Wat gaat er om in Marie, Wijntje en Heiltje?

Fictie ‘De waterman’ van Arthur van Schendel, die wist wat verzwijgen was, kan ook in deze tijd mee. Drie van zijn romans uit de jaren dertig worden in één band heruitgegeven....

In de jaren 1930 was Arthur van Schendel (1874-1946) een gevierd schrijver. Hij werd geprezen door critici als Menno ter Braak, veel gelezen, en in 1938 zelfs voor de Nobelprijs voorgedragen.

Nu is hij enigszins in de vergetelheid geraakt, uit de boekhandel verdwenen. Met de heruitgave van drie van zijn Hollandse romans – De waterman (1933), Een Hollands drama (1935) en De grauwe vogels (1937) – willen de bezorgers Hans Anten, Wilbert Smulders, en Joke van der Wiel hier verandering in brengen. Zij typeren de romans als ‘uit de klei getrokken modernisme (. . .) gesitueerd in een helder polderlandschap en in propere binnenhuisjes’. Het modernisme zou ’m dan in de sobere vertelstijl zitten (de ‘techniek van het verzwijgen’) en ook in de aandacht voor de gewone man.

Dat verzwijgen gaat ver, veel verder dan bij een andere modernist als Hemingway. Van Schendel verzwijgt niet alleen jaartallen, leeftijden en emoties, maar ook essentiële details in de levens van zijn karakters – levens die hij verder van a tot z verhaalt.

In alle drie de romans worden de mannelijke hoofdpersonen verliefd, op Marie, Wijntje, en Heiltje, in volgorde van opkomst. Dat dit lieve meisjes zijn kunnen we aan hun namen reeds raden, maar wat er zoal in hen omgaat, en hoe ze zich tot de hoofdpersoon verhouden, komen we niet te weten.

Bijvoorbeeld: nadat Maarten Rossaart, in De waterman, maanden in de gevangenis heeft gezeten, begroet hij zijn vrouw bij thuiskomst met een handdruk. Dit zou natuurlijk betekenisvol kunnen zijn, ware het niet dat er bij Van Schendel nooit méér intimiteit tussen man en vrouw plaatsgrijpt dan een handdruk. ‘Zij bracht hem tot de deur, daar nam zij zijn hand en dicht bij zijn oor fluisterde zij: God zegen je, beste man.’

Waar zijn tijdgenoten dit misschien kuis vonden, en dat hogelijk waardeerden, lijken zijn karakters vandaag de dag eerder abstracties dan mensen van vlees en bloed.

Toch is De waterman – de eerste van de drie herdrukte romans – nog altijd een mooi verhaal. Het speelt in de 19de eeuw, daarbij de Napoleontische tijd, de Belgische opstand, en een aantal watersnoodrampen overbruggend. Maarten Rossaart heeft vooral veel van doen met de watersnoodrampen. Van kindsaf houdt hij van het water, voelt zich erin thuis, en is zo in staat om mensen te redden. Dit zijn de enige momenten in zijn leven dat hij door de calvinistische gemeenschap wordt geaccepteerd. In andere tijden komt hij in conflict vanwege zijn vrije godsdienstige opvattingen, met name het afwijzen van de erfzonde, en omdat hij ook nog eens trouwt met een rooms-katholieke vrouw, Marie.

Dientengevolge lijdt hij een nomadisch leven. Hij vindt medestanders in zijn geloof bij een christelijke broederschap, waarvoor hij op een tjalk turf gaat vervoeren. Maar ook bij die broederschap wordt zijn vrouw niet geaccepteerd: ‘Toen Gees op de tjalk kwam en met Marie praatte zeide zij, wijzend naar het kruisje aan haar hals: Als je dat niet in je ziel hebt zal het je niet helpen of je het van zilver tentoondraagt.’

Door een ongeluk verdrinkt hun zoontje, en Maarten moet toezien hoe zijn vrouw zich van hem afkeert en op het land blijft. ‘Ach man, ik kan het je niet alles zeggen,’ zegt zij tegen Maarten. ‘Laat mij niet alleen met het veer teruggaan, mijn schrik ligt daar op de rivier. Dat het er ook zo donker kan zijn.’

De roman weet te ontroeren, het is een aangrijpend verhaal met een aantal mooie, bijbels aandoende passages.

Een Hollands drama is minder sterk. Een soort Bildungsroman, zij het dat de aandacht evenzeer op de opvoeder als op de opgroeiende jongen is gericht. Een opvoedingsroman dus waarin het woord ‘zonde’ zeker honderd keer voorkomt. ‘Een kind als het geboren wordt is zo wit als sneeuw, maar wie wel toeziet bemerkt op de sneeuw een rode vlek, dat is de zonde.’

De jongen doet namelijk allerlei dingen die niet mogen. Maar wát hij dan wel uit mag spoken, dat vertelt Van Schendel niet. Het schijnt zich allemaal in het Amsterdamse nachtleven af te spelen, de lezer mag de rest invullen. Van Schendel is bang, zo lijkt het soms, om de zonden bij naam te noemen.

In een roman waarin maar weinig gebeurt, is een dergelijke terughoudendheid, al dan niet een demonstratie of het gevolg van de vermaarde verzwijgtechniek, geen pluspunt. We zouden juist meer willen zien van de gevoelswereld van de personages. Die moet de schrijver dan wel betreden.

De grauwe vogels dan is eerder zwart dan grauw. Voor deze roman gaat de wet van Murphy op: als er meer dan één manier is om een taak te verrichten en één van die manieren zal in een ramp resulteren, dan zal iemand het zo doen.

Het verhaal is een opeenstapeling van catastrofes met in het centrum weer een typische Van Schendel-held; een koppige, goedhartige man die het opneemt tegen de bekrompen calvinistische gemeenschap, van Abcoude deze keer.

Nadat de broer van de held blind is geworden – door een ongeluk waarbij de held betrokken was –, nemen hij en zijn vrouw de man in huis. De broer ontwikkeld zich tot een plaag voor het gezin, haat de vrouw, en wordt krankzinnig.

Volgens de gemeenschap heerst er een vloek over het echtpaar omdat de held weigert in de voorzienigheid te geloven. Hij houdt echter stug vol, zelfs al verliest hij uiteindelijk alles.

De pesterijen en uiteindelijke krankzinnigheid van de broer zijn mooi getroffen. De thematiek is echter problematisch: heerst er een vloek van God over deze mensen, of hebben ze gewoon pech? Gebeurtenissen die zogezegd uit de lucht komen vallen, bewerkstelligen nauwelijks enig dramatisch effect.

Bovendien wordt het thema nergens opgelost. Waar een soortgelijke vraag in het bijbelverhaal van Job in de ontknoping wordt beantwoord (zoals bekend spreekt de Heer tot Job vanuit een storm), blijven we bij Van Schendel tot aan het eind in het duister tasten. Hierdoor zou de lezer ten slotte ook zijn schouders kunnen ophalen: het lijkt een zinloze en ook humorloze oefening in ongeluk.

Na de ontroerende Waterman zijn de andere twee romans in figuurlijke zin te dun om te boeien. Het verzwijgen bij Van Schendel is een techniek die in De waterman soms voorbeeldig functioneert. Diezelfde techniek kan echter ook een middel zijn om problemen uit de weg te gaan, de karakters en thema’s niet volledig uit te hoeven werken.

Wat er aan waardevols van zijn visie overblijft is in het eerste boek al gezegd, maar dan ook wel heel mooi: ‘Aan het avondbrood zat hij in gedachten, starend in het licht van de kaars, en Marie vroeg niets. De schuit wiegelde licht met gekraak in het hout. In de nacht, bemerkend dat hij onrustig was, hield zij zijn hand. Bid voor mij, zeide hij, ik begin te twijfelen aan de mensen.’

Martijn Wallage

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.