Review

Waarom zijn we in de Nederlandse literatuur zo bang voor tranen en grote woorden?

In zijn vijfde roman houdt Bert Natter iets te lang vast aan zijn onderkoelde toon. Toch bevat het verhaal over een terroristische aanslag en een verliefdheid genoeg elementen om gelukkig van te worden.

Een man en een vrouw zitten naast elkaar op een terras, ze raken aan de praat en al op de eerste bladzijde vliegt er een geldwagen over het plein. Je leest er bijna overheen, zo kabbelend begint Ze zullen denken dat we engelen zijn, de vijfde roman van Bert Natter. Net zo snel als voor de personages verandert het nazomertafereel in een puinhoop. Mannen schieten in op de menigte en ergens ontploft een bom.

Alfred grijpt de vrouw beet en samen duiken ze onder een tafeltje. Ze overleven de aanslag. Daarna proberen ze hun leven weer op te pakken en vooral niet verliefd op elkaar te worden. De vrouw, Prunella, heeft een gezin; Alfred is het type binnenvetter (een oude bekende in de Nederlandse literatuur) en hoeft al die grote gevoelens in zijn leven niet meer.

Hoe vertel je een verhaal over een terroristische aanslag en een verliefdheid? Het zijn beide een van de hevigste gebeurtenissen die een mens kan meemaken. Natter trapt in zijn vertelling daarom bewust op de rem. Zijn toon is onderkoeld, verhullend, zonder veel emotie.

Ze zullen denken dat we engelen zijn

Fictie
Bert Natter
Thomas Rap;
304 pagina's; €19,99.

Zeker in het begin werkt dat wel, het contrast tussen de droge vertelstem en de chaos, het bloed en de lijken is zo choquerend dat de stijl je in zijn greep houdt. Maar de schrijver is wel heel bang voor grote woorden. Geregeld kiest hij een lullige metafoor om de zwaarte op afstand te houden. Over een aanslagpleger: 'Als een buurman die zijn gazon sproeit, loopt een van hen weloverwogen in onze richting, zijn wapen met twee handen vasthoudend en bij elke stap die hij zet een schot lossend.' Wanneer er een bom ontploft en Alfred onder puin bedolven raakt, staat er alleen: 'Tijdje niets.' Bij een rij lijken: 'Als een kind dat naar de snoeptrommel staart, blijf ik kijken.' Ook benadrukt de verteller dat hij heus niet huilt, hij huilt nóóit, het is alleen maar zand in zijn oog.

Het roept de vraag op waarom we in de Nederlandse literatuur eigenlijk zo bang zijn voor tranen en grote woorden. Waarom mag je dat niet gewoon opschrijven, we hebben toch allemaal angst, verdriet en passie?

Literatuur is gebaat bij verhulling. Maar bij Natter begint zijn schrijverstechniek door de vertelling heen te schemeren, je ziet te goed wat hij probeert. Er wordt bijvoorbeeld ook heel voorzichtig gesuggereerd dat Alfred een crimineel verleden heeft. Na twee van dat soort toespelingen weet je het wel, maar het duurt dan nog lang voor je min of meer het hele verhaal krijgt. Je leest door, maar het is ook een beetje een goedkoop trucje om de lezer bij de les te houden.

En dat hoeft niet, want er zijn genoeg intense momenten in deze roman om gelukkig van te worden. Vooral de complexiteit van de liefde tussen Prunella en Alfred is goed getroffen. Waarom willen ze elkaar eigenlijk? Zij verlangt naar hem omdat hij haar leven heeft gered, maar ook omdat ze bang voor hem is (hij greep haar nogal gewelddadig beet, op het terras), en omdat de aanslag haar leven doormidden scheurt. Ze kan niet meer door met haar leven van vóór die dag - haar man, haar gezin. Alfred beseft dat haar liefde niet echt om hem gaat, maar soms raakt hij overmeesterd door verlangen. En zo draaien ze een tijdje om elkaar heen, en golven al die grote gevoelens, ondanks de korte zinnetjes, alsnog over de lezer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden