst zagen.

Verloren band

Frénk van der Linden en zijn zus Désirée werden in 1970 na de scheiding van hun ouders als pubers toegewezen aan de vader, Jan. In die tijd was dat een zeldzame rechterlijke beslissing. Moeder Erica had het huis verlaten om met haar minnaar aan een nieuw huwelijk te beginnen. Zoon en dochter verbraken de band volledig en zochten hun moeder pas na een decennium weer op. Ruim veertig jaar spraken de ouders geen woord met elkaar. Nadat eind jaren negentig bij Erica de ziekte van Alzheimer was geconstateerd, maakte Frénk van der Linden met regisseur Gisela Mallant de documentaire Verloren band over zijn vader en moeder. De film leidde tot een verzoening. Begin dit jaar overleed Erica. Jan is nu 86.

Achteraf realiseerde ik me dat hij op die manier had gecontroleerd of de brief wellicht door pa was gedicteerd. Nee. Die wist van niets. Tot de rechter ons aan hem toewees en zijn besluit motiveerde.

We zouden tien jaar volharden in onze beslissing jou nooit meer te zien. Heb ik het ook maar één keer gewaagd jou te vragen hoe je eraan toe was op het moment dat je onze brief onder ogen kreeg?

Ik geloof van niet. Ik vrees van niet.

Wel vroeg jij op een dag net als de rechter waarom we hadden geschreven wat we hadden geschreven. Ditmaal was mijn antwoord eerlijker. 'Wraak.'

We zaten op een terras op de Grote Markt in Haarlem. Rechts lag het gemeentehuis waar pa en jij waren getrouwd. Links, in de Janszstraat, het gerechtsgebouw waar de scheiding definitief was geworden.

Ik woon er nog steeds precies tussenin.

Onbeantwoordbaar

De moeilijkste vraag die je me ooit hebt gesteld. Onbeantwoordbaar.

Eerst vroeg ik jou wat het zo moeilijk voor je had gemaakt om de knoop door te hakken: pa of John.

'Ik hield van allebei, heel veel, en nog', zei je. 'De dokters zeiden dat ik moest kiezen, anders zou ik gek worden. Maar ik werd juist gek doordát ik moest kiezen.'

Je zweeg.

'Ik heb vier kinderen', ging je verder. 'Vertel me eens, jongen: waarom mag een vrouw wel houden van vier kinderen, maar niet van twee mannen?'

Bioscoopboek

Of jullie al voor het huwelijk seks hadden, vroeg ik op een avond. We zaten bij de Chinees.

'Wel en niet', zei je.

Pa had me eerder verteld dat je in jullie verkeringstijd, midden jaren vijftig, met hem in de vrachtwagen naar het Belgische Bastenaken was geweest om bomen te laden voor een Hillegomse houtzagerij. In de bossen stonden nog uitgebrande tanks die de Wehrmacht had achtergelaten na het mislukte Ardennen-offensief.

Volgens pa besliepen jullie in de cabine van zijn truck ieder een eenpersoonsmatrasje. Het stapelbed was achter de chauffeurs- en bijrijdersstoel gemonteerd.

'We waren keurige katholieke mensen', had pa me bezworen. 'Je bleef van elkaar af.'

Jouw antwoord verraste me.

'Wat bedoel je met wel en niet, mam?'

'Nou, je vader had een bioscoopbroek.'

'Een wát?'

'Het was een gewone broek, maar hij had met een schaar de punten van de zakken afgeknipt.' Je giechelde.

'En toen?'

'Hou op.'

'Nee, nu wil ik het weten ook.'

Je hield het niet meer van het lachen. Mes en vork vielen naast je loempiabord. 'Als we naar de film gingen, deed hij hem aan, en dan...'

Gegeneerd maar tegelijkertijd trots deed je het voor: zachtjes streelde je met je rechterhand het tafelkleed.

'Echt waar? Mijn moeder?'

'Je moest wat, joh. We vonden het ontzettend opwindend.' Een zucht ontsnapte aan je mond. 'Er is niets spannenders dan het bijna.'

De tekst loopt door onder de foto

Frénk van der Linden in 2007.Beeld anp

Suzanne

De laatste maanden van je leven dansten we bij ieder bezoek dat ik bracht in elkaars armen op je favoriete liedje: Suzanne, in de uitvoering van Herman van Veen.

'Suzanne neemt je mee...', zong ik.

Jij: '...naar een boot op het water...'

'Nee mam, het is een bank aan het water.'

'Nou en? Een boot vind ik leuker. Dan kun je samen naar de overkant.'

Hoe close wij ook werden na onze tien contactloze jaren (misschien was het een inhaalmanoeuvre dat we zelfs bespraken wat we lekker vonden in bed - ik ben benieuwd wat Freud daarvan zou hebben gevonden), één vorm van distantie bleef tussen ons bestaan. Lichamelijk hield ik je op een afstand.

Ik heb het je nooit durven vertellen, maar ik kon er niet tegen als je me tegen je aantrok, me kuste, een hand door mijn haar haalde. Waarom, dat wist ik zelf niet. Misschien omdat ik het ontwend was. Misschien omdat ik helemaal niemands koestering meer kon velen, terwijl ik er ondertussen op hoopte. Misschien omdat jij te hard kneep.

Maar naarmate je dood naderde en de woorden door alzheimer langzaam maar zeker oplosten - al zong je Suzanne tot op het bijna-laatst mee - werden we fysieker. Ik hield je handen vast of nam je op schoot. Ik danste met je. Als ik op de deur van je kamertje klopte, ging jij soms al in de houding staan. Meestal had een verpleegster de Van Veen-cd al in de speler gedaan. Van een ritueel werd het een regelrecht verlangen om je vast te houden. Overgave aan je houding, je geluid, je bewegingen, je geur - met de dans als excuus.

De euthanasiepapieren

Het was kort na de dood van de schrijver Hugo Claus dat we in Hoofddorp op een motregendag door een park wandelden en spraken over de manier waarop je wilde sterven.

'Zoals hij', zei je. 'Dat ik nog helder genoeg ben om het zelf te beslissen. Dat ik nog uit mijn woorden kan komen.'

Nooit had je iets van hem gelezen (je las en herlas veel boeken van Renate Dorrestein, 'want dat is het grote voordeel van alzheimer: je hoeft nooit meer naar de bibliotheek, de verhalen van je favorieten zijn elke dag weer nieuw'), maar je had in de krant gezien hoe Claus een punt achter zijn leven had gezet.

Een laatste avondmaal met zijn dierbaren. Champagne, kreeft. De volgende ochtend de fatale pillen.

Ja, zo wilde jij het ook. Alleen regelde je het niet.

'Ik vertik het om op een gegeven moment als een vaatdoek in een invalidenwagentje te hangen en mijn kinderen niet meer te herkennen', zei je voortdurend. Maar als we de euthanasiepapieren op tafel legden, ging je erwtensoep maken, fotolijstjes afstoffen of je fiets in de schuur zetten.

Op den duur lieten we de papieren de papieren. De tijd schreed voort, stukje bij beetje werd je wilsonbekwaam. Godlof vergat je zelfs dat je feestelijk afscheid had willen nemen.

Ik heb me vaak afgevraagd wat de reden was dat je er niet toe kwam. Moed en intelligentie genoeg.

Ik schat dat je in de ellende van het eind iets wilde vinden dat je een leven lang te weinig had gekend: geluk.

Zou er een valsere raadgever bestaan dan hoop?

De priester

Je was een paar jaar niet in zijn kerk geweest, maar de priester die ik op een avond belde met de vraag of hij bereid was jou het Heilig Oliesel toe te dienen, was zo vriendelijk de volgende dag al te komen.

We wisten hoe graag je die laatste zalving kreeg. Rechtsboven in een hoek van je kamer hing een plank waarop een slanke gipsen Maria stond. Je had haar geërfd van je moeder.

De priester had een mobieltje. Terwijl wij aan je bed gingen staan, keek hij er even op. En nog eens. Hij verzond een sms'je. Toen voegde hij zich bij ons, zachtjes het gebed prevelend.

Tommy Wieringa

Schrijver Tommy Wieringa brak na de scheiding van zijn ouders op 11-jarige leeftijd met zijn moeder. Vele jaren hadden zij niet of nauwelijks contact. Inmiddels gaan ze weer intensief met elkaar om, maar het verleden blijft een beladen onderwerp. Moeder Lia heeft uitgezaaide borstkanker. Zij koos aanvankelijk voor een alternatieve geneeswijze, waar Tommy tegen was. Beiden komen aan het woord in de eerste aflevering van de KRO-NCRVtv-serie 'Mijn moeder en ik' van Frénk van der Linden. Hoe heeft de relatie zich in de loop der jaren ontwikkeld en wat is de invloed van de verhouding op de romans van Tommy Wieringa?

Je ogen waren gesloten, je mond stond wijd open. Je wit-blauwe vingers verstrengelden zich met de mijne. Voelde ik je knijpen?

Geroutineerd ritmisch liet de geestelijke de zinnen over zijn lippen komen.

'En zo zegen ik jou, lieve...' Plotseling viel hij stil. Zijn rechter ringvinger zweefde boven je voorhoofd.

Met vragende ogen keek de priester me aan. 'Zeg, hoe heet ze eigenlijk?'

Mijn moeder en ik, KRO-NCRV, 28/12, 19.40 uur, NPO 2

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden