Wapens van klein kaliber

Schrijven op nieuw papier, dat ‘nog alle kanten uit kan’, lukte W.F. Hermans (1921-1995) niet. Bij voorkeur schreef hij op de achterkant van kalenderbladen en rekeningen....

Arjan Peters

Zo staat het in ‘Preambule’ dat de novellenbundel Paranoia (1953) inleidt, en dat nu het hart vormt van het deel van de Volledige Werken waarin ook de bundels Moedwil en misverstand (1948) en Een landingspoging op Newfoundland (1957) zijn opgenomen. Het beroemde ‘Preambule’ (‘Er is maar een werkelijk woord: chaos’) had Hermans pas in een laat stadium aan het manuscript toegevoegd, nadat zijn toenmalige uitgever Van Oorschot met zachte drang om meer materiaal had verzocht. Het boek viel anders zo dun uit.

Die informatie komt uit de verantwoording van de editeurs Jan Gielkens en Peter Kegel, die aantonen dat niet iedereen onmiddellijk overstag ging voor deze pessimistische en surrealistische verhalen – de compacte koortsdromen van een schrijver die de novelle zag als ‘een wapen van klein kaliber’. De eerste druk van Moedwil en misverstand moest in 1957, negen jaar na verschijnen, worden verramsjt!

Pikant gegeven: de jeugdiger Groene-criticus Harry Mulisch noemde de nihilistische levenshouding die sprak uit ‘Het behouden huis’ (1951) verwerpelijk, omdat Hermans ‘verzuimde’ de bestiale destructie van de nazi’s ‘aan te duiden’. Het klassiek geworden verhaal over de gedeserteerde Nederlandse soldaat die in 1944 een verlaten Slowaaks woonhuis binnengaat en dan een Hermansiaanse ontwikkeling doormaakt (vanuit angst en overlevingsdrang doet hij zich voor als een ander – in dit geval als Duitse officier die het huis heeft gevorderd –, waardoor hij al snel in grote problemen raakt, want het huis wordt nog wél bewoond), blijkt na ruim een halve eeuw onverminderd demonisch. ‘Stinken is het enige dat de waarheid spreekt’, denkt de soldaat, die zijn restant aan tederheid reserveert voor de kat des huizes: ‘Zijn ogen, zo weinig wendbaar in hun cassette van fluweel, staarden of zij met berusting de gevolgen overzagen van een onvermijdelijke maar wrede beslissing.’

Te midden van alle gesignaleerde teloorgang vallen zulke passages op als een soort gehakkelde, metalen poëzie. In 1949 schreef hij het groteske ‘De kat Kilo’, over het echtpaar dat ’s nachts stiekem verhuist omdat het zich geen raad weet met hun reusachtig gegroeide kat. Terwijl ze ook een zoon hebben, die steeds verder krimpt; met een vergrootglas moeten ze hem in de gaten houden, en dan nog weet hij weg te lopen. Op een avond is de man weer eens op zoek naar zijn lucifergrote zoon, en komt langs de suite van zijn vorige woning. Daarachter kijkt de gigantische kat hem zwijgend aan: ‘Zij vleide haar kop tegen het glas, haar oor werd er binnenstebuiten tegen platgedrukt, zwaar dooraderd als het blad van een rode kool. Zij tikte met haar nagels op de ruit, naar ik dacht om mij iets mede te delen.’ De man vlucht weg. Wat dit droomachtige verhaal betekent, laat staan of de levenshouding van de schrijver verwerpelijk is, doet niet ter zake: de beelden jagen je op, en in drie luttele pagina’s staat het aanbiddelijke monster ook op jóuw netvlies geëtst.

Ontzet en sardonisch banjeren de hoofdpersonen in Hermans’ verhalen door het verwoeste paradijs dat aarde heet. ‘Het was mij te moede of God uit nieuwsgierigheid een luikje naar de hel op een kier hield’, zegt de opsteller van ‘Manuscript in een kliniek gevonden’ (1944), ‘zodat ik het gekerm der verdoemden even horen kon.’ Met zijn vlagen van medeleven kan hij geen kant op. Vrouwen en minnaressen zijn even aantrekkelijk als beangstigend – omdat hij, de verlegen zelfhater, zich dan ook moet blootgeven. Liever bijt hij zijn tong af dan zijn wapens af te leggen.

In ‘Dokter Klondyke’ (1946) gaat de student farmacie Kalmans met zijn enige vriend, dokter Hemelrijk (gemodelleerd naar de huisarts-schrijver Cola Debrot), mee op patiëntenvisite. Het is oudjaar. In een armzalig pension ligt het verlamde meisje Lily. Niet te genezen. Kalmans, die zich voordoet als ‘dokter Klondyke’, voelt deernis en wroeging: ooit heeft hij een blauwtje bij Lily gelopen. Het komt hem voor dat zij om die reden, door hem destijds op straat te laten staan, met verlamming is gestraft. Hij blijft haar bezoeken, vraagt een verpleegster Lily te masseren, en dat lijkt te helpen.

Algauw moet hij, zelf door koorts bevangen, zijn visites staken. Dan sterft Lily. Kalmans gaat naar haar pension en roept tot de onrustige gasten dat hij zijn best heeft gedaan. Is waar, bevestigt een oude man met een arm in verband: ‘Dat u uw best heeft gedaan, daarom is zij nu dood. Toen u uw best niet deed, toen ging het immers goed, ze kon al bijna weer lopen.’

Kalmans springt op de trein die naar zee voert. Onweer dreigt. Dan vangt Hermans alle nood in deze beelden: ‘De wind zoemde in de halfneergelaten rolgordijntjes met de hese stem van een syfilitische vrouw. Het water van de sloten werd opstandig als grijs fluweel dat tegen de draad in wordt gestreeld.’ Het verweerde landschap van zijn ziel.

Arjan Peters

Willem Frederik Hermans: Volledige Werken 7 – Verhalen en novellenDe Bezige Bij713 pagina’seuro 35,-ISBN 90 234 1982 0De Bezige Bij713 pagina’seuro 35,-ISBN 90 234 1982 0

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden