Waarvan wij droomden

Een aanklacht in de wij-vorm. Indringend en poëtisch opgetekend door de veelgeprezen Amerikaans-Japanse auteur Julie Otsuka

Toen ik de eerste pagina's las van Waarvan wij droomden, het tweede en hevig bekroonde boek van Julie Otsuka (PEN/Faulkner Award, Prix Femina Étranger), dacht ik aanvankelijk dat het een poëtische inleiding was op het verhaal dat zou volgen. 'Sommigen van ons kwamen uit de bergen (...), sommigen van ons waren de dochters van vissers.' In die ongewone, dramatische eerste persoon meervoud worden we overstroomd met verhalen van de levens, dromen en verwachtingen van een groot aantal Japanse meisjes en vrouwen op zee, onderweg naar Amerika, begin vorige eeuw. Hun missie: de vereniging met echtgenoten die ze alleen van foto's kennen, met wie ze op afstand in de echt verbonden zijn.

Elke zin is zo rijk aan details dat er een hele geschiedenis in vervat lijkt waar je meer van wilt weten. 'We droomden dat we weer op de rijstvelden stonden waaraan we zo wanhopig hadden willen ontsnappen. We droomden van onze oudere en knappere zussen die door onze vaders waren verkocht aan de geishahuizen zodat de rest van ons gezin te eten had, en we werden snakkend naar adem wakker.' De cadans heeft al snel iets hypnotiserends.

'We' zijn Japanse meisjes. Ze zijn niet verzonnen, verre van, deze Japanse picture brides. Tot begin jaren twintig kwamen ze met duizenden tegelijk de VS binnen. Voor de meisjes (soms pas 13), getrouwd met de foto's van knappe jonge mannen is de schok enorm: op de kade van San Francisco staan soms meer dan twintig jaar oudere, arme, seksueel uitgehongerde en lelijke boeren op hen te wachten. In het tweede hoofdstuk ('Eerste nacht') volgt een reeks ontmaagdingen die in niets overeenkomt met waar eens van gedroomd is.

De hoofdpersoon is het collectief - waarmee de schrijfster het specifiek Japanse karakter van het verhaal benadrukt. Het gehele boek zingt van de verhalen over die duizenden meisjes die vrouwen werden en kinderen kregen die liever Engels spreken dan Japans, kinderen die geen belangstelling meer hebben voor zoiets traditioneel Japans als 'het feest der insecten' waar hun ouders nog zo veel betekenis aan hechten.

Elk hoofdstuk is thematisch ('Blanken', 'Baby's', 'De kinderen') en onthult steeds meer over de levens van al die vrouwen in een land met een cultuur die niet de hunne is, een land waar de mensen er anders uitzien, anders denken, anders ruiken, anders voelen, anders eten. 'We gooiden per ongeluk hun kaas weg. 'Ik dacht dat-ie verrot was', probeerden we nog tegen te werpen. 'Zo rúikt die kaas nu eenmaal', kregen we te horen.'

Ze vinden er werk als landarbeidsters, werksters, dienstboden. Langzamerhand vindt men een vaste plaats in de steden van de Westkust van Amerika met wassalons, noedelzaakjes, plantages, groentenwinkels. En dan wordt het oorlog. De VS worden aangevallen op Pearl Harbour in 1942. Een spookachtige, nauwelijks eerder vertelde bladzijde uit de geschiedenis breekt aan. Want nadat eerst lukraak naar verraders wordt gezocht in de Japanse gemeenschappen en mannen zomaar 's nachts worden opgehaald, verschijnen op een dag aanplakbiljetten op de elektriciteitspalen in de steden waar Japanners wonen. Het zijn verordeningen. Alle Japanners moeten hun spullen pakken en hun huizen, winkels en landerijen verlaten. Het woord valt nergens, maar het gaat om een spookachtige en grootscheepse internering, die werkelijk heeft plaatsgevonden.

'We hoorden dat we per persoon niet meer dan één tas mee mochten nemen, dus naaiden we stoffen knapzakjes voor onze kinderen met hun naam erop geborduurd. We stopten er potloden en rekenschriften in, tandenborstels, truien, bruine papieren zakken gevuld met rijst die we op metalen platen in de zon hadden laten drogen. Voor het geval we van elkaar werden gescheiden.'

Otsuka's eerste boek (When the Emperor was divine, 2002) ging er ook al over: over de kampen waar de Amerikaanse regering 120 duizend Japanse mannen, vrouwen en kinderen opborg in de drie laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog, op (z

ogenaamde) beschuldiging van verraad en samenzweringspraktijken. Mensen die met veel moeite een bestaan hadden opgebouwd, werden gedwongen afstand te doen van al hun bezittingen en verdwenen op een dag uit de dorpen en steden.

Waarvan wij droomden, in het Engels The Buddha in the Attic, lijkt geschreven te zijn met één doel: dat schandaal, die vervreemding nogmaals en nu des te indringender voelbaar te maken door ook te beschrijven wat aan dit drama voorafging. De wij-vorm wordt daarmee in retrospectief ook een soort aanklacht, een lamentatie, en Otsuka slaagt erin een complexe historische werkelijkheid tot leven te brengen. In niet meer dan 144 pagina's.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.