Analyse 't Is weer voorbij die mooie zomer

Wat een van de grootste Nederlandstalige hits te maken heeft met treinen, leukemie en Hillary Clinton

Beeld Deborah van der Schaaf

’t Is weer voorbij die mooie zomer van Gerard Cox is gebaseerd op een tientallen malen gecoverd liedje van de onbekend gebleven singer-songwriter Steve Goodman. 

Er gonzen nanana’s door de lobby van het Parkhotel in Rotterdam, op een hete zomerdag, en Gerard Cox, de schepper van dit vocale intermezzo, brengt het onbewogen voort. Wanneer het epische intro van ‘t Is weer voorbij die mooie zomer achter de rug is, en er dus in totaal 39 na’s zijn gepasseerd, kijkt hij breeduit grijnzend om zich heen.

Er waren niet altijd nanana’s geweest in het liedje. Steve Goodman, die het originele nummer City of New Orleans in 1971 had uitgebracht, begon met fingerpickin’ op de gitaar. En Joe Dassin, die het lied een jaar later verfranste naar Salut les amoureux en de belangrijkste inspiratie was voor Gerard Cox, koos voor een accordeon.

Het was op een zaterdagochtend op een voetbalveld in Buitenveldert in Amsterdam, in augustus 1973, dat Cox de nanana’s werden aangereikt. Hij had gevoetbald, net als componist en arrangeur Rogier van Otterloo. Met een biertje in de hand vertelde Van Otterloo liggend in het gras over zijn vondst: neuriënde damesvocalen, moesten het worden in dat zomerliedje van ’m, nanana’s in close harmony, ter introductie van zijn nummer. Dan werd het nostalgische gevoel je al in het begin aangereikt.

Wie de nanana’s voor haar rekening moest nemen, dat kon er maar één zijn: Letty de Jong, de Nederlandse koningin van de woordeloze zang. Dat jaar was ze ook al te horen op de soundtrack van Turks fruit, op die van de film over Johan Cruijff, en op Thijs van Leers album Introspection. In Cox’ nummer kraakte ze nadien de nanana’s in gezamenlijkheid, met nog twee zangeressen.

Cox: ‘En door het toevoegen van die nanana’s, die mensen aan geile meisjesstemmen deden denken, was het meesterstuk compleet.’

Je kunt zeggen dat in 1973, het jaar van zijn hit ’t Is weer voorbij die mooie zomer, het leven in al zijn hoedanigheid aan Gerard Cox voorbijtrok. Na elf jaar was zijn huwelijk voorbij en woonde hij alleen op een kamertje in de Rotterdamse binnenstad. Er was wel een nieuwe liefde en die nam hem in het voorjaar mee naar de Zandvoortse uitgaansgelegenheid La Pomme, waar de clientèle een dansje kon wagen. Daar hoorde Cox voor het eerst Salut les amoureux van Joe Dassin, het afscheid van een geliefde. ‘En daar stond ik, en ik werd bevangen door nostalgie’, zegt hij. ‘De droefheid der dingen, het leven. Zo’n gevoel van ‘ja, het is leuk en aardig allemaal met de liefde, maar dadelijk is het weer over’.’

Als een liedje dat gevoel subiet kan oproepen, dacht Cox, dan is er iets bijzonders aan de hand, daar moest hij mee aan de slag. In 1972 had hij voor het eerst in zijn loopbaan als zanger een grote hit gehad: 1948 (Toen was geluk heel gewoon), met een tekst van Kees van Kooten en Wim de Bie en gearrangeerd door Rogier van Otterloo. Eerder maakte hij vooral naam als geëngageerd cabaretier, die zich schertsend keerde tegen het Koninklijk Huis en de Amerikaanse president.

Als hij nou eens een eigen tekst zou maken op Joe Dassins Salut les amoureux, meende hij, dan zou dat een mooie opvolger kunnen zijn. In de lijn van 1948, over iets van voorbijgaande aard, eveneens melancholisch van toon.

In Frankrijk, in de zomer van 1973, in een oud familiehotel in Compiègne, ging hij aan een tafeltje zitten, en daar was de tekst: boem, in één keer. Geschreven op de achterkant van een velletje van een musicalscript. Het was achteraf gezien de laatste vakantie als compleet gezin, dus met zijn zoon en dochter en de vrouw van wie hij al gescheiden leefde. In elk Frans café dat hij bezocht zei hij tegen zijn 7-jarige zoon Joeri: ‘Hier hebbie ’n frank voor Joe Dassin.’ ‘En dan liep het ventje naar de jukebox en zette ’m op. Zo bleef dat liedje de hele vakantie in mijn hoofd zitten, ik bleef het horen. Daarom pasten die woorden precies, toen ik ervoor ging zitten. En dat drijven met een vlot op de rivier, uit de tekst, was ook net gebeurd. Net als jeu de boules. Toevallig was ik daar best goed in, als placeur.’

We speelden golf en jeu de boules

We zonden zalig in een stoel

We dreven met een vlot op de rivier

Nou, dacht Cox, dat kon niet meer misgaan, bij platenmaatschappij CBS. Hij had toch goud in handen. Tussen repetities door met Frans Halsema voor het programma Wat je zegt ben je zelf, probeerde hij de platenbonzen te overtuigen. Ho! Echt niet, hij kreeg de handen niet op elkaar: jij bent toch geen single-artiest, Gerard, je hebt toch net een langspeelplaat uit, Gerard. Totdat CBS-baas John Vis na herhaaldelijk aandringen toch overstag ging: nou vooruit, Gerard, als jij zo nodig moet, dan nemen we het op. 

In één dag stond het erop, in een muziekstudio in Weesp, onder leiding van jazzbassist Ruud Jacobs.

Drie weken na het einde van de zomer, op 13 oktober 1973, kwam het uit, ’t Is weer voorbij die mooie zomer. Terwijl de wereld in een oliecrisis raakte en de autoloze zondag werd ingevoerd, werd de hitlijst in Nederland aangevoerd door een muzikaal verlangen naar de zomer, aangewakkerd door een stel nanana’s . Alsof de politieke en economische spanningen daarmee teniet werden gedaan.

’t Is weer voorbij die mooie zomer

Die zomer die begon zo wat in mei

Cox: ‘Het was een bom! Overal was het te horen en het schoot zomaar de Top 40 binnen, uit het niets op nummer 15. Vier weken op nummer 1, 18 weken in de hitparade. Hoe is het mogelijk? Waarom zette ik zo door? Waarom werd het een hit? Ik weet het niet, het moest zo zijn. Een goeie tekst, een briljant arrangement, en perfect ingezongen. Dat wil wel helpen.’

Beeld Deborah van der Schaaf

***

De grootste verrassing tijdens zijn Europese tournee in de zomer van 1976 kreeg Steve Goodman in Nederland voor zijn kiezen. En dan hebben we het niet alleen over de variatie in marihuanasoorten die de Amerikaanse folkzanger in De Melkweg in Amsterdam mocht ervaren. Zijn City of New Orleans bleek een zeer populair deuntje te zijn. Er bleek een zanger te zijn die een grote hit had gehad met een Nederlandse versie van zijn nummer. En weet je wat: de tekst had in geen velden of wegen iets met de zijne te maken. Het ging over het weer! The beautiful summer has passed already.

Steve Goodman vond dat grenzeloos grappig, zegt Clay Eals, telefonisch vanuit Seattle. Eals is de auteur van een boek met de dikte van een stoeptegel, Steve Goodman, Facing the music, een ongekend definitieve biografie uit 2007 over een zanger die zowel in lengte als in muzikale grootheid buitengewoon gering was. Clay Eals werkte er echter tien jaar aan en sprak meer dan duizend mensen, onder wie Hillary Clinton, bij wie Goodman in de klas had gezeten.

Volgens Eals is Steve Goodman (1948-1984) namelijk de allerbeste entertainer, zanger en liedjesschrijver ooit! Zonder twijfel! Daarom is City of New Orleans, zijn beroemdste lied, door meer dan honderd artiesten gecoverd. Of, zoals in het geval van Gerard Cox of Joe Dassin, voorzien van eigen lyriek. Denk daarbij ook nog aan de Duitse versie van Rudi Carrell (Wann wird’s mal wieder richtig Sommer), de Finse interpretatie van Karma (Hyvää huomenta Suomi), de Hebreeuwse variant van Yeharom Gaon (Shalom lach eretz Nehederet) en de Vlaamse bard Stafke Fabri met zijn ’t Is weer voorbij die vuile winter.

Hoe Steve Goodman aan City of New Orleans kwam, daarover vertelde hij volgens Eals dat ‘het er opeens was’. Goodman ging in 1970 van Chicago naar New Orleans, in een trein die City of New Orleans werd genoemd, op weg naar de oma van zijn vrouw. Het stond er slecht voor met deze trein, er waren amper reizigers, hij reisde met een tragische trein die zijn eigen blues was. En als ‘een ‘schitterend ongeluk’ waaide het liedje zijn hoofd binnen, zegt Eals.

Aanvankelijk bestond het nummer uit twee coupletten, die beschreven wat hij onderweg zag, hoe hij boerderijen, huizen en natuur passeerde. Totdat een bevriende liedjesschrijver hem vertelde dat dat te doorsnee was. In de geest van de Amerikaanse schrijver John Steinbeck moest hij gewone mensen in de coupés beschrijven. Zo kwamen er drinkende kaartspelers in het nummer, en moeders met slapende baby’s. Het refrein met de uitdrukking Good morning America, how are you? bleef hetzelfde:

Singin’ good morning America, how are ya?

Saying don’t ya know me? I’m your native son

Arlo Guthrie was behalve de zoon van folklegende Woody, ook een zanger die de wind in de rug had. Hij had op het Woodstock-festival opgetreden en een hit gehad met Alice’s Restaurant. Dat hij in het voorjaar van 1971 in een kleine club in Chicago stond, The Quiet Knight, was een vriendendienst aan de eigenaar, Richard Harding. En Harding had die avond een missie: dat nummer, City of New Orleans, moest een hit worden. ‘Dat verdiende het nummer in zijn optiek’, zegt Eals. ‘Maar nog meer gunde hij het de componist, die arme Steve Goodman, bij wie onlangs leukemie was vastgesteld. Hoe mooi zou het zijn als hij een groot succes meemaakte, nog voor zijn overlijden.’

Goodman werd de kleedkamer in geduwd waar Arlo Guthrie net zijn gitaar aan het inpakken was. Hij zei wel te willen luisteren naar die onbekende folkzanger, onder één voorwaarde: dat Harding nu als de sodemieter hem een grote pils moest bezorgen. Dan zou Guthrie gedurende dat ene biertje het treinliedje aanhoren. Eals: ‘Het zou een van de beste biertjes uit de loopbaan van de mannen worden. Want Guthrie maakt er in 1972 een grote hit van, iets wat Goodman zelf nooit was gelukt.’

Waar Goodman in de oorspronkelijke compositie de vaart erin hield, indachtig de trein die door het landschap schiet, haalt Guthrie de voet van het gaspedaal. Zijn City of New Orleans boemelt voorbij, met een cruciale melodieuze aanpassing in het refrein, waardoor het nummer zich als een ware oorwurm in je hoofd nestelt.

Yes, I’m the train they call the City of New Orleans

And I’ll be gone 500 miles when day is done

Eals: ‘Sommige mensen zeggen dat City of New Orleans een treinliedje is. Maar het is groter. Het gaat over een stervende trein, geschreven door een zanger die dacht ook niet lang meer te zullen leven, in een tijd dat de trein steeds minder belangrijk werd. De auto nam het over. Mensen die opgegroeid zijn in de jaren zestig en zeventig voelden zich verwant met het gevoel dat het liedje opriep. Zo van: ‘Wij zijn Amerikanen, maar het lijkt wel of Amerika ons niet wil herkennen, als een verloren generatie trekt alles aan ons voorbij’.’

In het jaar dat Willie Nelson een grote hit had met de single en lp City of New Orleans, in 1984, stierf Steve Goodman op 36-jarige leeftijd, veertien jaar later dan aanvankelijk werd verwacht. In 1985 kreeg Goodman postuum een Grammy Award, voor zijn door Nelson uitgevoerde liedje. Een muzikale bekendheid is Goodman zelf nooit echt geworden, zegt Eals. ‘Maar miljoenen kennen zijn liedjes, daarom wordt hij niet vergeten.’

Zoals dus bij honkbalclub Chicago Cubs, altijd zijn favoriete team geweest. In het stadion waar zijn as werd verstrooid, gaan na elke gewonnen thuiswedstrijd veertigduizend bezoekers staan en heffen een lied aan van Steve Goodman: Go Cubs Go.

Go, Cubs, go

Hey, Chicago, what do you say

The Cubs are gonna win today

***

Er klinkt een woe-hoe uit de mond van de beste treinliedjeszanger van het land, Bert Hadders uit Groningen. Gevolgd door een ting-a-ling. Hadders heeft zijn gitaar vast in zijn oefenruimte op een bedrijfsterrein iets buiten Groningen, en in het Oost-Gronings wordt er gezongen. Station Van Daam heet het nummer, waar de melodie van Steve Goodmans lied in rondwaart, al gaat het over het station van Appingedam. Daar zat zijn moeder vlakbij in het verzorgingshuis, en wachtte hij na elk weinig vrolijk makende visite op de trein met een rolletje pepermunt, en al zijn sombere gedachten.

Hou voak heb k al ofschaid nomen

Hou voak zee ze nait: ‘zo ist wel goud’

mor altied kwam der wel weer blad aan bomen

Soms komt t ende nait ast kommen mout

Beeld Deborah van der Schaaf

Trainsongs, of treinliedjes, dat is nog eens een grensoverschrijdend genre. In folk, blues, country, rock, jazz, soul, hardrock, reggae en hiphop denderen de treinen voorbij, er zijn duizenden liedjes en van alle tijden. Twee jaar voordat de eerste trein in Amerika reed, was er in 1828 al een train songThe Carollton March. Onlangs was metal-legende Ozzy Osbourne nog flink boos op Donald Trump omdat die zijn trainsong, Crazy Train, had gebruikt in de politieke arena.

Ze worden veelvuldig bezongen, die treinen, op allerlei manieren. Ze worden geladen met liefde, haat, vergezichten en overlevingsdrang. Ja, je kunt erin zitten en verdrietig naar buiten staren. Je geliefde smeert ’m met de trein, de moordenaar weet te ontsnappen met de trein. Je ziet de trein niet, maar je hoort ’m wel.

De trein van Steve Goodman verdween en wat er met City of New Orleans verdween, zou nooit meer terug komen, zong hij in zijn treinlied. In 1981 werd deze trein echter in ere hersteld. Treinmaatschappij Amtrak dacht hiermee de bekendheid van de Goodmans song te kunnen verzilveren.

Van Bert Hadders kun je zeggen dat je hem ’s nachts uit zijn bed kunt halen voor een goeie trainsong. Hij zal je vertellen over Johnny Cash, wiens allereerste nummer, Hey Porter, ging over een trein die naar het zuiden reed en de hoofdpersoon vroeg de hele tijd aan de conducteur of ze er al waren. Boem-Tjikke-Boem is het tempo van Johnny Cash, beetje zoals een trein die door Tennessee rijdt. Cash zong talloze trainsongs, maakte zelfs een documentaire over het verschijnsel en coverde als vanzelf City of New Orleans.

Hadders vergeet natuurlijk ook Hank Williams niet, die meewarig zong over de eenzaamheid van de trein in Lonesome Whistle. Elvis Presley over zijn grietje dat verdween met de Mystery Train, en daar zong Robert Johnson ook al over, in Love in Vain. Het is simpel, zegt Hadders, als er niks te doen is op het platteland, dan is er altijd de trein, en op het ritme van de trein, kun je verder fantaseren.

Kedeng Kedeng - om uit Guus Meeuwis’ grote treinhit (1996) te citeren.

***

Met die nieuwe geliefde, die hem meenam naar de Zandvoortse dansgelegenheid, was het niks geworden. Maar ’t Is weer voorbij die mooie zomer bracht hem wel ‘dat lekkere stuk’ dat veertien jaar lang zijn tweede vrouw zou worden, Joke Bruijs. Want als je een Nederlandstalige hit hebt, hoorde je in die jaren te verschijnen bij het tv-programma Op losse groeven. En daar was Bruijs, een van de vaste zangeressen. ‘Het was gelijk raak’, zegt Cox. ‘Een leuke meid uit Rotterdam-Zuid, en haar vader had net als de mijne in de haven gewerkt. Haar heb ik toch aan dat liedje te danken.’

In het programma met Frans Halsema kwam het nummer ook terug, in een versie boordevol zelfspot. Cox hield een papiertje vast met de tekst en zong het alsof het de eerste keer was. Zeshonderd keer deden ze dit zeer succesvolle programma, met daarin ook de sketch ‘Geen ja, geen nee’. Met het vele geld dat Cox verdiende met zijn nazomerse overwegingen, kocht hij een vrijstaande hoeve in De Hoeksche Waard. Daar hangen zijn platina single en lp aan de muur, zodat hij er elke dag nog vol trots naar kan kijken.

Jezus, en wat er ook nog is gebeurd, ja laten we het daar nog eens over hebben. CBS-baas John Vis voorspelde het al: o o, wat zullen je linkse vriendjes over je heen gaan vallen, Gerard. Die vinden het niet leuk dat jij een hit hebt, Gerard. Hoezo, dacht Cox. Wat mankeert er aan het lied over een zomer die voorbij is?

Pak de poen, Ome Gerard

Altijd doen, Ome Gerard

Cabaretier Ivo de Wijs pakte Cox in zijn Ome Gerard keihard aan, als gevolg van zijn succes. Cox heette een zakkenvuller te zijn, overgelopen naar het kamp van de Tros, De Telegraaf en Vader Abraham. Freek de Jonge en Bram Vermeulen maakten hem bij de Vara op de radio voor ‘rotte vis’ uit. ‘Opeens deugde ik niet meer’, zegt Cox. ‘Zo ging dat in de jaren zeventig, een ketterverbranding daar leek het op. Alles wat links en progressief was, keerde zich tegen mij. Mijn fout was dat ik me ging verdedigen, ik had gewoon een lange neus moeten trekken. Ja, ik werd er schatrijk van, nou en? Het was gewoon heerlijk om een hit te hebben.’

’t Is jammer dat het over ging

’t Is allemaal herinnering

***

Terwijl de nanana’s van alle kanten kwamen, zat Rudi Carrell in een lichtbruin corduroy-pak op een kunstpoef in een kinderzwembad, en vrouwen in badpak zwommen om hem heen. Clay Eals, de biograaf van Steve Goodman, viel in Seattle bijna van zijn bureaustoel, toen hij het filmpje op YouTube bekeek. Hoe was het mogelijk dat het universele vrijbuiterslied van zijn muzikale held het gebracht had tot zo’n bizar beeld, zonder dat er psychedelische drugs aan te pas waren gekomen. In de setting van een nepcamping klonk een lied over zomers die er niet meer zijn, Wann wird’s mal wieder richtig Sommer?, de grootste zomerhit van 1975 bij de oosterburen, gezongen door een Nederlandse Duitser die eigenlijk Rudolf Kesselaar heette.

Zoals er na Goodman variaties kwamen van Guthrie en Dassin, zo borduurde Carrell weer voort op Cox. De zomer was niet voorbij, maar was er nooit geweest. De Duitse tekst werd bijna in zijn geheel geschreven door Thomas Woitkewitsch. Rudi Carrell (1934-2006) nam één aanpassing voor zijn rekening, over een melkman die zich beklaagt dat de wegblijvende zomer de schuld is van de sociaal-democraten.

Wann wird’s mal wieder richtig Sommer

Ein Sommer wie er früher einmal war?

Caroline Kesselaar weet nog hoe het was, in de zomer van 1975. Zo vaak zag ze haar vader niet, haar ouders waren gescheiden, en Carrell woonde met zijn nieuwe geliefde in Bremen. Nu liep de 13-jarige met hem in West-Duitsland over straat en iedereen wilde een handtekening of met hem op de foto. ‘Mijn zus en ik vonden het verschrikkelijk’, zegt de Amsterdamse. ‘Hij was alleen maar met zijn fans bezig. Hij was toen zo populair in Duitsland, ook door Am Laufenden Band, de televisieshow.’

Ze had er speciaal weer even naar geluisterd, Wann wird’s mal wieder richtig Sommer? en het viel haar niet tegen, die vrolijkheid van haar vader. ‘Het verlangen naar de zon, naar de zomer, dat had hij toch mooi vertolkt.’ Kesselaar wist dat haar vader dol was op het repertoire van Gerard Cox, en dat was goed te horen in zijn versie. Als puber zette ze trouwens nooit de muziek van haar vader op, logisch toch, daar hoorde je toch niet naar te luisteren. Maar Kesselaar merkt dat ze het nu ze ouder wordt meer kan waarderen. Het is toch mooi wat haar vader heeft bereikt. ‘Hij heeft niet voor niets het Bundesverdienstkreuz ontvangen, hij heeft echt de relatie tussen Nederland en Duitsland verbeterd. Mensen in Duitsland zeggen ook: ik ben met hem opgegroeid, hij was overal.’

Daarom kan haar dochter Gabo, die parttime in de Amsterdamse horeca werkt, het niet laten als Duitse toeristen de zaak bezoeken. Mijn opa was Rudi Carrell, zegt ze dan, kent u die nog? ‘En dan beginnen de gasten spontaan te zingen, Wann wird’s mal wieder richtig Sommer? Met de nanana’s erbij.’

Gerard Cox neemt een slokje water, in de lobby van het Parkhotel wordt de zomerhitte buitengesloten. Over Rudi Carrells versie staat zijn mening onomstotelijk vast: ‘Carrell heeft het toch van mij gepikt, met dat lied over die klotezomers. Zonder te vragen, dus. Kun je dat voorstellen? Ik heb het wel eens tegen hem gezegd, persoonlijk, bij hem thuis in Duitsland. Ja, zelfs de nanana’s had hij overgenomen. Dat doe je toch niet.’

Maar ja, waar hebben we het over, zegt Cox. ‘Godallemachtig, het is een liedje uit 1973. Sinds die tijd zijn er al 45 zomers voorbijgegaan! Dat is veel hoor. Het is nu nostalgie naar de nostalgie.’

We werden wekenlang verwend

Maar ach, aan alles komt ’n end.

Verbetering: In een eerdere versie van dit bericht stond vermeld dat Steve Goodman in 1994 overleed, dat moet 1984 zijn.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden