Boeken

Waarom de coronapandemie geen goede romans oplevert, maar wel mooie poëzie

Alle coronaromans ten spijt, de pandemie leverde tot nog toe weinig goed proza op. De poëzie beleeft juist hoogtijdagen. Hoe komt dat? Hoogleraar Lotte Jensen ontdekte vier wetmatigheden voor literatuur in tijden van rampspoed.

null Beeld Tzenko
Beeld Tzenko

‘Verkoopt het een beetje?’, vraag ik aan boekhandelaar Wouter Roelants in Nijmegen. Ik wijs naar het stapeltje Coronakronieken bij de kassa, waarin schrijver en journalist Daan Heerma van Voss verslag doet van de eerste zeven weken van de coronacrisis. ‘Niet echt’, zegt Wouter. ‘Mensen hebben geen trek meer in coronaboeken. Ze willen liever iets anders lezen.’

De verkoopcijfers in zijn winkel weerspiegelen de stemming in de samenleving. De pandemie lijkt op haar retour. De vakantie is begonnen en dus slaan we liever romans in die passen bij een zorgeloos zomergevoel: De zevende zus van Lucinda Riley, de nieuwste thriller van Nicci French of Stemvorken van A.F.Th. van der Heijden. Wie toch een coronaroman mee wil in de reiskoffer, komt bedrogen uit: de pandemie heeft tot dusver nauwelijks hoogstaand literair proza opgeleverd.

In het begin van de pandemie was er nog enige competitiedrift. Wim Daniëls won de slag om de coronabokaal met de vederlichte liefdesroman Quarantaine, die in mei 2020 verscheen. Kort daarna volgde Laura van der Haar met Een week of vier, over een jonge vrouw die haar baby moet achterlaten als ze met een dodelijk virus in het ziekenhuis belandt. Het maakte maar weinig enthousiasme los bij de recensenten. De verhaallijnen waren mager en de personages te saai. Coronablogs en -dagboeken verschenen er wel, door vooraanstaande auteurs als Ilja Leonard Pfeijffer, Dimitri Verhulst en Arnon Grunberg. Maar net als Heerma van Voss hielden zij het na een paar weken allemaal voor gezien. Het leverde eentonig, richtingloos proza op.

De poëzie bloeide daarentegen als nooit tevoren. Tijdens de coronacrisis zag het ene na het andere fraaie gelegenheidsgedicht het licht, van bijvoorbeeld Pfeijffer, Lieke Marsman, Ingmar Heytze en Tsead Bruinja. Ze schreven indringende verzen waarin ze de tijdgeest met een paar woorden wisten te vangen: van het hamsteren van toiletrollen tot het dromen over een betere wereld.

Waarom gedijt literair proza zo slecht bij een pandemie, terwijl de dichtkunst opbloeit? Historisch gezien zijn daar verschillende verklaringen voor te vinden. Met een team onderzoekers van de Radboud Universiteit in Nijmegen hebben we voor de Nederlandse context onderzocht welke rol cultuur vervult in tijden van rampspoed. Na een brand, aardbeving, watersnood of verwoestende storm volgde een stortvloed aan liederen, verhalen, gedichten en romans.

Sommige genres lenen zich beter voor bepaalde rampen dan andere. Een watersnood levert bijvoorbeeld meer romans op dan een uitbraak van cholera. Literatuur over rampen blijkt vaste patronen te volgen. Zoals sociologen en economen voorspellingen doen op basis van statistieken, kunnen letterkundigen goed inschatten welke genres het goed zullen doen bij epidemische uitbraken. Globaal zijn er vier wetmatigheden te onderscheiden.

1. Een epidemie levert zelden hoogstaand proza op…

Ten eerste leveren epidemieën zelden kwalitatief hoogstaand proza op. Dat wil zeggen: zolang de ziekte voortraast, laten romanciers het onderwerp liever links liggen. Neem bijvoorbeeld de cholera, die tussen 1832 en 1866 in drie golven de Nederlandse samenleving ontwrichtte. Dichters grepen de gelegenheid met beide handen aan om burgers van zondebesef te doordringen. Ze spoorden burgers ook aan tot liefdadigheid. Zo liet de beroemdste schrijver van die tijd, Hendrik Tollens, een albumblaadje drukken met een gedicht erop. Het kostte 25 cent en de opbrengsten gingen naar de slachtoffers. Prins Hendrik, een van de zoons van koning Willem II, telde er maar liefst 25 gulden voor neer.

Romans over ‘het Aziatische monster’ – de cholera vond zijn oorsprong in het verre oosten – verschenen er echter nauwelijks. Betsy Hasebroek, die tot het kunstenaarscollectief ‘De kring van Heiloo’ behoorde, was een van de weinigen die zich aan een choleraroman waagden. De personages in Elize (1839) zijn voortdurend doodsbang de ziekte op te lopen, vermijden onrijp fruit en lopen met een wijde bocht om choleragestichten heen. Met aderlatingen, bloedzuigers en dampbaden met kamfer gaan ze de strijd tegen de ziekte aan. Vooral de met haar uiterlijk geobsedeerde Cecilia sterft duizend angsten. Ze weet immers dat de ziekte tot uitpuilende ogen en ernstige verminkingen leidt. Wanneer haar geliefde Francis cholera krijgt, overwint ze echter haar angst. Zij loopt ‘cholerientje’ op, een lichte aanval van cholera. Blijvende bleekheid is het gevolg, maar Francis en Cecilia overleven het en trouwen met elkaar. De moraal van het verhaal lag er duimendik bovenop: godsvertrouwen was de beste remedie tegen angst en onzekerheid.

Veel proza leverde de cholera verder niet op, al komt er soms een vergeten pareltje naar boven. Zo publiceerde het geïllustreerde familietijdschrift Het Leeskabinet in 1834 een fascinerend verhaal over een quarantainehuis, waarin reizigers verplicht twee weken moeten doorbrengen voordat ze de grens oversteken. Het is daar een smerige bende, de hel op aarde. De jonge Koenraat weet te ontsnappen aan de quarantaineplicht en huppelt olijk verder, maar de bejaarde Godfried sterft binnen de muren van het huis. De moraal van het verhaal? Lap die zinloze regels aan je laars! De ‘gevangenen’ slingeren de nationale gezondheidscommissies zelfs de ergste verwensingen toe. Verrassende lectuur in het licht van onze eigen tijd, waarin toeristen zich een weg banen door een woud van PCR-testen, reisrestricties en quarantainemaatregelen. Maar de roman van Hasebroek en dit verhaal zijn uitzonderlijk.

null Beeld Tzenko
Beeld Tzenko

2. … tenzij de ziekte verzonnen is…

Hoe zit het dan met De pest van Albert Camus, hoor ik u denken. Dat boek gaat toch ook over een epidemie? Een die zich ergens rond 1940 aan de Algerijnse kust afspeelt? Inderdaad ja, maar deze epidemie heeft nooit plaatsgevonden. Camus heeft haar verzonnen.

En dat brengt me op de tweede wetmatigheid: epidemieën vormen wel degelijk een vruchtbare grond voor het genre van de roman, mits ze fictief zijn. De dystopische roman, waarin een afschrikwekkende samenleving wordt geschetst, vormt een geliefd genre om lezers een spiegel voor te houden. Hoe reageren mensen wanneer ze worden bedreigd door een onbekend virus? Brengt dat het goede of het kwade in de mens naar boven?

Een ander schitterend voorbeeld is De stad der blinden van José Saramago, waarin mensen plotseling blind worden en uit angst voor verspreiding van de ziekte bij elkaar worden gepropt in een gesticht. In de strijd om te overleven toont de mens zijn akeligste kant.

3. …of als de verschrikkingen voorbij zijn

Nog veel liever dan onze eigen lelijkheid onder ogen te zien, vluchten we weg in het verleden. Wetmatigheid drie luidt dan ook: epidemieën doen het wél goed in historische romans. Die zijn niet heet van de naald opgetekend, maar komen decennia of zelfs eeuwen later tot stand. Zo werd de pest een geliefd onderwerp in de historische roman, die vanaf de 19de eeuw aan zijn opmars begon.

Een bekend voorbeeld is I promessi sposi (1827) van Alessandro Manzoni, die beroemd werd met zijn beschrijving van de pest in Milaan in 1630. Hij werd er in heel Europa bekend mee, ook in Nederland. Al snel verscheen er een vertaling onder de titel De verloofden – Een Milanesche geschiedenis uit de zeventiende eeuw. In het voorwoord werd de Italiaanse schrijver geroemd om zijn bewonderenswaardige beschrijving van de pest, die hem terecht Europese vermaardheid opleverde.

In navolging van Manzoni publiceerde de Nederlandse auteur Aernout Drost in 1835 een grootscheepse roman over De pestilentie in Katwijk (1625). De openingszin maakte meteen duidelijk dat dramatiek de boventoon voerde: ‘Dood… Mijn moeder dood. Lacy! Wij zijn enkel kaf. Moeder! Moeder! Ook u nam de pestilentie in haaste van mij weg. Ai vertroost mijn arme ziel, lieve God! nu heb ik alles verloren!’ Ruim vierhonderd pagina’s lang kreeg de lezer pestbuilen, lijken en stank toegediend.

Ook in de hedendaagse literatuur zijn tal van historische romans over de pest te vinden. Neem bijvoorbeeld het oeuvre van Simone van der Vlugt, bekend vanwege haar historische romans, thrillers en jeugdverhalen. Met Nachtblauw (2016) veroverde ze als een 21ste-eeuwse Manzoni de internationale markt. Het boek werd in maar liefst vijftien landen uitgebracht, waaronder de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Duitsland.

Dat het zo’n breed publiek aanspreekt, is te verklaren: het schetst een levendig beeld van het alledaagse leven in de 17de eeuw. Wanneer Catrijns schildertalent in Delft eindelijk wordt ontdekt, moet ze vanwege de dreiging van een pestuitbraak de stad ontvluchten. De lezer krijgt zo een inkijkje in het leven van een ‘pestontvlieder’, die permanent de geruchtenstroom in de gaten houdt. Waar is het nog veilig, waar niet? De paniek slaat toe wanneer op steeds meer huizen in Alkmaar de koperen letter P wordt gespijkerd en de lijkstoeten aanzwellen.

In een geslaagde jeugdroman van Van der Vlugt, Schijndood, krijgen lezers ook een levendig en op historisch onderzoek gebaseerd beeld van wat een pestuitbraak met een stad deed: ‘De stank van ziekte en dood vult huizen en straten. Wie zich buiten vertoont, beweegt zich gehaast en met gebogen hoofd voort, een doek met azijn tegen mond en neus gedrukt.’

De aantrekkingskracht van historische romans over epidemieën schuilt in de combinatie van feit en fictie. Ze bevatten vaak gedetailleerde informatie over hoe mensen vroeger met epidemische ziekten omgingen, terwijl de personages verzonnen zijn. Historische literatuur bevat passages die ons iets leren over vroeger. Al te kwistig moet een auteur echter niet worden met die feiten. Zo verweten critici Manzoni dat hij te veel op de stoel van geschiedschrijvers was gaan zitten, waardoor het verhaal zijn vaart verloor.

Dat schrijvers de coronapandemie vermijden, heeft vermoedelijk ook te maken met het type ramp. Epidemieën behoren tot wat men in wetenschappelijke kringen slow-onset disasters noemt. Dat zijn rampen die een samenleving sluipenderwijs ontwrichten. Ze kennen een grillig verloop: het is onvoorspelbaar in welke fase van de ramp we ons bevinden.

Dat ligt anders bij rapid-onset disasters, zoals watersnoden, aardbevingen, stormen en branden. Die doen zich heel plotseling voor en kennen een duidelijk verloop: na een hevige schok kan de wederopbouw direct erna beginnen. Dat levert de romanschrijver een samenhangend narratief op met een heldere structuur. Meestal zijn er ook duidelijke helden aan te wijzen: de schipper die ternauwernood enkele drenkelingen redt, de zoon die met gevaar voor eigen leven zijn moeder uit de golven redt. Plat gezegd: na een watersnood kan de romanschrijver direct aan de slag.

Anders dan bij epidemieën hebben watersnoden buitengewoon veel Nederlandstalige verhalen en romans opgeleverd, voor zowel volwassenen als de jeugd. Vooral de watersnoodramp van 1953 heeft tot de verbeelding gesproken. De schrijver Ad Zuiderent stelde in 2003 een fraaie bloemlezing samen over die catastrofale gebeurtenis. Daaruit spreekt een rijke literaire oogst, ook op prozagebied. Eindeloos wordt op een vaste set aan ingrediënten gevarieerd: het water komt, mensen vluchten angstig naar zolder, de redders komen en God wordt gedankt namens degenen die het overleefd hebben.

Dit type watersnoodliteratuur wortelt in een eeuwenoude traditie, die intrinsiek verbonden is met Nederlandse identiteitsvorming. De talloze verhalen, romans en gedichten verbeelden de tragische, maar vooral ook heroïsche strijd tegen het water. Schrijvers weten wat de lezers van hen verwachten. Zo’n samenhangend narratief gekoppeld aan Nederlands identiteitsbesef ontbreekt voor epidemieën, zeker als ze een wereldwijde verspreiding kennen. Een watersnood staat garant voor literair prozasucces, een epidemie niet.

Maar wat niet is, kan nog komen. De geschiedenis leert immers ook dat epidemieën wel degelijk hun weg vinden in romans, zij het pas enkele decennia of eeuwen later. Misschien lezen tieners in 2100 een bloedstollende jeugdroman over de coronapandemie van 2020. Maar tot die tijd kunnen we ons heil zoeken in de poëzie.

4. Dichtregels vangen het verwarrende heden

De vierde wetmatigheid luidt namelijk dat de dichtkunst bloeit in tijden van pandemie. Uit ons onderzoek naar rampliteratuur blijkt dat na een ramp meestal een explosie aan gelegenheidsgedichten volgde. Dat ging niet anders bij de uitbraak van het coronacrisis: via de website coronagedicht.nl vonden duizenden virusverzen hun weg naar een breder publiek.

Deze poëtische overproductie leverde veel, heel veel prullaria op waarin cliché op cliché werd gestapeld. Maar zo nu en dan doken er goudklompjes op. En ook dat is een eeuwenoud patroon.

Het gelegenheidsgedicht is een eeuwenoud en veelbeproefd genre, waarin dichters de gelegenheid aangrijpen om hun literaire meesterschap te tonen. Woordkunstenaars als Constantijn Huygens, Joost van den Vondel, Hubert Korneliszoon Poot en Estella Hertzveld schreven schitterende gedichten, over branden, overstromingen, explosies en epidemieën. Sommige weten ook de hedendaagse lezer nog te raken.

Neem bijvoorbeeld ‘De uitvaart van mijn dochtertje’ van Vondel. Hij schreef dit na de begrafenis van zijn 8-jarige dochter Sara, die aan de pokken overleed. Wanhopig vraagt hij zich af waarom grijze lieden worden gespaard, terwijl zijn lieve meisje nu in een lijkkist ligt. Ontroostbaar is hij: ‘Toen stond (helaas!) de jammerende schaar/ met tranen om de baar, en kermde nog op ’t lijk van haar gespeel, en wenste lot en deel/ te hebben met haar kaartje/ En dood te zijn als Saartje.’ Een dichter als Vondel schetste met een paar rake verzen welke afschuwelijke gevolgen een pokkenuitbraak kon hebben.

Prozaschrijvers zoeken tevergeefs naar een begin, midden en einde in een pandemie die nog voortraast. De dichter kan daarentegen in beknopte taal de actualiteit vangen, ook als volstrekt onduidelijk is hoelang een epidemie nog duurt. De taal creëert een eigen universum, waar gebeurtenissen tijdelijk op hun plaats vallen. Maar de dichter kan ook het collectieve gevoel van reddeloosheid, stuurloosheid en ontwrichting verwoorden. Dat maakt de poëzie zo geschikt als medium in tijden van pandemie. Lees ‘Scènes uit ons lot’ van Ester Naomi Perquin, een lied over lockdown, statistieken, hamsteren en verveling. Daar kan geen coronaroman tegenop.

Scènes uit ons lot

Goed, we knippen straks deze scènes uit ons lot, scheppen
tussenrampse tijd, snoeien bij wat nu, onbegrensd, over ons
wordt uitgestort, strooien voer voor psychologen:
zelfs de werkelijkheid is een filmisch complot.

We beginnen bij het grootste: de wereld, de mensheid, de economie,
beeldscherm dat rimpelt, data die bibbert, huiverende statistiek –
snij geen taartdiagram, breek de cijfers niet open. Vergeet
hoeveel man dood, vergeet hoeveel man ziek.

Nee, wanneer je er in zit weet je niet waar je bent. Op de bodem, de uitweg,
beginpunt, de grens. Op het punt dat je bergen toiletpapier koopt.
Op het punt van de omslag, op het punt van de hoop.

Goed, we blijven rondjes lopen. Omcirkelen onmacht, elke dag.
Het kleinste dat het grootste gaandeweg verslaat, noodlot
dat op afstand staat, alles wat hardnekkig leeft,
niezend, kuchend, om ons heen beweegt.

We maken plaats voor een dag die al lijkt op de vorige, al lijkt op morgen,
op volgende week. Bewegen mee met de stroom van berichten,
gevallen, coronagedichten, besmettingsgetallen.
Zet je laatste stap in de bibliotheek.

Nee, wanneer je er in zit weet je niet waar je bent. Op de bodem, de uitweg,
beginpunt, de grens. Op het punt dat je bergen toiletpapier koopt.
Op het punt van de omslag, op het punt van de hoop.

We vormen de tijd, die indikt en klontert, steeds zwaarder weegt, van een
beeldschermverjaardag tot een digitaal feest, we loggen in en
streamen ons leven, duwen de tik uit de klok, de hand
op een muis, ons naam in een blok.

Goed, we zijn vastberaden volkomen verveeld. Lopen te hoop tegen
wat we niet kunnen weten. Lengte en diepte, nasleep, herstel.
Zink, vitamines, hygiënische gel.

Nee, wanneer je er in zit weet je niet waar je bent. Op de bodem, de uitweg,
beginpunt, de grens. Op het punt dat je bergen toiletpapier koopt.
Op het punt van de omslag, op het punt van de hoop.

En hooguit bewaren we, achter het masker, de droevige mond
van wie zocht naar een glimlach en
geen glimlach meer vond.

Onderzoek

Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis bij de afdeling Nederlandse taal en cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Momenteel werkt ze met een NWO-Vici-beurs aan onderzoek over rampen en Nederlandse identiteitsvorming.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden