InterviewBill Callahan

Wat doet een singer-songwriter van droeve muziek, als hij ineens gelukkig blijkt te zijn?

Beeld Hanly Banks Callahan

Singer-songwriter Bill Callahan (54) was bang dat zijn nieuwe levensgeluk funest zou zijn voor zijn toch wat droeve muziek. Aan de Volkskrant vertelt hij hoe hij dat geluk toch een plek gaf op zijn nieuwe albums.

Op het nieuwe album Gold Record van Bill Callahan staat een liedje dat volgers van zijn werk al kennen. Let’s Move to the Country heet het, in 1999 bracht de liedjesschrijver het al eens uit. Toen nog zoals al zijn vroege werk onder de naam Smog.

Het is een typisch Callahan-nummer. Donkere baritonstem, simpele melodielijn en eenvoudige begeleiding van in dit geval een akoestische gitaar. Muzikaal is alles teruggebracht tot de kern. Dat je er – zoals bij de meeste liedjes van Callahan – meteen aan blijft hangen, komt door de tekst en de sobere, zeg maar gortdroge manier waarop de woorden zijn mond uitkomen.

Bill Callahan (54) is in dertig jaar uitgegroeid van een indiemuzikant met een voorkeur voor licht krakende instrumentaties en dissonante gitaren tot een singer-songwriter wiens repertoire richting de wat conventionelere americana is opgeschoven. Zeker sinds hij vijftien jaar geleden de naam Smog afschudde en onder eigen naam verder ging, is zijn oeuvre gegroeid in zeggingskracht en populariteit. Zijn werk wordt inmiddels in één adem genoemd met dat van Bob Dylan en Leonard Cohen. 

Maar in de kern is zijn muziek weinig veranderd. Dat bewijst de terugkeer van Let’s Move to the Country op Gold Record. De knik in de melodielijn is na meer dan twintig jaar hetzelfde gebleven. Maar de tekst niet. In 1999 volgde Callahan zijn voornemen naar het platteland af te reizen op met de regels: ‘Let’s start a...’ en ‘Let’s have a...’ Hij maakte de zinnen niet af.

Nu wel. De puntjes zijn in de nieuwe versie ingevuld. ‘Let’s start a family.’ ‘Let’s have a baby.’

Het zijn maar een paar woorden, maar ze zijn o zo veelzeggend. ‘De jongeman was een jaar of 27 toen hij het liedje schreef’, zegt Bill Callahan aan de telefoon vanuit Austin. ‘Hij wist echt nog niet wat hem in het leven te wachten stond. Ik weet zeker dat het stichten van een gezin en vader worden erg laag op zijn verlanglijstje stonden. Liedjes schrijven was voor hem vooral een spel. Personages verzinnen, ze dingen laten doen of overkomen die hem spannend leken. Invullen deed hij niks. Er mocht best wat te raden overblijven.’

Zo schrijft Callahan, die van de hij-vorm terugschakelt naar de eerste persoon, niet meer. ‘Ik hield van spelletjes, van het opwerpen van een rookgordijn. Dat was vooral een soort zelfbescherming. Iets van: doe maar lekker vaag, ontwijk al het persoonlijke.’

Interviews met Bill Callahan waren in de jaren negentig dan ook een ramp. Praten deed hij eigenlijk niet, dat liet hij zijn muziek doen. Maar de laatste tijd is dat veranderd. ‘Ik ben een totaal ander mens geworden, dat durf ik gerust te zeggen. Mijn hart is groter, mijn horizon is breder.’

Nieuw leven

In weloverwogen woorden, die soms secondenlang op zich laten wachten, vertelt Callahan dat die verandering komt door zijn huwelijk en vaderschap. Callahan is gelukkig getrouwd en vader van een zoon van 5, Bass. ‘Best saai eigenlijk, al dat geluk. Maar ik moest het even laten inwerken voor ik weer aan de slag kon.’ Er zit een gat van zes jaar in de Callahan-discografie, van 2013 tot 2019. ‘Ik dacht echt even dat mijn leven als huisvader funest zou zijn voor mijn muziek. Ik wilde er zelfs mee stoppen en een vak gaan leren.’

Totdat Callahan erachter kwam dat zijn nieuwe leven juist een bron van inspiratie kon zijn voor nieuwe liedjes. ‘Ik moest niet bang zijn om mijn geluk te delen. Er was veel in mijn leven veranderd, waarom zou ik dát niet als onderwerp nemen?’

Maar een plaat van een louter jubelende en van levensgeluk stralende Bill Callahan, dat wilde hij zijn luisteraars ook niet aandoen. ‘Gelukkig trof ook het onheil me’, zegt hij droogjes. ‘De dood van mijn moeder, twee jaar geleden, aan kanker, joeg me de studio in.’

Drie maanden lang, vijf dagen in de week werkte Callahan aan het album Shepherd in a Sheepskin Vest, dat vorig jaar met luid applaus werd onthaald. Callahans muziek was weinig veranderd. Eenzelfde wat droef klinkende bariton, sobere begeleiding en liedjes waar je door eenvoudige melodische verleiding toch in wordt gezogen.

‘Giving birth nearly killed me, some say I died’, zingt hij in Son of the Sea. Ja, songschrijver Bill Callahan was ook even bijna dood. ‘Totdat ik erachter kwam dat ik niet bang hoefde te zijn om openhartiger te zijn in mijn liedjes.’

Ontroerend beschrijft Callahan in Circles hoe hij de handen van zijn moeder op haar borst vouwt; in What Comes After Certainty  telt hij zijn zegeningen (‘I never thought I’d make it this far/ Little old house recent model car/ And I’ve got the woman of my dreams) om in The Beast tot de volgende conclusie te komen: ‘Sky change the sea/ Love changed me.’

Shepherd in a Sheepskin Vest was een zware bevalling, stelt Callahan vast. ‘Ik heb nooit eerder zo direct mijn gevoelens tot liedjes verwerkt. Dat was mooi, maar ik moest er toch even van afkicken. Een plaat maken die wat luchtiger was, waarin ik weer andere mensen kon laten opdraven die ik zelf had bedacht.’

Gold Record CD cover Bill CallahanBeeld RV

Ludiek

Het onlangs verschenen Gold Record nam Callahan snel op, vlak voordat hij in 2019 op tournee ging. ‘Van de meeste liedjes had ik al een paar regels op papier, of ze waren zelfs al klaar maar lagen ergens stof te vangen, omdat ik ze niet vond passen in het narratief van de albums waarvoor ze bedoeld waren.’

Gold Record laat Callahan van zijn ludiekste kant horen. Hij speelt opzichtig met perspectieven. Het eerste nummer, Pigeons, begint met de regel ‘Hello, I’m Johnny Cash’ en eindigt met ‘Sincerely, L. Cohen’. ‘Een grapje dat ik even nodig had, bij wijze van ontlading of reactie op de toch heel persoonlijke ontboezemingen op mijn vorige album.’

In Pigeons is de verteller een limousinechauffeur die pasgetrouwden vervoert. ‘Zo iemand maakt het prilste geluk van talloze echtparen mee, dat fascineert me.’ In een van de mooiste liedjes, The Mackenzies, verhaalt Callahan over een echtpaar dat hem na panne met zijn auto thuis ontvangt en hem behandelt als een surrogaat voor hun overleden zoon. Het is een ontroerend verhaal, waarvan de realistische observerende toon doet denken aan het werk van de Amerikaanse schrijver Raymond Carver.

‘Carver was van grote invloed op mijn teksten. Ik ben laat begonnen met lezen. Maar toen ik een jaar of 20 was, waren zijn korte verhalen voor mij maatgevend. Hoe met weinig woorden grote gevoelens te beschrijven – dat is toch de kern van wat ik doe.’

Het verhaal is verzonnen, The Mackenzies niet. ‘Ik kocht jaren geleden mijn eerste auto van een echtpaar dat me thuis uitnodigde. Gewoon aardige mensen, die ik daarna nooit meer heb gezien, maar ook nooit ben vergeten.’

Het zijn vaak herinneringen aan op zichzelf onbelangrijke gebeurtenissen die bij Callahan het hardnekkigst blijven hangen. ‘Die vragen er uiteindelijk om tot een liedje verwerkt te worden.’ Zo knaagt er al tijden een beeld in zijn hersenpan van een kruispunt ergens in Iowa waar hij onderweg eens uit de tourbus stapte. ‘Een volkomen non-descripte plek, geen duidelijke aanleiding, maar ik kom er maar niet van af. Dat kan niet anders dan ooit de basis van een liedje worden.’

Scary stuff

En de huidige toestand in de door een pandemie getroffen wereld, is dat nog een mogelijk onderwerp?

Nee, klinkt het resoluut. ‘Voorlopig niet. Dat onderwerp is te groot voor me, ik kan het pas kleiner maken als het virus onderdrukt of verdwenen is.’

Het zijn vreemde en verwarrende tijden, vindt Callahan. Zo zit hij nu te bellen op de veranda van zijn huis, in een buitenwijk van Austin. ‘Ik kijk om me heen en alles oogt vredig. De vogels fluiten, ik voel me vertrouwd. Mijn vrouw is thuis, mijn zoontje speelt. Maar dan ga ik de straat op en is alles uitgestorven, en als ik de tv aanzet lijkt het wel alsof we binnen een paar maanden allemaal dood zijn. Scary stuff.

Extra beangstigend, vindt Callahan, omdat de dood de laatste jaren dichterbij was dan ooit. Zijn moeder overleed, maar ook David Berman en John Prine, muzikanten met wie Callahan goed bevriend was, ontvielen hem het afgelopen jaar.

‘Singer-songwriter John Prine overleed aan covid-19 en laat een geweldig oeuvre na. Berman pleegde zelfmoord. Hij tobde al zijn hele leven met depressies. Ik hield van hem en van zijn band Silver Jews. We waren bevriend, maar ik kon hem niet helpen.’

Wat Callahan zeker weet, is dat wat meer erkenning het leven van beide mannen meer kleur had gegeven. ‘Een kunstenaar moet eerst doodgaan voordat de lof komt. Dat zag ik bij hen ook weer bevestigd. Maar toen Lou Reed en David Bowie overleden, viel me dat al op. Wat zouden ze hebben  genoten van al die prachtige necrologieën. Wat jammer dat ze daarvoor zelf dood moesten gaan.’

Zover wilde Callahan het niet laten komen met een van zijn helden, gitarist Ry Cooder, dus schreef hij bij wijze van ode het nummer Ry Cooder, een ander hoogtepunt op Gold Record

‘Hij speelt geweldig gitaar, maakte mooie filmsoundtracks en was ook de man die met zijn Buena Vista Social Club de hele wereld aan de Cubaanse muziek bracht. Dat gaan we allemaal lezen als hij doodgaat, maar waarom zou ik hem nú niet prijzen met een liedje?’

‘Ry Cooder, he’s a real shape-shifter/ Better call him Mister’, zingt Callahan respectvol. Binnen een paar regels verwijst hij zowel naar Cooders samenwerking met Wim Wenders in de jaren negentig als naar klassiek geworden jarenzeventigalbums als Chicken Skin Music (1976). Geen moment probeert hij Cooders spel of zang te imiteren, maar toch wil je meteen naar Cooder zelf luisteren.

Wat zou iemand nu bij wijze van ode over Callahan moeten schrijven? ‘Een man die met kleine liedjes grip op het grote onverklaarbare probeert te krijgen. Zoiets?’

Bill Callahan: Gold Record. Drag City/V2.

Bill in dub

Een vreemde eend in de bijt binnen de tientallen titels omvattende catalogus van Bill Callahan is het album Have Fun with God (2014). Het is geen liedjesplaat maar een dubversie van het album Dream River, dat een jaar eerder verscheen. Zoals reggae-artiesten dubversies van hun liedjes maken door het basgeluid te versterken, veel echo toe te voegen en zang weg te laten, zo bewerkte Callahan zijn album. Het was een ode aan een van zijn muzikale helden, Lee Perry, zegt Callahan nu. ‘Dream River had voor mijn doen een rijk, diep geluid. Precies wat zo’n behandeling nodig heeft.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden