Waldemar Post: Tekenaarstekenaar

Waldemar Post (72) tekent al sinds 1957 portretten en karikaturen voor de Volkskrant. Vandaag opent in het Persmuseum een overzichtstentoonstelling van De laatste illustrator. ‘Dat hoofd van Balkenende, daar valt geen eer aan te behalen.’

‘Hier, dit is wat ik bedoel’, zegt Waldemar Post. In zijn hand heeft hij een recent zaterdagkatern, met een illustratie van Barack Obama door ‘een jonge kunstenaar’. Post: ‘Dat lelijke groengeel van dat gezicht; er is geen enkele poging gedaan de man op Obama te laten lijken. Dat hoge haar, als een soort hoge muts en daar dan Change in schrijven. Dat deden wij vroeger niet.’

Wat hij maar zeggen wil: een goedgelijkend, mooi portret lijkt uit de mode in de krant. En laat dat nou net de specialiteit van Post zijn: haarscherpe portretten, niet zelden met een vleugje karikatuur erin verwerkt, maar altijd direct herkenbaar. Helaas: ‘De trend is nu: trek je vooral niets van de lezer aan. Niets voor mij, maar dat zal wel ouderwets zijn.’

De laatste illustrator dus. De titel heeft hij niet zelf bedacht, zegt hij. ‘Tegenover een aantal collega’s klinkt het misschien ook niet zo aardig. Maar je moet het een beetje ironisch zien: de tekenaar is een uitstervend ras, ik ben er een van de laatsten van.’

‘Ik begrijp ook niet waarom hij niet wereldberoemd is, zegt zijn vriend en collega Peter van Straaten in het boek over hem. Misschien dat vandaag alles anders wordt: vanmiddag opent het Persmuseum een overzichtstentoonstelling van de 72-jarige Post, decennialang verbonden aan de Volkskrant, waar hij in 1957 begon als toneeltekenaar.

CV
1936 - Geboren op 6 maart in Amsterdam
1955 - Diploma Instituut voor Kunstnijverheid
1957 - 1965 Toneeltekenaar van de Volkskrant
1968 - 1995 naast illustrator ook artdirector de Volkskrant
1975 - 1990 docent Illustratie aan de Rietveldacademie Amsterdam

Waldemar Post leeft samen met Aggie Nieuwint en heeft vier kinderen.]]>

Tijdens premières zat Post in de zaal om de hoofdrolspelers te schetsen, een vernieuwing in de krantenwereld die hem zelf maar matig beviel, en de toneelwereld nog minder. ‘Ik wilde karikaturen maken, maar had dat nog niet voldoende onder de knie. En dus kreeg ik de toneelwereld tegen me. Spelers waren boos over die grote hoofden en kleine lijven.’

Het karikaturale is hem altijd blijven boeien. Hij kan het niet laten een kenmerk van een gezicht te overdrijven of juist weg te laten. Soms overduidelijk (op de tentoonstelling hangt een Willem-Alexander met het kapsel van Beatrix die een lint doorknipt), soms subtiel – ‘Dat hangt een beetje af van de persoon en mijn bui’.

Maar altijd is de hoofdpersoon herkenbaar, liefst binnen een fractie van een seconde, evenals het handschrift van de maker Post. ‘Een geslaagde karikatuur bevat iets van commentaar. Iets vervreemdends, waarover de kijker kan nadenken.’

Hij is een soort journalistiek tekenaar, ook in zijn werkwijze: altijd jachtig. Een tekening moet meestal in een paar uur worden gemaakt en soms nog nat bij de krant worden afgeleverd – de computer is in dat proces niet aan hem besteed, ook daarin is Post misschien wel de laatste illustrator.

Dat is niet eens een principe: andere tekenaars kleuren een lucht even met de computer, maar Post is er gewoon niet bedreven in. ‘Geef mij maar een penseeltje, dan ben ik zo klaar.’

Hard werken is het: ‘Vooral vroeger, toen deed ik er soms drie op een dag. Op vrijdag een losse tekening, plus de sportrubriek van Ben de Graaf, de politieke column van Arnold Koper.’

Een tekening vergt hooguit een paar uur. Maar hij maakt het zwaar voor zichzelf: Waldemar Post is een deadline-artiest, hij heeft ‘angst voor het witte papier’, aldus Peter van Straaten. Post: ‘Ik kom traag op gang. Ik stel uit, loop eerst nog een straatje om.’ Die adrenaline heeft hij nodig, zegt hij, om bij het echte begin de pest in te krijgen dat hij niet eerder begonnen was.

Het klinkt misschien gek voor een 72-jarige, maar het is deels faalangst, nog steeds. ‘Het idee dat je met wachten misschien een nog beter idee krijgt’, zegt hij zelf.

Hij houdt van de korte baan. ‘Werk op de lange duur lijkt mij heel erg. Een stripboek maken, dat zou ik niet kunnen. Het moet bij mij meteen gebeuren, om zo snel mogelijk in de krant te staan. Om zes, zeven uur ’s avonds je werk inleveren op de krant, en dan de volgende morgen tevreden het resultaat bekijken.’

Post ontwikkelde zich op vele fronten. Hij werd na zijn jaren als toneeltekenaar artdirector van de Volkskrant, ontwierp boekomslagen en affiches, en maakte vrij werk. Wellicht dat die veelzijdigheid hem tot een iets minder algemeen bekende tekenaar maakte, denkt hij. ‘Collega’s noemen mij wel een tekenaarstekenaar. Zelf zie ik dat niet zo, maar ik begrijp het wel.’

Hij werkt minder dan vroeger, maar het kriebelt nog altijd. ‘Ik zou dolgraag weer elke week de opening van Cicero maken’, zegt hij met een vleugje spijt in zijn stem.

Hij bekijkt hoofden met het oog van de tekenaar. Ziet hij Herman Brusselmans, dan houdt hij van diens lange, smalle gezicht. Vroeger natuurlijk Van Agt, met die pukkel, en Lubbers, met de spleetjes tussen de tanden en de five o’clock shadow – goudmijntjes voor tekenaars.

Vraag hem niet waarom, maar het lijkt alsof de karakteristieke kop uit de politiek is verdwenen. ‘Barack Obama, daar is voor tekenaars niet veel aan. Het hoofd van Balkenende: geen eer aan te behalen. Bos is ook hopeloos. Rouvoet? Iedereen denkt dat je Balkenende hebt getekend. Pechtold? Tsja, wat is er nou bijzonder aan dat hoofd? Wat dat betreft is Wilders nog een uitschieter.’

Dat hij kon tekenen, bleek al vroeg, ergens rond zijn vijfde. Zijn nicht Mance Post heeft eens gezegd dat de Posten nu eenmaal goede tekenaars zijn, dus het moet in de familie zitten. Zelf zag hij als kleine jongen altijd al jongens die beter konden tekenen, ‘en dat heb ik nog steeds’.

Eppo Doeve bijvoorbeeld, blijft het grootste Nederlandse voorbeeld voor hem. En natuurlijk Franquin, de Belgische schepper van Guust Flater. Post verslond in zijn jeugd de Robbedoes, waar Franquin bij zat. Post: ‘Heel soms maak ik een tekening, waarvan ik me na afloop realiseer: dit is helemaal Guust Flater.’

Franquin, zegt Post, is een beetje ordinair vergeleken bij die andere grote Belg, Hergé. ‘Ik heb er minder mee, met die klare lijn. Joost Swarte en vele andere kunstenaars hebben dat principe natuurlijk doorgetrokken tot grotere hoogte. Misschien dat ook daardoor Franquin wat ordinairder wordt gevonden. Maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik de kant van Hergé op moest. De klare lijn is niet aan mij besteed.’

Post pakt een decennia oud plakboek, waarin zijn vader (impresario) destijds tekeningen liet maken door beroemde voorgangers. Hij ontfutselde hen die dienst met een zielig verhaal over zijn zoontje Waldemar die ernstig ziek zou zijn, en zo dolgraag een tekening zou willen hebben. Allemaal gelogen, maar het werkte.

Post: ‘Mijn vader vond het zelf gewoon mooi, hij was verzamelaar.’ Het boek staat vol met originelen van destijds. Eppo Doeve natuurlijk, Ies Spreekmeester uit Het Vrije Volk, Wibo, Albert Hahn. Jo Spier, Marten Toonder, Otto Dicke – grote namen die lang niet iedereen meer wat zeggen.

Post maakt zich geen illusies over de houdbaarheid van zijn werk. ‘Het zal over 25 jaar heus nog om aan te zien zijn, maar ik geloof niet dat ik herinnerd zal worden.’

De vergankelijkheid kwam al eens pijnlijk aan het licht. De Vara-gids, waarvoor hij destijds werkte, drukte eens een oude illustratie af van Willem Drees. Er stond bij dat de redactie de plaat had opgedoken uit een oude bureaulade, en de maker niet kende. Post: ‘Ik dacht: godverdomme, zijn ze gek geworden? Ik bellen: zagen jullie dan niet dat die van mij is?’ Dat had niemand gezien dus.’

In het Persmuseum krijgt de bezoeker een zeldzame kans zich in zijn oeuvre te verdiepen – zo vaak exposeerde Post niet. Wie de moeite wil nemen, doorziet de ware Post, zegt hij zelf – een milde ironicus. ‘Ik ben een goedgehumeurd man. Als het goed is, zie je dat aan mijn werk. Ja, ik weet: sommige komieken zijn in werkelijkheid vreselijke zuurpruimen. Maar ik heb niets te verbergen: ik speel open kaart.’

Waldemar Post, de laatste illustrator. Persmuseum, Zeeburgerkade 10, Amsterdam. Tot 8 maart 2009.

Het gelijknamige boek verschijnt bij Bas Lubberhuizen (€ 27,50).

Waldemar Post (Joost van den Broek / de Volkskrant) Beeld
Waldemar Post (Joost van den Broek / de Volkskrant)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden