Waarom trokken al die Nederlandse kunstenaars naar Parijs?

Het Van Gogh Museum toont de geschiedenis van een gewezen kunsthoofdstad

Kunstenaars met ambitie stond één doel voor ogen: Parijs. Jonge kerels als Van Gogh, Breitner, Mondriaan en Van Dongen trokken naar de Franse hoofdstad. Waarom eigenlijk?

Johan Barthold Jongkind, Notre-Dame de Paris vue du quai de la Tournelle, 1852. Foto Foto Petit Palais, musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Parijs

Wie nu door de straten van Montmartre loopt, heeft geen moment het idee dat hij zich in een artistieke snelkookpan bevindt, waar schilders uit de hele wereld koortsachtig werken aan de kunst van morgen. Montmartre is een mooie, aangename buurt met leuke winkels en gezellige cafés, als je het toeristenlint van metro Anvers via Place du Tertre naar de Sacré Coeur vermijdt. De heuvelachtige kasseistraatjes zijn schilderachtig, maar de schilders zijn verdwenen. De bohémiens zijn bobo's geworden; bourgeois bohémiens, die er misschien artistiek uitzien, maar een goede baan hebben waarmee ze hun peperdure appartementen kunnen betalen.

Wel zie je nog overal de grote atelierramen op het noorden. Ze herinneren aan de tijd dat Parijs de onbetwiste kunsthoofdstad van de wereld was, die als magneet werkte op kunstenaars uit Nederland en de rest van de wereld. Parijs had de mooiste musea, de beste opleidingen, de slimste kunsthandelaren en vooral de inspirerendste kunstenaarsscene.

Nederlanders in Parijs 1789-1914. Van Gogh Museum, Amsterdam, 13/10 t/m 7/1.

Nederlanders in Barbizon, Collectie Mesdag, Den Haag, van 27/10 t/m 7/1.

In de 19de eeuw verbleef 20 procent van de professionele Nederlandse kunstenaars enige tijd in de Franse hoofdstad. George Hendrik Breitner ontdekte er de impressionisten, Jacob Maris de landschapsschilders van Barbizon.

Op hun beurt inspireerden de Nederlanders hun Franse vakgenoten. Johan Barthold Jongkind werd 'de vader van het impressionisme' genoemd, Vincent van Gogh werd een model voor het streven naar persoonlijke expressie, Mondriaan een voorbeeld van de compromisloze zoektocht naar pure vorm.

Deze artistieke uitwisseling wordt belicht op de tentoonstelling Nederlanders in Parijs, 1789-1914 in het Van Gogh Museum in Amsterdam. De expositie toont werk van acht Nederlandse kunstenaars in de context van hun Franse tijdgenoten.

Parijs was in de 19de eeuw een droomstad. 'Den grootsten tooverklank mijns levens. Daar vlamt de fakkel der moderne kunst en woont de geestdrift en de liefde voor haar, daar zijn hare ijverigste aanbidders en hare uitverkorene lievelingen', schreef de schilder Gerard Bilders. Nergens ter wereld was zo veel kunst te zien. In 1793 was het Musée du Louvre geopend, in 1818 het Musée du Luxembourg voor eigentijdse meesters.

Amsterdam en Den Haag waren maar suffe provinciesteden vergeleken met het grote Parijs. 'De stad, kerel, als stad, 't boemelen, straat slijpen en kijken, kijken en niets anders dan kijken; ik verzeker je dat dat iets heerlijks is, opmerken en er over redeneeren', schreef de schilder Willem Witsen in 1882.

Parijs is een stad die van bovenaf is gecreëerd. In de 17de eeuw transformeerden de koningen Hendrik IV en Lodewijk XIV Parijs tot een uithangbord voor de Franse grandeur. In de 19de eeuw verfraaiden keizer Napoleon III en zijn prefect, baron Haussmann, de stad.

Ook het kunstleven was aanvankelijk zeer centralistisch. Hoogtepunt was de jaarlijkse Salon, georganiseerd door de Académie des Beaux Arts, een staatsinstelling. 'In die tijd zagen mensen maar heel weinig afbeeldingen, en zeker maar heel weinig afbeeldingen in kleur. Op de Salon kon je een keer per jaar honderden schilderijen zien. Het was een megasucces', zegt Mayken Jonkman van het RKD - Instituut voor Kunstgeschiedenis en conservator van de tentoonstelling in het Van Gogh Museum.

De Salon kon een kunstenaar maken of breken. Toegelaten worden was van levensbelang, maar garandeerde nog geen succes. De zalen werden van plint tot plafond volgehangen met schilderijen. Een klein tableautje hoog in de hoek werd nauwelijks opgemerkt. Kunstenaars maakten daarom grote doeken of smeekten de jury om een betere plek. De criticus Zacharie Astruc omschreef de Salon als 'een bloedige oorlog van ambities - degenslagen worden met het penseel aangebracht, maar zijn net zo dodelijk'.

De eerste Nederlandse kunstenaars in Parijs draaiden volop mee in de officiële Franse kunstwereld. De Tilburgse burgemeesterszoon Gerard van Spaendonck arriveerde in 1769 en werd hofschilder van Lodewijk XVI, dankzij zijn stillevens van bloemen en planten. Ary Scheffer, aangekomen in 1811, groeide uit tot een van de beroemdste schilders van Frankrijk en was bevriend met koning Louis-Philippe, die van 1830 tot 1848 regeerde.

Het Franse centralisme had een groot nadeel: de toegang tot de Salon werd bewaakt door de bejaarde en oerconservatieve leden van de Académie des Beaux Arts, waardoor de Franse kunst dreigde te verstenen. In 1836 weigerde Scheffer op de Salon te exposeren uit protest tegen het feit dat vernieuwende kunstenaars als Eugène Delacroix steevast werden uitgesloten.

Vanaf de jaren dertig van de 19de eeuw ontstond een alternatief circuit rond de kunsthandel die een opkomende bourgeoisie bediende. Schilders werden minder afhankelijk van de Salon. Ook de onderwerpkeuze veranderde. De nieuwe burgerij was minder geïnteresseerd in plechtstatige historische stukken, en meer in sfeervolle landschappen. 'Traditioneel genoten historische stukken het meeste prestige. Landschappen stonden helemaal onder aan de ladder. Bij een historisch stuk moest een schilder door zijn compositie en de uitbeelding van de figuren laten zien dat hij erudiet was en het verhaal doorgrondde', zegt Mayken Jonkman. 'Bij de landschapsschilder ging het om heel andere vragen: wat zie ik? Hoe geef ik dat weer? Hoe tref ik de stemming?'

De wegbereider: Gerard van Spaendonck

Ver voordat Van Gogh, Breitner, Van Dongen en Mondriaan zich in Parijs vestigden, was er een andere Nederlander die er naam maakte: Gerard van Spaendonck (1756-1840). Zijn leven en werk zijn eigenlijk een aparte expositie waard. Hij arriveerde in 1769 in Parijs en werkte zich snel op tot hofkunstenaar onder Lodewijk XVI. Hij ontwierp serviezen voor de porseleinfabriek van Sèvres en was botanisch tekenaar in de Jardin des Plantes. Hij handhaafde zichzelf in een tijdperk, gekenmerkt door gewelddadige machtswisselingen.

Gerard van Spaendonck, Bloemen in een albasten vaas en vruchten op een marmeren blad, 1781. Foto Foto Het Noordbrabants Museum, Den Bosch
Ary Johannes Lamme, Ary Scheffer aan het werk in het grote atelier bij zijn woonhuis aan de rue Chaptal 16, 1851. Foto Foto Dordrechts Museum (schenking van H.O.W. de Kat van Barendrecht, 1866)

Een van de grote kunstenaars van deze nieuwe tijd was de Nederlander Johan Barthold Jongkind, die in 1846 in Parijs arriveerde. Hij was geen grand bourgeois als Van Spaendonck of Scheffer, maar een aimabele bohémien, die graag in het café zat, te veel dronk en zo veel schulden opbouwde dat hij Parijs enige tijd moest ontvluchten. In de tussentijd werd hij een toonaangevende schilder van het stedelijk landschap van Parijs en de Seine.

Critici en collegaschilders roemden zijn vernieuwende aanpak. 'Aan Jongkind heb ik de definitieve vorming van mijn manier van kijken te danken', zei Claude Monet, die hem 'mijn ware leermeester' noemde. 'Het landschap zou er zonder Jongkind anders hebben uitgezien', meende de impressionist Claude Pissarro. Naderhand werd Jongkind door critici tot 'de vader van het impressionisme' bestempeld. Anders dan de impressionisten, schilderde hij echter niet in de buitenlucht. Hij hield vast aan de traditionele aanpak: buiten schetsen en schilderen in het atelier.

George Hendrik Breitner, Straat met koets te Parijs, ca. 1900.

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw vestigden veel schilders zich in Montmartre, destijds een ruige wijk, een vrijplaats waar geen belasting op wijn hoefde te worden betaald. Aan de voet van de heuvel verrezen vermaakspaleizen als de Moulin Rouge, waar burgerheren zich amuseerden met danseresjes, wasvrouwen en arbeidersmeisjes, die al dan niet bijklusten in de betaalde liefde. Op de heuvel zelf woonden arbeiders en kunstenaars, onder wie de Nederlanders Vincent van Gogh, Kees van Dongen en George Hendrik Breitner.

In 1886 en 1887 woonde Vincent van Gogh in de Rue Lepic, bij zijn broer Theo. Op twee schilderijen van het uitzicht vanuit het appartement is goed te zien hoe Parijs zijn stijl beïnvloedde. In 1886 hanteert hij nog een zompig palet met veel bruintinten, in 1887 schilderde hij in heldere lichte kleuren. Parijs was een 'broeikas van idées', schreef Van Gogh, waar iedereen uit het leven probeerde te halen wat er in zat.

Maar het leven in de hoofdstad kwam zijn gezondheid allerminst ten goede. Hij at slecht, rookte en dronk te veel. Later weet hij zijn slechte gezondheid aan de geestelijke en lichamelijke schade die hij in Parijs had opgelopen. In 1888 trok hij naar het zuiderlicht in Arles, waar hij zijn definitieve vorm zou vinden.

Vincent van Gogh, Gezicht vanuit Vincents atelier, 1886. Foto Foto Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)
Vincent van Gogh, Gezicht vanuit Theo's appartement, 1887. Foto Foto Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

De laatste Nederlander op de tentoonstelling is Piet Mondriaan, die in 1912 naar Parijs kwam, aangetrokken door het vernieuwende werk van Picasso en Léger. Het kubisme wees hem de weg, zei hij, maar hij vond de kubisten niet consequent genoeg in het omhelzen van de abstractie, 'iets wat mij noodzakelijk leek om de grootste kracht en de diepste schoonheid van de werkelijkheid, en van de mens, tot uitdrukking te brengen'.

Uit onderzoek van zijn schetsboeken bleek dat hij zich liet inspireren door het Parijse stadslandschap, dat hij vervolgens abstraheerde. Daarom zal niemand de seinbrug bij station Montparnasse herkennen in de kruisjes bovenin Piet Mondriaan, Schilderij No. II / Compositie No. XV / Compositie 4, uit 1913.

Nederlanders in Parijs 1789-1914 fascineert, maar stemt ook een beetje melancholiek. Parijs is nog steeds een prachtige stad met een rijk cultureel aanbod, maar allang niet meer die kunstmetropool die zij destijds was. De Tweede Wereldoorlog was een enorme klap. Piet Mondriaan en andere kunstenaars vertrokken naar de Verenigde Staten, evenals grote kunsthandelaren, zoals de Joodse familie Rosenberg, die Picasso vertegenwoordigde. Daarna werd de Franse cultuur overvleugeld door de Angelsaksische popcultuur.

Het relatieve verval van Parijs heeft veel oorzaken, maar ligt ook besloten in de loop der dingen, denkt conservator Jonkman. 'Steden komen tot culturele bloei als er een artistieke basis is en als de huren laag zijn, zodat jonge kunstenaars er gemakkelijk kunnen leven. Dat zag je in Parijs in de 19de eeuw, in New York na de Tweede Wereldoorlog en in Berlijn in de jaren tachtig.'

Piet Mondriaan, Schilderij No. II /Compositie No. XV/Compositie 4, 1913. Foto Foto Stedelijk Museum Amsterdam

Op zoek naar Van Gogh's Parijs

De Parijse jaren van Vincent van Gogh waren een tussenstation op weg naar het zuiden. Maar van groot belang: hij ontdekte er het wonder van licht en kleur. De Volkskrant treedt in zijn voetsporen en probeert te zien wat schilders in de lichtstad zo bekoorde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.