Recensie Literatuur

Wat er niet deugt aan De Bourgondiërs: Een veel te grote zak confetti ★★☆☆☆

Een bestseller is het boek van Bart Van Loo over de betekenis van de Bourgondische vorsten voor de totstandkoming van de Lage Landen. Maar is het ook goed te lezen? 

NON-FICTIE Bart Van Loo: De Bourgondiërs – Aartsvaders van de Lage Landen De Bezige Bij; 607 pagina’s; € 34,99.

De kiezer schijnt altijd gelijk te hebben. En misschien geldt dat ook wel voor de lezer. Als het rijk geïllustreerde boek van de Vlaamse historicus en conferencier Bart Van Loo over de Bourgondiërs al weken boven aan de bestsellerlijsten prijkt, moet de recensent daar eerbiedig nota van nemen. Maar in dit geval stelt hij wel de oneerbiedige vraag: hebben al die kopers het boek ook metterdaad gelézen – van flap naar flap? Zijn ze in dat geval ook tot het einde van de onmiskenbare zwier van de auteur blijven genieten? En kunnen ze het verhaal over de ‘aartsvaders van de Lage Landen’ ook in grote lijnen navertellen (gesteld dat ze al niet vertrouwd waren met Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga)?

Ik vermoed van niet. Want déze lezer heeft De Bourgondiërs als een onnavolgbaar boek ervaren. Onnavolgbaar in de zin dat Van Loo erin is geslaagd vrijwel elke alinea van het ruim 600 pagina’s tellende boek vol te proppen met beeldspraak, al dan niet relevante terzijdes, namen van hoofdrolspelers en figuranten, weelderige beschrijvingen van ‘blijde intredes’, feestelijke banketten en bloedige veldslagen, en grappen waarmee de conferencier de historicus hinderlijk voor de voeten loopt. De lezer – déze lezer althans – hing na een paar pagina’s amechtig in de touwen, overvoerd met informatie zonder hiërarchie. Elk element van het verhaal wordt met dezelfde stijlmiddelen opgediend. Nergens neemt Van Loo gas terug om de wederwaardigheden van de hertogen van Bourgondië en de koningen van Frankrijk en Engeland even te laten bezinken of te ordenen. Alles danst als de inhoud van een veel te grote zak confetti voor zijn ogen. En gaandeweg stelt de lezer – déze althans – vast dat De Bourgondiërs in nog een ander opzicht onnavolgbaar is: het verhaal is niet te volgen.

Neem, om maar een van de talrijke voorbeelden te noemen, de manier waarop Jeanne d’Arc , de Maagd van Orléans, op pagina 260 wordt geïntroduceerd. ‘Een aangetrouwde neef, een zekere Durand Laxart, nam haar mee naar Vaucouleurs, twintig kilometer ten noorden van Domrémy. Deze onbekende Laxart verdient wel degelijk zijn plek in de geschiedenisboeken: hij was de eerste die door Jeanne overtuigd werd van haar heilige missie. In Vaucouleurs wenste ze kapitein Robert Baudricourt te spreken.’ En zo vallen voortdurend namen van mensen van wie vervolgens niets meer wordt vernomen. Of wordt vuurwerk aangekondigd dat uiteindelijk als een nat rotje afgaat.

Zo ontvouwde hertog Filips de Goede plannen voor een ‘Bourgondische kruistocht’ tijdens een overvloedig banket ter gelegenheid van het huwelijk van zijn nichtje Elisabeth van Bourgondië met Jan van Kleef, die ook wel ‘Jan de Kindermaker’ werd genoemd omdat hij zes officiële en 63 buitenechtelijke kinderen had verwekt waarmee hij ‘vlotjes de vruchtbare rokkenjager Filips de Goede in de schaduw (zou) stellen’. Tijdens dat ‘Banket van de Fazant’, dat plaatsvond in het Palais de Salle in Rijsel omdat het nieuwe Rihour-paleis nog niet was opgeleverd, maakte Filips dus de geesten van zijn disgenoten rijp voor een kruistocht – die na tientallen pagina’s met kleurrijke uitweidingen terloops een stille dood sterft.

En zo bestaat de weelde die Van Loo opdist in belangrijke mate uit losse eindjes. Bondgenootschappen worden gesloten en weer ontbonden. De met smaak beschreven vete tussen de Franse koning Karel VII en diens troonopvolger Lodewijk is ten einde als ze elkaar opeens weer in de armen vliegen. En de verheffing van de Bourgondische hertog Karel de Stoute tot ‘rooms-koning’ viel te elfder ure in het water omdat keizer Frederik III de benen nam. Over diens beweegredenen tasten historici nog steeds in het duister, schrijft Van Loo. Wel weet hij dat Karel ‘ten prooi (viel) aan de grootste woedeaanval uit zijn leven’ en daarbij alle meubelen in zijn kamer aan gruzelementen sloeg.

De omgang van Van Loo met het Bourgondische verleden is nogal dubbelhartig. Enerzijds ligt het zo ver achter ons dat hij het met een zekere ironie beschrijft – waarbij hij zich vaak verliest in plastische sfeerschetsen en leuk bedoelde omschrijvingen. Zoals van de forse kin van Maximiliaan van Oostenrijk (‘het meest museale kaakgewricht uit de Europese geschiedenis’) of de val van Maria van Bourgondië (‘de, op de doodsmak van de Belgische koning Albert I in 1934 na, meest becommentarieerde val uit de geschiedenis van de Lage Landen’). Anderzijds maakt hij te weinig gebruik van de mogelijkheden die hij als historicus heeft om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden, of om zich los te maken van de verwarring waaraan de tijdgenoten van Filips de Goede en Karel de Stoute voortdurend ten prooi moeten zijn gevallen. Anders dan Johan Huizinga, helpt hij de hedendaagse lezer dus niet om die vreemde Bourgondische tijd te begrijpen.

En dat is jammer, want zoveel wordt er niet over de uitloper van de Middeleeuwen geschreven. Van Loo had goede intenties: hij wilde de aanzetten van een modern, meritocratisch bestuursapparaat in het hertogdom Bourgondië laten zien. Hij heeft de wordingsgeschiedenis van de Lage Landen willen schrijven. Maar meer dan een praatjesboek met heel veel tekst is het niet geworden. ‘Trop is te veel’, schrijft hij na de beschrijving van de zoveelste schranspartij. Het zou fijn zijn geweest als hij deze vermaning zelf ter harte had genomen.

Beeld Silvia Celiberti
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.