Recensie Opera

Warlikowski zet met ‘Uit een dodenhuis’ aan om na te denken over recht en onrecht (vier sterren), al laat Dirigent Michael Boder weinig heel van de nuances in het stuk (twee sterren)

Acteurs in ‘Uit een dodenhuis’ van Krzysztof Warlikowski. Beeld De Munt

Krzysztof Warlikowski’s enscenering van Uit een dodenhuis begint met een vondst. Boven de orkestklanken van Janáceks opera verschijnt op film een sprekende man. Het geluid staat uit maar de boventiteling laat zien wat hij te melden heeft, of liever, wat hij zich afvraagt. Wie is degene die recht spreekt over een ander? En uit wiens naam doet hij dat? Uit naam van het volk? Zo ja, wat betekent dat voor de identiteit van de gevangene? Is hij niet langer onderdeel van het volk waarvan hij deel uitmaakte?

De spreker is Michel Foucault, filosoof en inspirator van Warlikowski’s nieuwste operaproductie die deze maand in de Brusselse Muntschouwburg wordt opgevoerd. De Poolse regisseur wil het oorspronkelijke verhaal over het leven van gevangenen in een Siberisch strafkamp boven het hier en nu van de handeling op het podium uittillen.

Van meet af aan heerst er redeloze wreedheid binnen de gevangenismuren. Een oudere man, Alexandr Gorjancikov, is opgepakt. Hij is geen crimineel, maar zijn politieke overtuiging strookt niet met de heersende opvatting. Zonder enige aanleiding wordt hij door het gevangenispersoneel in elkaar geschopt. Zo gaat het verder, van gruwel naar gruwel. Er is één lichtpuntje. Een mooie zwarte jongen onttrekt zich al basketballend aan de wetten van de gevangenisorde. Lenig duikt hij onder de armen van een bewaker door, soepel als een danser dunkt hij zijn bal in het doel. Daarmee wekt hij de agressie op van een medegevangene. Die steekt hem in zijn been, waardoor de jongen in een rolstoel terecht komt. Gaandeweg de avond ontwikkelt de voorstelling zich tot een aanklacht tegen het gevangen zetten zelf.

Janáceks opera krijgt gestalte in bonkige klanken, met geratel van kettingen in het orkest en vertoon van masculien machtsvertoon van de zangers. De Munt pakt uit met een topcast: Sir Willard White als Gorjancikov, Stefan Margita als de wreedaard Filka die zich uitleeft in ongebreideld seksueel machismo, Pavlo Hunka als Siskov. De tenor Pascal Charbonneau zingt de rol van jonge Aljeja, mikpunt van geweld. Hij wordt in een kanten bruidsjurk gehesen en het ziekenhuis in gemept, maar op andere momenten wordt hij liefdevol onderwezen door Gorjancikov.

Schoonheid en waarheid

In Uit een dodenhuis wilde Leos Janácek (1854-1928) de essentie van het leven vangen: schoonheid en waarheid wilde hij op een lijn brengen. Van monologen uit Dostojevski’s semi-autobiografische Aantekeningen uit een dodenhuis schetste hij een geïsoleerde wereld, bevolkt door gevangenen van een strafkamp. De enige vrouw die er rondloopt is een prostituee. Er zijn geen uitgesproken hoofdrolspelers. Elk van de gedetineerden vertelt zijn eigen gruwelverhaal, zonder duidelijke hiërarchie.

Janácek heeft Uit een dodenhuis niet zelf voltooid. Er zijn verschillende versies van gemaakt, zelfs een met een goede afloop. Pas in 2017 werd, na jaren van onderzoek, de nieuwe kritische uitgave van de musicoloog John Tyrrell gepubliceerd. Die wordt nu in Brussel opgevoerd.

Dirigent Michael Boder laat weinig heel van de nuances in het stuk. Bij hem overheerst de letterlijk harde wreedheid. Hij voert het Symfonieorkest van De Munt van hakkende trompetten naar van pijn doortrokken viooltonen. Janácek maakt het hem niet gemakkelijk met zijn extreme combinaties van hoge en lage instrumenten met weinig daar tussenin. Kale piccolo’s laat hij rücksichtslos tegen lage trombones aan schurken, maar op sommige plekken liggen er kansen om nuances aan te brengen. Die laat Boder liggen, waardoor de anderhalf uur durende voorstelling lang en zwaar wordt. Een van de weinige lichtpuntjes ontstaat als een van de gevangenen zingt over zijn verloren liefde. Dan klinkt heel even een tedere viool.

Het decor, met een traliekooi en een luchtplaats met graffiti op de muren, is eenvoudig gehouden. Verlichting komt van een fel peertje hoog in de lucht. Als de machtsverhoudingen gaan schuiven, draait de gevangeniscel pirouetten om zijn as. Mooi is het moment waarop de ergste bruten op het podium een wit masker opzetten: hun identiteit is niet langer belangrijk, ze kunnen iedere andere wreedaard zijn. Dan vallen de woorden van Foucault op hun plek.

Het filosofische begin krijgt geen vervolg. Om betekenis te geven aan de voorstelling moet je zelf aan de slag en de lezing van Foucault en de opera van Janácek in je hoofd tot een groter werk samenvoegen. Van Warlikowski komt geen pasklare oplossing, wel een aanzet om na te denken over recht en onrecht en over Dostojevski’s motto dat boven de partituur staat geschreven: in elk schepsel schuilt een goddelijke vonk.

Janácek: Z mrtvého domu (Uit een dodenhuis). 

Regie: Krzysztof Warlikowski. Symfonieorkest en Herenkoor van De Munt o.l.v. Michael Boder. Coproductie van De Munt, ROH Covent Garden, Opéra National de Lyon. 6/11, De Munt, Brussel. T/m 17/11.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.