Waarom het zo lastig is om films over tennis te maken

De beste scènes van Borg/McEnroe spelen zich niet af op de tennisbaan

Film en tennis, dat is geen gelukkig huwelijk. De Deense regisseur Janus Metz doet een poging met Borg/McEnroe. Wordt het net zo spannend als Wimbledon?

Sverrir Gudnason en Shia LaBeouf in Borg/McEnroe.

Je zou het ironisch kunnen noemen. De beste scènes in Borg/McEnroe hebben slechts indirect met tennis te maken. In de film over de Wimbledon-finale van 1980 wankelt de troon van de tot dan ongenaakbare Zweedse superstertennisser Björn Borg, door toedoen van het Amerikaanse enfant terrible John McEnroe. De film barst van de tennisscènes; we zien de rivalen in hun jeugd (Borg als kind wordt gespeeld door misschien wel de beste tennisser uit de film; Leo, zoon van de echte Björn Borg); we zien ze in wedstrijden ter voorbereiding op Wimbledon, we zien ze diverse rondes doorkomen en we krijgen een half uur lang de finale te zien.

Maar dat tennis is maar zozo. Shia LaBeouf (McEnroe) en Sverrir Gudnason (Borg) hebben zichtbaar vaker een tennisracket in handen gehad en naar verluidt langdurig getraind met een voormalige tennisprof, maar zoals filmmaker Jason Kohn onlangs zei op het filmfestival van Toronto, waar zijn documentaire over tennistrainer Nick Bolletieri in première ging: 'Er zijn weinig andere sporten waarvan de techniek bijna een leven vergt om onder de knie te krijgen. Je kunt beter een film over de 100 meter sprint maken.' Oud-tennisser John McEnroe was nog venijniger. Tegen het Amerikaanse tijdschrift Vanity Fair zei hij in mei dit jaar, geërgerd door het feit dat de makers hem nooit gesproken hadden: 'Het zou voor tennissers al moeilijk zijn om wat ze ooit deden nog eens na te doen. Dus hoe gaat een acteur dat in godsnaam tot een goed einde brengen? Die zal toch een acteur blijven die niet kan tennissen. Ik hoop maar dat de makers zich concentreren op wat zich buiten de tennisbaan afspeelde.'

Mooie hotelscènes

McEnroe kan gerust zijn: regisseur Janus Metz wil vooral de verschillende persoonlijkheden van de twee laten zien. En die komen het mooist tot uiting in hun hotelkamers.

Waar McEnroe eenzaam maar opgewonden het speelschema op het behang schrijft en daarop voortdurend te ver vooruit kijkt naar zijn mogelijke tegenstanders, omdat hij niet kan wachten Borg van diens troon te stoten. In een andere, mooiere, ruimere en veel duurdere hotelsuite test de stoïcijnse perfectionist Borg zijn rackets voor de volgende dag. Nauwgezet legt hij ze allemaal neer op de vloer, om er daarna met blote voeten overheen te lopen en zo de spanning te testen.

Dat zijn scènes met een zeggingskracht waaraan de vele close-ups tijdens de rally's op het centre court van de All England Lawn Tennis and Croquet Club niet kunnen tippen.

Tekst gaat verder onder de trailer.

Lees ook onze recensie van Borg/McEnroe (***)
LaBeouf en Gudnason maken rijke personages van de tennislegendes. Je ziet hoe spannend die legendarische wedstrijd was, maar voelt het niet.

Borg/McEnroe is niet de enige tennisfilm waarin tennis niet het hoogtepunt vormt. In het overigens matige Wimbledon (2004) vechten romantiek en tennis om de hoofdrol: een Engelse veteraan (Paul Bettany), ver weggezakt op de wereldranglijst, en een onstuimig brutaal talent uit de Verenigde Staten (Kirsten Dunst) komen elkaar voor het begin van het toernooi toevallig tegen in de hotelsuite waarvan hij per abuis de sleutel heeft en waarin zij onder douche staat. De vonk die daar overslaat tussen de vrijpostige Dunst en de oudere, gegeneerde Bettany maakt van die scène meteen de beste van Wimbledon. Ze tonen in het verloop van de film overigens wel dat ze in hun vrije tijd geen slechte recreatiespelers zijn.

Toch kunnen de lichaamsbewegingen van tennissende acteurs nooit de oorzaak zijn van het ongemak dat de toeschouwer bekruipt bij het zien van tennisfragmenten in speelfilms. Er bestaat zoiets als een stand-in (die bij alle films waarin tennis de hoofdrol speelt ook wordt gebruikt) en er zijn computers, die het bijvoorbeeld mogelijk maken de tennisbal pas achteraf in de beelden aan te brengen; theoretisch zijn de acteurs daardoor vrij hun lichaam zo te bewegen als een volleerde tennisser zou doen.

Boksers en coureurs

En dan: acteurs zijn ook geen boksers of coureurs. Toch schuren films over die sporten (Raging Bull over boksen, Rush over autocoureurs) minder. Dat komt niet alleen doordat Martin Scorsese (Raging Bull) en Ron Howard (Rush) betere regisseurs zijn dan Janus Metz en Richard Loncraine (Wimbledon). Boksen en de Formule 1 hebben een fysiek aspect dat tennis mist: de lijfelijke confrontatie, al dan gepersonifieerd door een auto. Dat is voor een filmmaker heel wat bruikbaarder dan twee mensen die, voor een slap handje, elkaar alleen voor en na de wedstrijd aanraken.

En het komt ook niet alleen door onze perceptie van de filmgrammatica van een tenniswedstrijd: hoe breng je een wedstrijd in beeld? Die perceptie is sterk beïnvloed door de televisie, met zijn eindeloze hoeveelheid camera's en zijn eigen ritme van close-ups, medium shots en totaalopnamen. Zij hebben maar één doel: de wédstrijd zo goed mogelijk in beeld te brengen. Een filmmaker stelt meestal de psychologie van de spelers voorop. Maar dat is een handicap waarmee films over wielrennen of autoracen ook kampen.

Nee, de belangrijkste reden is dat tennis tijd en continuïteit nodig heeft. De spanning en aantrekkelijkheid zitten voor een belangrijk deel in de onbekende duur. Een tenniswedstrijd kan lang duren en je weet nooit hóé lang; zeker in de belangrijkste toernooien, waarin je pas zegeviert als je drie sets hebt gewonnen, neemt een duel makkelijk twee, drie uur of langer in beslag. In die periode kan de wedstrijd op elk moment, en op vele momenten, kantelen: zelfs vanuit een verloren stand ver in de wedstrijd kun je een tennisduel nog winnen.

Dat laat zich lastig vertalen naar de wetten van de speelfilm, waar in twee uur zo veel meer moet worden verteld en waar je op de scharniermomenten je horloge gelijk kunt zetten. Shia LaBeouf en Sverrir Gudnason hebben zich suf geoefend, maar worden daarvoor nauwelijks beloond door regisseur Metz. Oké, hij laat even zien dat LaBeouf zich die merkwaardige servicebeweging van John McEnroe eigen heeft gemaakt en dat Gudnason de dubbelhandige backhand van Borg bewonderenswaardig goed imiteert. Maar daarna reduceert hij de rally toch telkens weer tot een serie close-ups, zodat het tennis wordt geofferd aan de duiding van de regisseur: heethoofd versus ijskonijn.

De ideale tennisfilm is nog altijd een tenniswedstrijd.

Tennishausseje?
In korte tijd duiken drie tennisfilms op in Nederland. Naast Borg/McEnroe komt op 23/11 Battle of the Sexesuit, een speelfilm over de geruchtmakende wedstrijd tussen Billie Jean King (Emma Stone) en ex-prof Billy Riggs (Steve Carell), die in 1973 op 55-jarige leeftijd een grote weddenschap afsloot, omdat hij dacht de toenmalige nummer 1 van de wereld bij de vrouwen, King, te kunnen verslaan. King won met 6-4, 6-3, 6-3. De derde film is de docu Love Means Zero, te zien op het Idfa, over de tennisopleiding van de nietsonziende trainer Nick Bolletieri, die talenten Andre Agassi en Maria Sjarapova groot maakte.


Vijf klassieke tennismomenten in niet-tennisfilms

Strangers on a train (1950)

Het bewijs dat de beste tennisfragmenten niet over tennis gaan, levert Alfred Hitchcock. In zijn thriller raakt een proftennisser betrokken bij een dubbele moordzaak. De finale van zijn toernooi speelt een belangrijke rol in de ontknoping. Hitchcock getroostte zich dan ook veel moeite de tennisscènes spannend en authentiek in beeld te brengen. Maar o ironie, één fragment werd klassiek: de shotwisseling waarin de hoofdrolspeler in het publiek tegenover hem zijn rivaal herkent. Hoe? Terwijl alle toeschouwers de bal volgen en hun hoofden tegelijk van links naar rechts en terug bewegen, staart de rivaal recht voor zich uit, zo onze ogen in. Het is geniaal, het is grappig, maar het is geen tennis.

Strangers on a train (1950).

Les vacances de Monsieur Hulot (1953)

Hulot (regisseur Jacques Tati) laat zich door de verkoper van een strandwinkeltje uitleggen hoe je serveert: een combinatie van de beweging met een koekenpan voordat je de pannekoek omhoog gooit en een bovenhandse badmintonservice. Daar hebben zijn tegenstanders geen antwoord op, waarna de een na de ander mopperend de baan verlaat: 'Zo speel je toch geen tennis.' Nee, dat wist de grote komiek ook wel, maar het was wel de beste manier om de slecht bij elkaar passende partners tennis en film een geslaagd huwelijk te laten beleven.

Les vacances de Monsieur Hulot (1953).

Blow-Up (1966)

De meest curieuze tennisscène komt op naam van Italiaan Michelangelo Antonioni (1912-2007). Die draaide midden jaren zestig een hippe film over een glamourfotograaf die in een Londens park, nabij een tennisbaan, foto's maakt van een minnekozend paartje. Bij het afdrukken van de foto's denkt hij te zien dat zich op het moment van fotograferen een moord voltrok. Na veel zinsbegoochelende gebeurtenissen keert hij terug naar het park en de tennisbaan, waar een groep pantomimespelers arriveert en - symboliek - een tenniswedstrijd zonder bal speelt.

Blow-up (1966).

Flodder (1986)

In het kassucces van Dick Maas staart zoon Kees (René van 't Hof) dromerig naar twee tennissende meisjes. Zo dromerig, dat zijn gedachten afdwalen, de soft-focus van stal gehaald wordt en de meisjes hun kleren verliezen. Wel tennissen ze door. Dat wil zeggen: met veel moeite slaan ze de bal hoog over het net; hun bewegingen suggereren niet dat ze getrainde tennissers zijn.

Flodder (1986)

Match Point (2005)

In Woody Allens eerste Europese film gaat een gepensioneerde proftennisser van eenvoudige komaf als tennisleraar in Londen (gefilmd werd op de banen van Queens) aan de slag en baant zichzelf een weg in de zeer gegoede burgerij. Jonathan Rhys Meyers is de man die les moet geven aan onder anderen Matthew Goode en Emily Mortimer. Dat díé twee niet kunnen tennissen hoort bij hun rol; de techniek waarover Rhys Meyers beschikt doet vermoeden dat ze het nooit zullen leren.

Match Point (2005).