Waarom zijn de Belgen zo goed in strips?

Zelfs Steven Spielberg laat zich erdoor inspireren. In de uitgave België gestript verklaart journalist Geert De Weyer het fenomeen Belgisch beeldverhaal. Maar waarom zijn die Belgen zo goed?

Uit het boek België gestript, van Steven DhondtBeeld Stedho

Geen surrealistischer land dan België, of het zou Bordurië moeten zijn. Bordurië, dat is natuurlijk het fictieve Balkanstaatje uit Hergé's De scepter van Ottokar (1939) en De zaak Zonnebloem (1956), twee avonturen van Kuifje. Vervelend land, Bordurië. Het dreigt voortdurend buurman Syldavië binnen te vallen. Totalitair regime, met dictator annex maarschalk Plekszy-Gladz aan het roer, inclusief Stalinsnor.

Luky LukeBeeld Hollandse Hoogte

Geweldig bedacht, door Hergé, een van de grootmeesters van het Belgische beeldverhaal. Verhalen met de sfeer van de zo geroemde speelfilm The Grand Budapest Hotel (2014) van Wes Anderson, maar dan reeds 75 jaar eerder. En zoals we allemaal weten is ook Steven Spielberg dol op Kuifje, getuige diens bewerking in animatie van Het geheim van de eenhoorn (2011). Dat zegt veel, zo niet alles over de statuur van de Belgische stripwereld. Internationaal erkend, bewonderaars uit alle lagen, tijdloos entertainment. Juist ook door die mengeling van humor en Belgisch surrealisme. Dat zit daar gewoon in het drinkwater, blijkbaar.

Over die wonderlijke wereld van de Belgische strip is nu een alomvattende cultuurgeschiedenis verschenen. Auteur is Geert De Weyer, bekend als stripdeskundige van onder meer de Belgische krant De Morgen. Een boek van 342 pagina's, op groot formaat, uiteraard rijkelijk geïllustreerd, en met als titel: België gestript.

Belgische stripbijbel

Het boek had ook de 'Belgische stripbijbel' kunnen heten, want werkelijk alles staat erin. Biografieën van de belangrijkste scenaristen en tekenaars. De bronnen van hun ideeën. De dagelijkse worsteling op de redacties van Robbedoes en Kuifje, als was het The Washington Post uit All the President's Men. De pogingen tot censuur door de katholieke kerk. De rivaliteit tussen de Vlaamse en Waalse tekenaars. De komst van het gebonden stripalbum. De taboes en het doorbreken ervan: minderheden als holebi's (Vlaamse samentrekking voor homo's, lesbo's en bi's), vrouwen as such, zwarten, Joden die aanvankelijk als bedenkelijke archetypen werden afgebeeld, en hoe de veranderende tijdgeest daar vat op kreeg - aan de hand van het stripverhaal kun je de moderne geschiedenis heel aardig duiden, blijkt.

Niet gering voor een genre dat in zijn oervorm nog als kinderspel werd afgedaan. Tegenwoordig geldt het eenvoudig als een andere vorm van beeldende kunst, met verzamelaars die fiks willen betalen voor originele tekeningen, en met heuse stripmusea in bijvoorbeeld Brussel en Groningen.

Maar wat maakt nu de Belgische strip zo verschillend van, zeg, het Amerikaanse, Franse of Nederlandse beeldverhaal? Is er iets wat Hergé, André Franquin, Bob de Moor, Morris, Marc Sleen, Peyo, Willy Vandersteen, Edgar P. Jacobs, Jacques Martin, Jean Graton en al die andere grondleggers heimelijk verbindt? Kuifje is geen Lucky Luke, en Blake & Mortimer zijn geen Guust Flater, maar valt er iets in zijn algemeenheid te zeggen over deze kunstvorm die zo diep geworteld is in het Belgische cultuurlandschap?

Auteur Geert De Weyer doet daar in België gestript een manhaftige poging toe.

Conclusies

Eerste conclusie: aanvankelijk gingen de Belgen allemaal wel te rade bij hun Amerikaanse voorbeelden, tekenden ze sommige situaties uit populaire comics als Hal Fosters Prince Valiant of George McManus' Bringing Up Father gewoon maar over, wie zou dat nu merken? Geen schande, hoor: we leven hier ook weer niet in Bordurië. De Amerikanen liepen met hun comics - die als feuilleton onnoemelijk populair in de dagbladen waren, en mede de oplages bepaalden - een jaartje of dertig voor. Wel zo clever om dat werk dan te bestuderen, voordat zij als Belgen op zoek gingen naar een eigen toon en timbre. En zie: zo tussen 1945 en 1960 beleefden zij vervolgens zelf hun eerste ronde aan gouden jaren.


Tweede conclusie: onder druk van de katholieke censuur - een weekblad als Kuifje had een pater op de eindredactie - was anders dan in de Verenigde Staten geweld verbeelden uit den boze. Is het de lezer weleens opgevallen dat Morris' schepping Lucky Luke dan wel sneller schiet dan zijn eigen schaduw, maar dat er sinds de eerste reeks Dick Diggers goudmijn (gestart in 1946) geen dodelijk slachtoffer is gevallen?


Drie: die censuur was dan wel hinderlijk, wat het ook betekende was dat de katholieke kerk het stripverhaal niet afwees als educatief alternatief voor de jeugd. Vergelijk dat eens met calvinistisch Nederland: daar was de strip zo ongeveer het werk van de duivel, dat bevorderde maar leesluiheid. In Dick Bos werd dan ook stiekem gebladerd onder de schoolbankjes. En Bommel en Tom Poes, dat kon dan nog nét, die hadden veel tekst, dat neigde naar literatuur.


Je mag concluderen dat de Belgische vrijheid de eigen stripcultuur enorm heeft geholpen: de halve oplage van de weekbladen Spirou/Robbedoes en TinTin/Kuifje gingen rechtstreeks naar het basisonderwijs. In diepste wezen is de Europese strip dus een katholieke kunstvorm.

Boek cover België gestriptBeeld .

Heldinnen

Minpuntje: in vergelijking met het tamelijk vrijgevochten periodiek Robbedoes (verschenen tussen 1938 en 2005), de springplank voor de albums van de prominente stripuitgeverij Dupuis (zij gaven ook Guust Flater uit), was het weekblad Kuifje (1946-1993) bijna burgertruttig bedaagd. In de verhaaltjes, ook die van naamgever Kuifje zelf, komen bijna geen vrouwelijke personages voor, of het moet de getourmenteerde operadiva Bianca Castafiore zijn.

Geert De Weyer: 'Maar zelfs zij lijkt nog eerder op een drag queen.' Dat zag je wel vaker, denk aan Tante Sidonia? Zij speelt in Suske & Wiske - de strip die debuteerde in De Nieuwe Standaard - de rol van onbeholpen tuthola, meer zat er niet in voor een vrouw (Wiske van Suske telt niet, dat zijn kindertjes, die zijn neutraal).

Het duurde nog tot de woelige jaren zestig, die in België dus pas in de jaren zeventig begonnen, voordat frivole heldinnen als Natasja en Yoko Tsuno hun entree mochten maken.

Kuifje met zijn hond bobbyBeeld ANP

Populairder dan Disney

Vijf: bestaat-ie eigenlijk wel, de 'Belgische'strip? In het door de taalstrijd verscheurde land waren de onderlinge verschillen lang evident. De verfijnde Hergé uit Brussel keek neer op de boertige Antwerpenaar Willy Vandersteen, zo mag je het wel samenvatten. Brussel, dat oriënteerde zich op Parijs. Toen de Brusselse strips ook in Frankrijk begonnen aan te slaan, werden de figuurtjes aangepast aan het Franse straatbeeld. Niet langer was Vondelaar een gewone Belgische diender die het Guust Flater zo lastig maakte, meer en meer werd hij een Franse verkeersagent, met zijn zwarte cape en witte gummiknuppel, observeert Geert De Weyer.

Toch zouden we de Vlaamse pendant van het Belgische stripfenomeen tekort doen door er alleen als 'boertig' over te spreken. Vlaanderen is zo ongeveer de enige regio ter wereld waar de eigen strippersonages populaider zijn dan de Disney-figuren, en waar de producten van eigen bodem de import verslaan.

Frans Masereel

Hoewel zijn werk naar de strenge wetten van de strip geen beeld verhaal is - daarvoor moet er sprake zijn van opeenvolgende sequenties, géén losse illustraties - vormen de houtsnedes van de in Blankenberge geboren Frans Masereel (1889 -1972) toch een belangrijke inspiratiebron voor menige Belgische striptekenaar of graphic novel-artiest. Ook grote Amerikanen als Will Eisner en Lynd Ward verwezen met graagte naar diens afbeeldingen, waarin thema's als de Eerste Wereldoorlog en het moderne leven in de grote stad werden geschetst. Fraai studiemateriaal voor stripfanaten.

Maurice De Bevere

Bijna niemand weet het, maar Morris (1923-2001), die van Lucky Luke, was een Vlaming, meer bepaald een Kortrijkzaan. Bij de bakker en de slager heette hij gewoon Maurice De Bevere. En vlak Cowboy Henk of zijn alter ego De raketman ook niet uit. Daar, in dat absurdistische universum van Herr Seele en Kamagurka, komt héél België samen. Land van René Magritte en zijn surrealisme, eigenlijk ook een soort striptekenaar. Land van 1.200 biersoorten, wie verzint er nu zoiets? Land van de saxofoon, in een 1841 bedacht door Adolphe Sax, met een vormgeving die nog het meest aan de staart van de Marsupilami doet denken.

Dat land dus, met zijn meest eclectische mix aan stripfiguren ooit, van Kuifje tot aan Michel Vaillant. De weekbladen Robbedoes en Kuifje zijn vervlogen, maar gelukkig hebben we de albums nog. Bovendien is het zo dat de jongste generatie stripleeuwen - van Vlaamse en Waalse kunne - elkaar dan eindelijk hebben gevonden, vaak in stripcollectieven als La cinquième couche ('De negende kunst') en L'Employé du moi. Behalve op hun voorgangers Hergé en Franquin, baseren ze hun werk ook op andere disciplines als muziek, literatuur en film.

Zo blijkt de Belgische stripwereld springlevend. En die wereld wordt in België gestript uitbundig gevierd.

Geert De Weyer: België gestript - het ultieme naslagwerk over de Belgische strip. Uitgeverij: Dragonetti, onderdeel van Ballon Media.

Nieuw! Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden