AchtergrondLeren van pandemieliteratuur

Wat de pandemieliteratuur ons kan leren over menselijk gedrag

Boeken over plotseling ontwrichte samenlevingen komen in vele varianten. Wat kunnen we leren van dergelijke pandemieliteratuur? 

De omslag van De pest van Albert Camus.

Saamhorigheid als wapen

Albert Camus, De Pest (1947)

door Martin de Haan

Een dode rat in het trappenhuis. Twee weken later een dode conciërge in hetzelfde gebouw. Meer en meer dode ratten en dode mensen. Een stad die op slot moet: de pest is uitgebroken en de buitenwereld moet worden beschermd, nu het nog kan.

Het Algerijnse stadje Oran uit De pest (1947) van Albert Camus laat zich makkelijk lezen als het Wuhan van nu – met als verschil dat de pestuitbraak die Camus beschrijft nog kan worden ingedamd en uiteindelijk bedwongen, dankzij een vaccin dat een van de personages weet te fabriceren.

Camus zelf (1913-1960) had als kleuter de Spaanse griep nog meegemaakt, plus twee wereldoorlogen (De pest wordt vaak gelezen als een allegorie over de opkomst van het nazisme), en was doordrongen van iets wat wij in onze computergestuurde samenlevingen misschien een beetje zijn vergeten: shit happens. Hij noemt dat ‘het absurde’: waarom moeten onschuldige mensen lijden? En tegenover dat absurde stelt hij het principe van saamhorigheid. De mens kan dan misschien niets uitrichten tegen de pest of tegen corona, hij kan die wel onaanvaardbaar verklaren en zich menselijk betonen door middel van solidariteit. Dat is zijn les voor de huidige crisis: berust niet, leg het bijltje er niet bij neer!

De verteller en hoofdpersoon van De pest, dokter Rieux, brengt die les als geen ander in praktijk. Hij is door de pestuitbraak gescheiden van zijn zieke vrouw (hij hoort na afloop dat ze is gestorven), maar geeft niet op en strijdt onvermoeibaar tegen de ziekte. Anderen staan hem bij, zoals Jean Tarrou, die net in Oran is aangekomen en er niet meer weg kan, en Joseph Grand, de gemeenteambtenaar die ’s avonds keer op keer de beginzin van zijn gedroomde grote roman herschrijft. Maar uiteraard ontbreken ook de opportunisten en de profiteurs niet. De rentenier Cottard is zo iemand; hij wordt aan het eind van het boek opgepakt en berecht voor zijn misdaden.

Je kunt tegen deze roman inbrengen dat hij wel erg moralistisch is: een overtuigende moraal maakt een boek nog niet tot een overtuigend kunstwerk. Maar hetzelfde kun je zeggen van Koning van Katoren. En De pest is spannend genoeg en goed genoeg geschreven om een paar lange corona-avonden mee te vullen.

Terwijl ik dit schrijf, zit ik diep in Frankrijk opgesloten in mijn eigen huis, gescheiden van mijn Rotterdamse verloofde. Zou trouwen met de handschoen een optie zijn?

*

Een welkome wekker

Margaret Atwood, Oryx and Crake (2003)

door Hans Bouman

Al aan het eind van de vorige eeuw werden Margaret Atwood zekere profetische gaven toegedicht. Was het Talibanbewind in Afghanistan immers niet in veel opzichten een realisatie van haar dystopische roman The Handmaid’s Tale (1985), met zijn gesluierde, door een streng religieus regime onderdrukte ‘broedkipvrouwen’? Dat de roman 35 jaar na publicatie nog altijd tot de verbeelding spreekt, wordt geïllustreerd door zowel de populaire Amerikaanse tv-serie als de Booker Prize-bekroning van het vervolgboek, The Testaments, in 2019.

Terwijl haar die loftuitingen om haar vooruitziende blik ten deel vielen, was Atwood druk bezig aan een nieuwe in de toekomst gesitueerde roman. Dit boek, Oryx and Crake, verscheen in 2003 en schetste een wereld die wordt bevolkt door monsterlijke, door de mens in het laboratorium geschapen dieren. En wat die mens betreft: van die soort lijken nog maar weinig exemplaren te vinden.

Wat is er gebeurd? De lezer maakt kennis met Snowman, vroeger Jimmy. Via flashbacks komen we zijn geschiedenis te weten, en die van de Oryx en Crake uit de titel: twee personen die een sleutelrol hebben vervuld in zijn leven. We worden meegesleurd in een verhaal van ambitie en frustratie, culminerend in een verwoestende pandemie. Maar ook in het verhaal van de eenling die blijft proberen.

Toen ik het boek in 2003 voor de Volkskrant besprak, had de wereld zojuist kennisgemaakt met de sars-epidemie, die door virologen, al jaren vrezend voor een pandemie, een wake-upcall werd genoemd. Daarop inhakend schreef ik: ‘Oryx and Crake is een logische en overtuigende extrapolatie van een aantal contemporaine vraagstukken. Net als het sars-virus, waarvan toen Atwood het boek bij haar uitgever inleverde nog nooit iemand had gehoord, kan het een functie hebben als wake-upcall.’

Als er één moment is waarop een wekker welkom is, dan is het tijdens een nachtmerrie. Het lezen van Jimmy’s verhaal schelt luid en onwelluidend. Maar het is ook bevrijdend. In al zijn tekortkomingen straalt Jimmy de warmte uit van het authentieke individu. Al neemt hij in het uur van diepste wanhoop ook de naam Snowman aan.

*

Verkwikking van de geest

Giovanni Boccaccio, Decamerone (1349-1353)

door Wieteke van Zeil

Een deugdzame rijke man wil vroom worden en zoekt raad bij Don Felice, een knappe jonge monnik. Als de monnik de vrouw van de rijke man ziet, en zich voorstelt hoe zij tekortkomt onder het vrome streven van haar man, weet hij wat hem te doen staat; hij adviseert de man om elke nacht staand en ten hemel gericht driehonderd Onzevaders en driehonderd weesgegroeten te bidden. Ondertussen kruipt de monnik bij de vrouw in bed, die almaar vrolijker en dartel als een veulen onder de maatregelen van de knappe heilige uitroept: ‘Je laat broeder Puccio boete doen, en wij zijn het die naar het paradijs gaan!’

Er wordt wat gesekst in de Decamerone, niet zelden door monniken en nonnen. Er wordt grafroof gepleegd en er worden harten uitgesneden, er wordt gestolen en afgeperst. Hilarisch, listig en heerlijk geschreven. In 1349, één jaar na de Zwarte Dood in Italië, die in sommige steden tot 75 procent van de bevolking opeiste.

Terwijl de rijke man zijn Onzevaders en weesgegroetjes bidt, ligt de monnik bij zijn vrouw in bed. Collectie Bibliothèque de l'Arsenal. Kunstenaar onbekend.Beeld Fine Art Images/Heritage Images

Giovanni Boccaccio zag in zijn stad Florence in vier maanden honderdduizend medebewoners sterven aan de pest, vaak als zwijnen in de straten (volgens andere schattingen waren het er zestigduizend). Wie een vlek zag in de oksel of lies, blies drie dagen later meestal zijn laatste adem uit. De priesters raakten op, net als de verpleegkundigen en de lijkdragers. De inleiding van Decamerone is een van de indringendste ooggetuigenverslagen van een verwoestende pandemie, en wat dat met menselijkheid doet. Maar niet zonder doel: ‘Moge het afschrikwekkende begin voor jullie niets anders zijn dan wat voor de wandelaar een steile en dorre berg is. Waarachter zich een bekoorlijke groene vlakte uitstrekt’, schrijft de jonge schrijver op de stinkende puinhopen van zijn stad.

Wat kan een mens doen die zo veel leed heeft gezien? De kunst laat twee reacties zien: streng religieuze verhalen, de straffende God had de mens immers zijn plek gewezen, of een reactie van uitgelatenheid en plezier. Boccaccio koos voor de laatste; verkwikking van de geest, nu de werkelijkheid de hel was geworden. Hij laat zeven vrouwen en drie mannen, in isolatie in een landhuis nabij de stad, in tien dagen de groep vermaken met verhalen. Gevatte verhalen over hoe de mens zijn lotsbestemming en driften probeert te sturen – vergeefs natuurlijk. Maar wel, al eeuwen, ter verlichting van wie zich te midden van onbegrijpelijk leed begeeft. Comic relief uit 14de-eeuws, ook toen al geteisterd Italië.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden