EssayAntipappadag

Wanneer je ongeschikt bent voor papadagen

Beeld Ivo van der Bent

Julien Althuisius had een papadag. Daar wilde hij van af. Ondanks alle morele bezwaren deed hij dat ook. En toen kwam de crisis. 

‘Hee!’ Vanuit de werkkamer klinkt de stem van mijn vrouw. Ze staat op het punt te beginnen aan haar deel van de werkdag. Het is tegen negenen in de ochtend en ik ben in de woonkamer met de kinderen, die nog in hun pyjama Casper en Emma zitten te kijken. ‘Je pis staat hier nog!’

Omdat onze jongste dochter vrijwel elke nacht bij ons in bed komt liggen, verkast een van ons naar de werkkamer om daar op de uitklapbare slaapbank te slapen. Hoewel we altijd doen alsof we het jammer vinden dat we uit elkaar gedreven worden door onze 2-jarige (‘nou, ik zie je morgen dan’), is een nacht in Het Hok in deze periode van quarantaine, thuiswerken en gesloten scholen een zeldzaam moment van tijd die we helemaal voor onszelf hebben. En omdat de werkkamer op zo’n afstand van het toilet ligt dat je klaarwakker bent als je weer in je bed ligt, gaat er een emmer mee. Onze eigen vrije ruimte bestaat deze weken in zekere zin uit Het Hok en de emmer.

Het eerste wat je ‘s ochtends doet is die emmer legen. Vanochtend ben ik dat vergeten. Mijn vrouw houdt heel veel van me, maar ook aan die liefde zitten grenzen. En dus haal ik de emmer, verontschuldigingen mompelend, en leeg ik hem in het toilet. Ik spoel de emmer schoon, pak wat kleren van mijn dochters (2 en 5) en loop terug naar de woonkamer. Onderweg bedenk ik naar welke speeltuin we vanochtend kunnen. Het recept is elke dag hetzelfde: ’s ochtends tot een uur of 10 de kinderen binnen bezighouden. Dan naar een speeltuin. Lunchen. En dan, om half 1, is het mijn beurt om aan het werk te gaan. Zo wisselen mijn vrouw en ik elkaar af.  Ik heb nu zeven halve papadagen.

Dat was niet de bedoeling. Voor de coronacrisis had ik geen papadag. (Ja, ik gebruik het woord papadag. Sommige mensen vinden dat je dat niet mag zeggen, omdat dat woord insinueert dat je alleen op die dag papa bent en de rest van de week niet. Was het maar zo’n feest. Nee, papadag is gewoon een makkelijke aanduiding voor de werkdag die je niet werkend doorbrengt, maar met je kinderen bent.)

Een tijdlang had ik wel een vaste dag met mijn dochters. Dat kwam vooral voort uit de behoefte alles zo eerlijk mogelijk te verdelen. Mijn vrouw een dag met de kinderen, ik een dag met de kinderen. Bovendien: zo deed iedereen om ons heen het toch? En kom op, wat is er nou leuker dan een hele dag te mogen doorbrengen met je piepjonge dochter? 

Vrijwel vanaf het begin ervoer ik die dagen als een worsteling. Eindeloos en geestdodend vond ik ze,  met name de talloze uren in speeltuinen. Ik kon moedeloos worden van het continu zorgen, vermaken en eindeloos corrigeren. Hier, ga deze puzzel maar maken. O, is die nu al af? Hier, nog een puzzel. Nee? Godver, wat wil je dan? Iedereen heeft het altijd over het verschonen van poepluiers, maar de ware terreur schuilt in het ‘papa!’, net op het moment dat je zelf even op de wc zit. Je kunt geen moment even uitstaan. Aan het eind van mijn papadag voelde het alsof ik na een schipbreuk bewusteloos in de branding van een eiland lag. Daarmee vertel ik niets opzienbarends: elke jonge vader of moeder kent dit gevoel. Ik probeer hier slechts de omstandigheden te schetsen die ertoe hebben geleid dat ik een paar maanden geleden besloot met mijn papadag te stoppen.

Dat gebeurde niet van het ene op het andere moment. Eerst kwam er nog een tweede dochter en een tijdelijke verhuizing naar Portugal. Konden we in Nederland nog rekenen op hulp van opa’s en oma’s, aan de Atlantische kust stonden we er alleen voor. Onze dochters gingen drie dagen per week naar de opvang, de andere dagen verdeelden mijn vrouw en ik onderling. Het ging me niet goed af. ’s Ochtends kon de moed me al in de schoenen zinken. Hoe kom ik deze dag weer door? Nu lijkt het misschien alsof ik niet van mijn dochters houd, alsof ik een onthechte lul ben die zijn kinderen maar een last vindt. En dat ben ik ook, bij vlagen. Maar mijn liefde voor mijn dochters overstijgt alles en het plezier dat ik met ze heb is het beste medicijn tegen de kuren van het bestaan. 

Maar ik kon niet meer. Mijn lontje werd steeds korter. Van nature ben ik ongeduldig, snel geïrriteerd. Een familietrekje dat niet bepaald van pas komt als vader van jonge kinderen. Met name die maanden in Portugal, waar alles op onszelf aankwam, schoot ik steeds sneller uit mijn slof. Daar stond ik weer, te schreeuwen tegen een peuter en een kleuter. En me vervolgens weer kapot te schamen. Ik werd uitgehold, niet zozeer door mijn kinderen, maar door mijn eigen onvermogen om juist op die momenten een geduldige en liefhebbende vader te zijn. Aan het eind van weer zo’n dag nam ik me voor, lamgeslagen en vermoeid door mijn eigen uitbarstingen, het volgende keer anders te doen. Om geduldiger te zijn, het allemaal niet persoonlijk op te vatten, meer te genieten van die mooie momenten, minder in het conflict te duiken. En elke keer gebeurde het toch. Niet alleen de (emotionele) vermoeidheid van de papadag speelde me op, maar ook de frustratie en het schuldgevoel van niet de vader voor mijn dochters kunnen zijn die ik wilde zijn.

Beeld Eefje Ludwig

Overal zag ik andere, betere, eindeloos geduldige vaders. In Unox-reclames, Ikea-abri’s, in speeltuinen, opgewekt in pufferjassen achter kinderwagens: speelse, onvermoeibare, goedlachse papa’s. Ze confronteerden mij met mijn tekortkomingen. ‘Mijn vader was altijd boos op me’, hoorde ik mijn dochter over twintig jaar tegen haar therapeut zeggen. Was het niet gewoon beter voor iedereen, dacht ik, als ik zou stoppen met mijn papadag?

‘Ik kan dit niet’, zei ik op een middag tegen mijn vrouw, na de zoveelste inzinking. ‘Ik ben hier gewoon niet geschikt voor. Ik ben niet die vader.’ Ik zei het in een opwelling,  maar onder die uitbarsting lag de waarheid verborgen. Ik ben altijd een einzelgänger geweest, zeer op mijn eigen vrijheid gesteld. Te gesteld waarschijnlijk. Daarom, bedacht ik, heb ik andere behoeften dan andere vaders. Sommige mannen zijn nu eenmaal beter in een papadag dan anderen. En ik ben dus niet geschikt.

Bovendien ben ik niet een vader die om 8 uur ’s morgens de deur achter zich dichttrekt, pas om 6 uur weer thuis is en op die ene papadag alles moet compenseren. Als freelancejournalist werk ik veel vanuit huis, maak ik korte dagen en breng ik - ook op werkdagen - veel tijd met mijn kinderen door. Ik kook elke dag, wat betekent dat ik aan het eind van de middag thuis ben, en ik ben er altijd als ze naar bed gaan. Je zou met een beetje (nu ja, een beetje veel) goede wil zou je kunnen zeggen dat ik elke dag wel een beetje papadag heb.

En dus ging mijn papadag overboord. Dat gebeurde na ampel overleg met mijn vrouw, die zeker haar bezwaren had (‘ik vind dat een vader wel één dag in de week met zijn kinderen kan zijn’), maar ook zag hoe moeilijk ik het vond en begreep dat ik de vrijgekomen uren goed voor mijn werk kon gebruiken. De afspraak was dat ik nog een halve papadag zou doen. Voor de andere helft regelden we een oppas, die ik uit eigen zak zou betalen.

Het beviel. Ik kon meer werken. Ik was minder gestrest. En mijn dochters waren dol op de oppas. Iedereen blij. Maar ergens voelde het niet goed. Ik overtrad de ongeschreven regels van het moderne vaderschap. Ik weet dat bij lange na niet alle vaders in Nederland een papadag hebben (eind 2016 zorgde slechts de helft van de jonge vaders in Nederland één of een halve werkdag voor hun kinderen), maar in mijn omgeving heeft vrijwel elke vader er wel een. Dat is de norm, getuige ook de verontwaardiging bij enkele vrouwelijke collega’s toen ik opperde dit verhaal te schrijven.

Een rondgang langs mijn vrienden leerde dat bijna iedereen een papadag heeft en daar ook blij mee is. Sommigen doen het omdat het nu eenmaal zo hoort, anderen hebben er bewust voor gekozen. ‘Mijn pa werkte dag en nacht’, schrijft een vriend. ‘Hij zit er nu warmpjes bij, maar ik heb vrijwel geen enkele kindherinnering van hem.’  Slechts één vond het blijkbaar net zo’n worsteling als ik: ‘Ik heb het niet. Ik hoef het niet. Fijne dag.’

In Portugal kregen we bezoek van een bevriend stel met kinderen. Op een gegeven moment vertelde de man dat hij bij de geboorte van hun eerste dochter had besloten zijn werk een paar jaar op een laag pitje te zetten en zich volledig op het vaderschap te storten. ‘Juist in die eerste jaren is het belangrijk dat je een goede band met je kinderen opbouwt.’ En die tijd is zo mooi. Die gaat zo snel voorbij. Voor je het weet lalalalalalala. Ik was jaloers en geïrriteerd tegelijk: o, kijk hem het beste jongetje van de klas zijn. Maar hij heeft toch gewoon gelijk? Waarom kun je niet als hem zijn, Julien?

Beeld Eefje Ludwig

Blijkbaar was ik een uitzondering. Er moest wel iets mis met me zijn. Welke vader wil nou niet een dag met zijn kinderen zijn? Maar ik volhardde, ingegeven door de gedachte dat als ik deed wat het beste voor mij was, dat ook het beste voor de kinderen zou zijn. Bovendien, een vriendin van me werkt vijf dagen in de week en heeft geen mamadag. Als zij als vrouw - voor wie het het ultieme taboe is niet met het grootste minstens één werkdag te reserveren voor de kinderen - ermee wegkomt, dan kon ik het toch ook wel verantwoorden?

Uiteindelijk loste het probleem zichzelf op. In Portugal vonden we een nieuwe school, waar onze kinderen vijf dagen per week naar toe konden en papa- en mamadagen er niet meer toe deden. En toen we eind januari dit jaar weer terugkeerden in Nederland, ging onze oudste dochter naar de basisschool, de jongste naar de opvang en waren er weer opa’s en oma’s. Mijn papadag was gereduceerd tot een paar uurtjes op vrijdagmiddag, tussen kwart voor 3 en het avondeten. De rest van de tijd had ik voor mezelf. Het was heerlijk.

En toen kwam het coronavirus.

Dat de scholen dichtgingen was geen verrassing, daar hadden we op gerekend. We hadden een plan gemaakt, strijdbaar en assertief als we waren. Ik zou ’s ochtends met de kinderen zijn, zodat mijn vrouw kon werken en na de lunch zou mijn vrouw met de kinderen zijn, zodat ik de rest van de middag op Twitter kon kijken of er al een vaccin was. Om de dag zouden we het omdraaien. Mijn vrouw maakte een blokkenschema, in kleur. Ik maakte er een foto van en zette die op Instagram. Kijk ons eens. Het ging twee dagen goed.

‘Ik ga dit niet volhouden’, riep ik halverwege de derde dag tegen mezelf, met opzet net hard genoeg zodat mijn vrouw in de werkkamer me kon horen. Mijn ene dochter had iets van de ander afgepakt, wilde dat niet teruggeven, luisterde niet toen ik haar vroeg om het terug te geven, ik schreeuwde, zij schreeuwde terug - weet ik het, zo moet het zijn gegaan. ‘Hoe moeten we dit nog twee maanden doen?!’

Het was niet zozeer de dagelijkse praktijk die me tot deze wanhoopsmomenten (ja, er waren er meer) dreef, maar de gedachte dat we dit zo lang moesten doen. De uitzichtloosheid, het gebrek aan een punt op de horizon, behalve de volgende speeltuin.

Gaandeweg begon er iets te veranderen. Tijdens de eerste dagen benijdde ik de kinderlozen, die hun quarantaine konden volstorten met eindeloos netflixen, sporten, mediteren, oude voetbalwedstrijden terugkijken en muziekinstrumenten leren bespelen. Maar na een week betrapte ik mezelf erop dat ik tegen een kennis zei dat het ‘een zegen’ was om juist nu kinderen te hebben. ‘Ze houden je geaard’, zei ik. Met kinderen heb je misschien geen tijd voor jezelf, maar je hebt ook geen tijd om jezelf te verliezen. Ja, ik voelde me opgesloten, maar tegelijkertijd waren mijn dagen zo gevuld met het zorgen, vermaken en werken, dat er nog maar weinig tijd overbleef om in de afgrond te turen.

Beeld Eefje Ludwig

Het was na drie of vier weken, zo rond de periode dat niemand meer wist welke dag van de week het was, dat ik naar mijn dochters keek terwijl ze aan het spelen waren. Had ik ooit zoveel tijd achter elkaar met mijn kinderen doorgebracht? Zo erg was het misschien allemaal niet. Dit was misschien niet eindeloos vol te houden, maar het lukte beter dan gedacht. De dagen waren nog steeds als mul zand, maar ik leerde er steeds beter doorheen lopen. Niet dat er geen wanhoop meer was (‘Ik trek dit niet nog een maand!’, appte ik naar twee vrienden op 14 april. ‘De HELE tijd die kinderen.’) maar er was ook steeds meer overgave.

Die overgave werd me makkelijk gemaakt. Ja, ik kon me blijven verzetten, me boos blijven maken. Maar op wie zou ik dan boos zijn? Op Mark Rutte? Op het virus? Nee, dat was een doodlopende weg. Het was geen optie meer om geen papadag te hebben. Ik had geen keuze, en dat gaf een zekere rust. Ik staakte het verzet en gaf me gewonnen. En pas toen ik me ermee kon verzoenen dat ik deze papadagen moeilijk en zwaar en klote vond, ontstond er ruimte voor andere gevoelens en ervaringen. Ik merkte dat ik het ook leuk vond, en - jawel - dankbaar was. Met het verstrijken van de weken vloeide het lood langzaam maar zeker uit mijn schoenen. Dat kwam door de routine en de carrousel aan activiteiten die we konden doen: rustig opstaan, veel filmpjes kijken, langzaam aankleden, kiezen uit zes speeltuinen, lunchen en het stokje overgeven. Maar het had ook te maken met een veranderende dynamiek tussen mij en de kinderen. Ik dacht altijd dat ik wel hecht was met ze, maar door deze intense weken leek het alsof de verbinding met mijn dochters sterker werd, alsof ik ze nog beter leerde kennen, en zij mij.  Niet dat ze beter gingen luisteren, maar ik zag hoeveel plezier zij samen hadden, en ook met mij. Als ik naar ze keek en met ze bezig was vergat ik de verlammende restricties. Ik vergat de volle intensive care, ik vergat de curve, de onheilspellende berichten, de verplichte anderhalve meter. Ik vergat Ab Osterhaus, ik vergat de angst. De uren met mijn dochters waren nog steeds intens, uitputtend, slopend en bij vlagen gekmakend. Maar ook gezellig, komisch en licht.

Ik ben een slechte hardloper. Ik heb er geen aanleg voor, een lelijke techniek, de verkeerde bouw en ik vind er niet veel aan. Maar omdat ik niet naar de sportschool kon ben ik de afgelopen weken toch gaan rennen. De eerste paar keer wilde ik al na een paar minuten opgeven. Mijn lijf was zwaar, mijn knieën pijnlijk, ik kon niet de juiste adem vinden. Maar ik ging door, vloekend, omdat er niet zo veel keuze was. Het ging steeds iets beter, weer wat slechter, en daarna weer wat beter. Ik rende door mijn eigen weerstand en door mijn eigen pijntjes heen. Nu, zes weken nadat ik begon, ben ik nog steeds een waardeloze loper. Maar ik doe het wel.

De persconferentie op 21 april is vier minuten en vierenveertig seconden bezig. ‘Het OMT adviseert’, zegt Rutte, ‘dat basisscholen, het speciaal onderwijs in de basisschoolleeftijd en de kinderopvang weer na de meivakantie open kunnen. Geheel of gedeeltelijk. En dat advies nemen we over.’ Ik bal mijn beide vuisten en tik mijn vrouw aan die naast me op de bank zit. Ik houd mijn hand op voor een high five. Zij legt haar hand zachtjes in de mijne. ‘Yes!’, zeg ik. Maar het is niet dezelfde yes die ik had ingestudeerd. De blijdschap en de opluchting zijn er wel, maar minder groot dan verwacht.

Een paar dagen eerder heb ik een besluit genomen. Het was niet een plotselinge openbaring die zich voordeed tijdens een bezoek aan de speeltuin. Het was een besef dat zich gedurende de dagen, weken langzaam meester van me maakte. Ik ben niet helemaal om. Ik heb het licht niet gezien. En wellicht denk ik er over twee maanden weer anders over. Maar ik ga het weer proberen. Nee, niet proberen. Ik ga het doen. En dit keer doe ik het anders. Beter.

Beeld Eefje Ludwig

Finse vaders
Finland is het enige land in de westerse wereld waar vaders meer tijd met hun kinderen doorbrengen dan moeders. Dat schreef de Engelse krant The Guardian eind 2017, op basis van het rapport Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling. De discussie in Finland is niet zozeer wat de beste situatie voor mannen of vrouwen is, maar wat het beste voor het kind is. Finse vaders krijgen negen weken vaderschapsverlof en ontvangen in die tijd 70 procent van hun salaris. Bovendien is het voor Finse moeders heel normaal om fulltime te werken, zonder mamadag.

Vader-kind
Waar al decennia veel wetenschappelijke publicaties verschijnen over de band tussen moeder en kind, staat het onderzoek naar de vader-kindrelatie nog relatief in de kinderschoenen. Pas de laatste jaren wordt ook wetenschappelijk onderbouwd welke rol vaders precies hebben bij de opvoeding van hun kinderen. Zo zouden kinderen met zeer betrokken vaders een hoger IQ hebben, kinderen met een goede band met hun vader zouden minder snel beginnen met seks en kinderen van betrokken vaders belanden minder snel in de criminaliteit. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden