Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm

Het geheim van Nogales: nieuwe verklaring voor wereldraadsel

In januari 2000 vond in Harare, Zimbabwe, de trekking plaats van een loterij, georganiseerd door de Zimbabwe Banking Cooperation (Zimbank), een bank die gedeeltelijk in staatshanden is. Daarna bracht de bank de volgende verklaring uit namens Fallot Chawawa, de man die de leiding had over de loterij: 'Fallot Chawawa kon zijn ogen nauwelijks geloven toen het lot waarop de prijs van 100 duizend Zimbabwaanse dollar was gevallen werd overhandigd en hij daarop zag staan: Zijne Excellentie R.G. Mugabe.'

Stom toeval, hield Zimbank vol.

In Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm (de pas verschenen Nederlandse vertaling van Why Nations Fail) houden Daron Acemoglu en James Robinson het erop dat we hier het ultieme symptoom zien van de institutionele malaise die van Zimbabwe een van 's werelds armste landen maakt: dat de man die sinds 1980 op al dan niet legale wijze over Zimbabwe regeert zelfs kon regelen dat hij een loterij won.

Falende politieke en economische instituties liggen aan de wortel van onderontwikkeling en van de verschillen tussen arm en rijk in de wereld, zo betogen Acemoglu (econoom, verbonden aan Massachusetts Institute of Technology) en Robinson (econoom en politicoloog, verbonden aan Harvard University). En vice versa: een politiek systeem dat niemand uitsluit of uitbuit, alsmede een economie die eigendom en investeringen beschermt, innovatie bevordert en kansen aan allen biedt, vormt de sleutel tot langdurige welvaart. Essentieel vinden de auteurs het dat er ruim baan is voor creatieve destructie: een permanente stroom van nieuwe vormen, gedachten en technieken die de oude vernietigen.

In Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm nemen zij de lezer mee op een duizelingwekkende reis door drie millennia geschiedenis op zoek naar een antwoord op een grote vraag: waarom zijn wij rijk en zij arm? En had het andersom kunnen zijn?

De tocht voert de lezer van de ondergang van het Romeinse Rijk via de Grote Depressie naar hedendaags Noord-Korea, met uitstapjes naar de Maya's, middeleeuws Venetië, de 'Roemrijke Omwenteling' in het laat-zeventiende-eeuwse Engeland, het postkoloniale succes van Botswana, het verdriet van Mexico en de volkerenmoord op de inwoners van de Banda-eilanden door Jan Pieterszoon Coen.

Het resultaat is een boek dat leest als een trein en dat bol staat van verrukkelijke anekdotes. Zoals die van de man in het oude Rome die het glas had uitgevonden en dit aan keizer Tiberius aanbood in blijde afwachting van een hoge beloning. Tiberius liet hem evenwel onverwijld doden om te voorkomen dat 'goud de prijs van modder' zou krijgen.

Interpretatie van de auteurs: zie je wel, despoten houden innovatie tegen uit angst voor het verliezen van de eigen machtspositie.

Talloze verklaringen zijn in de loop der jaren geformuleerd voor het achterblijven van grote delen van de wereld. Geografische verschillen, de voortreffelijkheid van de blanke West-Europese mens, Aziatisch collectivisme en arbeidsethos, kolonisatie en usurpatie, of gewoon stom toeval. Acemoglu en Robinson schuiven deze theorieën deels terzijde en deels ineen om een raamwerk te ontwikkelen dat kortweg neerkomt op: it's the institutions, stupid.

Een voorwaarde voor blijvende ontwikkeling is, stellen de auteurs, het bestaan van centraal gezag - ter voorkoming van anarchie - dat begrensd wordt door democratische verkiezingen en geschreven wetten. Bezit is beschermd, burgers zijn vrij in hun economisch handelen, de rechtsstaat functioneert. De auteurs vatten dat samen onder de term 'inclusieve politieke en economische instituties'.

Het tegendeel is een 'extractief' systeem (de vertalers bleven zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke Engelstalige terminologie) waarin machtsconcentratie verwordt tot het uitsluiten van de massa en het verrijken van een elite. Extractieve instituten kunnen grote rijkdom scheppen voor enkele bevoorrechten, maar zij

n volgens de auteurs gedoemd op termijn ineen te storten. Wie hun wetenschappelijke werk kent, zal niet opkijken van de grote rol die de auteurs toekennen aan kolonialisme en slavernij - extractieve instituties bij uitstek - als oorzaak van de hedendaagse achterstelling van delen van Afrika en Latijns-Amerika.

Langs de meetlat leggen ze naties en mensen, zoals de Mexicaan Carlos Slim en de Amerikaan Bill Gates, twee ondernemers die miljardair werden. Slim, zeggen ze, opereert 'extractief', door zich via politieke connecties monopolieposities toe te eigenen die hem grote persoonlijke rijkdom opleveren, maar de Mexicaanse samenleving niet vooruit helpen. Gates, zeggen ze, opereert 'inclusief', en verrijkt naast zichzelf ook de rest van de wereld, omdat hij alleen geld kan verdienen door spullen te ontwikkelen die beter zijn dan die van de concurrentie.

Systemen kunnen evolueren van extractief naar inclusief en omgekeerd door wat de auteurs 'institutionele drift' noemen - bewegingen als kruiend ijs. Onverwachte voorvallen kunnen de loop van de geschiedenis veranderen; zo schetsen Acemoglu en Robinson hoe de Engelse boerenbevolking, nadat de builenpest dood en verderf had gezaaid en men niets meer te verliezen had, in opstand kwam tegen het gezag en zo de lange, lange weg insloeg van feodalisme naar democratie.

Aan Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm valt veel te bekritiseren. Zo hield het extractieve Maya-imperium het zes eeuwen uit, wat zich moeilijk laat rijmen met eerdergenoemde inherente instabiliteit en voorbestemdheid tot ineenstorten. Hun voorspelling dat het Chinese groeiwonder niet kan voortduren omdat het systeem mensen buitensluit, roept dan ook de vraag op: als de neergang eveneens zes eeuwen op zich laat wachten, telt zo'n voorspelling dan nog?

Het boek drijft op anekdotes. Wat harde statistische analyse van de richting en de sterkte van de causaliteit die uit de anekdotes moet blijken, zou niet hebben misstaan. Zo zou middeleeuws Venetië zijn ineengestort, omdat de instituties almaar extractiever werden. Maar critici wezen er al op dat tegelijkertijd de wereldhandelsstromen zich verplaatsten. Is dat niet een minstens zo plausibele verklaring voor het verval van Venetië?

Het grootste bezwaar vind ik de vaagheid van de termen 'inclusief' en 'extractief'. Vervang ze door 'goed' en 'slecht' en er rest nietszeggendheid. Inzoomen legt een mijnenveld bloot: is de vrije markt per definitie inclusief, is er een punt waarop vrije markten extractief worden?

Ook schetsen de auteurs een onvolledig beeld van zestig jaar ontwikkelingshulp, die zich volgens hen vooral bezighoudt met het doen van beleidsaanbevelingen die nutteloos zijn omdat ze gericht zijn aan extractieve politieke instituties. Daar valt nogal wat op af te dingen. 'Goed bestuur' is al decennialang een voorwaarde in de programma's van de Wereldbank. En het optuigen van werkende instituties - zoals een politiekorps in Afghanistan - is de hoeksteen van menig wederopbouwprogramma. Dat dit een zaak van lange adem is, weten Acemoglu en Robinson ook, getuige de vele voorbeelden in hun eigen boek van omwentelingen die ettelijke decennia, soms zelfs eeuwen, in beslag nemen.

Maar wie eenmaal begint aan het meeslepende relaas over het raadsel van Nogales - een stad die met zijn rijke helft in de Verenigde Staten ligt en met zijn arme helft in Mexico - vergeeft de auteurs alle tekortkomingen volledig.

Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm is deels een antwoord en kritiek op Guns, Germs and Steel (vertaald als Zwaarden, paarden en ziektekiemen), de bestseller uit 1997 waarin Jared Diamond betoogt dat de West-Europese rijkdom te danken is aan een keten van ontwikkelingen die hun oorsprong vindt in geografische verschillen: klimaat en ziekten verklaren de ongelijke verspreiding van technologie, die op zijn beurt ten grondslag ligt aan ongelijke ontwikkeling. Diamond voert de

lezer van het ontstaan van landbouw in de 'Vruchtbare Sikkel' (een gebied in het Midden-Oosten waar volgens hem de kiem werd gelegd voor het latere succes van de volkeren van Eurazië) naar het mazelenvirus dat de Spaanse conquistadores meebrachten naar de Nieuwe Wereld en waardoor de indianen bij bosjes omvielen.

Een jaar later ondernam David Landes in The Wealth and Poverty of Nations (vertaald als Arm en rijk) eveneens een poging de grote rijk-armvraag te beantwoorden. Landes borduurt voort op de theorieën van Adam Smith over efficiënte arbeidsverdeling (de titel is dan ook een knipoog naar Smiths grote werk An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations) en betrekt talloze factoren in zijn verklaring, waaronder het protestantse arbeidsethos en de klimaathypothese. Hij kent een zekere invloed toe aan de 'superieure' Europese cultuur. (Het boek stamt van ver voor de eurocrisis en de opkomst van de BRIC-landen).

Cultuur als determinerende factor is sowieso een tijdlang in zwang geweest. De rappe opkomst van Azië in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werd toegeschreven aan 'Aziatische waarden': volgens deze hypothese werken Aziaten hard, stellen ze het collectief voorop in plaats van het individu, en zeuren ze niet over een beetje onderdrukking door een welwillende despoot. Nadat een ongekende financiële crisis een ravage aanrichtte in de Aziatische economieën is van de Asian Values-theorie niet veel meer vernomen.

Een belangrijk criticus van deze culturele hypothese als smoes om volkeren eronder te houden, is de grote ontwikkelingseconoom Amartya Sen, die zeer belangrijke bijdragen heeft geleverd aan het denken over armoede en de Nobelprijs won voor zijn bijdragen aan het vakgebied van de welvaartseconomie.

In 1999 schreef Sen in Development as Freedom: 'Development requires the removal of major sources of unfreedom: poverty as well as tyranny, poor economic opportunities as well as systematic social deprivation, neglect of public facilities as well as intolerance or overactivity of repressive states.' En: 'Achievement of development is thouroughly dependent on the free agency of people.'

Vreemd genoeg komt Sen in het 35 pagina's tellende bronnen- en notenapparaat in Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm niet voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden