In het spoor van de jonge Rembrandt

Was er sprake van oprechte liefde tussen vader Rembrandt en zijn zoon Titus?

Rembrandt van Rijn, Titus aan zijn lezenaar (1655).

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag.

In Leiden was Rembrandt een zoon, in Amsterdam werd hij een vader. Drie jaar na zijn vertrek uit zijn geboortestad in 1631 trouwde hij met de welgestelde, bekoorlijke Saskia van Uylenburgh en kreeg vier kinderen. De eerste drie stierven heel jong. De vierde, Titus, werd geboren op 22 september 1641 en bleef leven.

Titus was pas acht maanden toen zijn moeder overleed. Zijn opvoeding liet Rembrandt in het weelderige pand aan de Amsterdamse Sint Anthonisbreestraat voor het grootste deel over aan zijn opeenvolgende minnaressen. De eerste paar jaar aan de droge min Geertje Dircx en daarna aan huishoudster Hendrickje Stoffels, met wie Rembrandt ongetrouwd ging leven als man en vrouw.

In 1655, toen Rembrandt zijn bankroet voelde naderen, zette hij zijn huis op de naam van Titus om het aan de failliete boedel te onttrekken. In 1660, toen het pand en zijn spullen waren verkocht, richtten de 14-jarige Titus en zijn stiefmoeder Hendrickje een vennootschap op om te kunnen handelen in kunst. Het bedrijfje nam Rembrandt in dienst en beschermde de schilder zo tegen zijn schuldeisers.

Hoe was de verhouding tussen vader en zoon écht? Gebruikte Rembrandt zijn zoon uit eigenbelang? Was er sprake van oprechte liefde? Of allebei tegelijk?

De liefde lijkt te spreken uit de ontroerende wijze waarop Rembrandt zijn opgroeiende zoon heeft getekend en geschilderd: als edelman, Franciscaner monnik en lezend in een boek. Het mooiste schilderij is dat van de kleine Titus achter zijn lessenaar, gebogen over wat papieren. Met grote, donkere, verwonderde ogen staart het jongetje over je heen in de verte.

Maar biograaf Gary Schwartz heeft eens snedig opgemerkt dat Titus hier weleens een van de testamenten ten gunste van zijn vader zou kunnen zitten ondertekenen.

Terug naar Leiden. We schrijven 22 december 1664. Uit een getuigenis in het stadsarchief blijkt dat Titus die dag – wellicht op weg naar familie, of op bezoek bij de familie Van der Pluym aan de Steenschuur – langs het huis van de boekverkoper en uitgever Daniel van Gaesbeecq liep. De uitgever riep de jongen binnen om hem advies te vragen. Van Gaesbeecq had voor een boek een gravure nodig naar een portret van dr. Johannes Antonides van der Linden. Titus zei onmiddellijk: ‘Myn vader snijt so curieus als yemant.’ ‘Niemand graveert zo goed als mijn vader.’

Van Gaesbeecq was verbaasd. Hij kende Rembrandt als etser, niet als graveur. En hij had toch echt een gravure nodig, want alleen die kon hij zo vaak reproduceren als hij wilde. Bij een ets kon dat alleen in een bescheiden oplage. De uitgever toonde Titus een eerder afgekeurde plaat met een ‘gesneden’ portret van Van der Linden. Titus schamperde dat ‘hetselve bij zijn vaders werck niet en hadde’. Dat haalde het niet bij zijn vaders werk.

Titus keerde terug naar Amsterdam met de opdracht. Rembrandt maakte het portret. Het werd tóch een ets, de allerlaatste die we van hem kennen – en zeker niet zijn beste.

Van Gaesbeeck moet verbijsterd zijn geweest. Hij kon de ets niet gebruiken en deed dat ook niet.

Titus had de plank misgeslagen. Maar zijn onhandige bemiddeling voor de goede zaak verraadt een ontroerend staaltje trots van een zoon voor zijn vader.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden