LofredeMultatuli

Waarin schuilt de grootsheid van Multatuli?

Multatuli (Eduard Douwes Dekker) geldt als Nederlands grootste schrijver. Nou ja, in elk geval een van. Waarin schuilt het meesterschap van de man die nooit een roman schreef, vraagt Arnon Grunberg zich af bij de 200ste geboortedag van Multatuli, die dit jaar wordt gevierd.  

MultatuliBeeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad P

‘Ik denk niet dat ik meer dan een derde van Mutatuli’s oeuvre gelezen heb. Toch ben ik een groot bewonderaar,’ sprak Karel van het Reve ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Multatuli-genootschap. Van het Reve lijkt zelf een beetje verbaasd te zijn over die bewondering, want in diezelfde toespraak zegt hij: ‘Niettemin heeft dezelfde Multatuli heel wat taaie, betrekkelijk middelmatige alinea’s geschreven.’

Dat is ongetwijfeld waar, al kan dat over de meeste schrijvers worden gezegd, sterker nog, er zijn heel wat schrijvers met redelijk wat aanzien die uitsluitend betrekkelijk middelmatige alinea’s hebben geproduceerd.

Overigens schrijft Van het Reve ook: ‘De grootheid van Mutatuli’s schrijverschap is voor mij boven alle twijfel verheven.’ Daar sluit ik me graag bij aan, hoewel ik vermoedelijk nog wel iets minder dan een derde van zijn oeuvre heb gelezen. Alles wat hier volgt moet in het licht van die boven twijfel verheven grootheid worden begrepen, dit zijn slechts kanttekeningen bij die grootheid, al hoop ik uiteindelijk ook een antwoord te geven op de vraag waarom Multatuli nu precies zo groot is. Aan een compliment zonder toelichting kleeft iets vals. Men maakt er zich vanaf door met flauwe lof te strooien; een doordachte en nauwkeurige belediging geeft vaak meer blijk van betrokkenheid dan een tot niets verplichtend, afgezaagd compliment.

Er zit iets raadselachtigs aan Multatuli – W.F. Hermans heeft over dat raadsel een heel boek heeft geschreven, hoewel men zegt dat Hermans het in dat boek voornamelijk over zijn éigen raadselachtigheid heeft gehad – er zit iets raadselachtigs aan Multatuli’s grootheid, aan de roem die hem ten deel viel, eigenlijk vanaf het moment dat Max Havelaar werd gepubliceerd. Roem waar hij overigens niet altijd even goed mee om kon gaan; men prees hem om de verkeerde redenen, als men geld voor hem inzamelde om zijn vrouw en kinderen voor armoede te behoeden was hij verbolgen omdat zijn kwaliteiten als kostwinner in twijfel werden getrokken. Een groot deel van zijn leven heeft Multatuli in onvrede geleefd, zolang die onvrede niet uitmondt in pure depressie en lethargie een voor een schrijver vermoedelijk vruchtbare staat.

Multatuli nooit echt een roman geschreven, wat zijn literaire grootheid, zijn genie, des te raadselachtiger maakt, hij toonde zelfs een zeker dedain voor het genre en heeft ook herhaaldelijk beweerd dat hij geen schrijver was, wat natuurlijk niet betekent dat wij hem op zijn woord moeten geloven. Hoe dan ook, we zouden hem onrecht doen Max Havelaar een roman te noemen, hij heeft er nu juist alles aan gedaan om te zorgen dat dit boek níet zou worden gelezen als een roman, onder andere door de echte namen te onthullen van bepaalde personen die in de roman onder een fictieve naam voorkomen. Hij bestreed hier fictionalisering te vuur en te zwaard, elders fictionaliseerde hij naar hartenlust zonder, als gezegd, in de verleiding te zijn gekomen een roman te schrijven. Toneel schreef hij wel, vermoedelijk stond het toneelstuk in de negentiende eeuw nog op een iets hoger plan dan de roman, maar zijn toneelwerk wordt als gedateerd beschouwd en het is zeker niet daaraan te danken dat hij als Nederlands grootste schrijver wordt beschouwd, wat trouwens licht ironisch is, want voor Multatuli was een schrijver iemand die noodzakelijkerwijs behaagziek was, die het kostbaarste wat hij had uitventte, oftewel een hoer. Hij schrijft het letterlijk: ‘Ieder ziet hier, dat ik geen schryver ben. Een schryver legt zich toe op behagen. Een schryver is coquet. Een schryver is ’n hoer.’

Multatuli wenste niet zijn clientèle, het publiek, te dienen maar de waarheid, een levenshouding die om problemen vraagt als men van zijn werk wil leven.

Die dubbelzinnige houding die hij innam ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, het ontkennen dat hij schrijver is, in de schrijver een lichtekooi zien, werkelijkheid fictionaliseren om de fictie vervolgens weer terug te brengen tot kale werkelijkheid, maar eveneens ten aanzien van zijn waarheidsliefde mag ook blijken uit het feit dat hij bereid was af te zien van publicatie van Max Havelaar als men hem ‘een hoge functie, een ridderorde en een hoop geld’ gaf. De koning en de minister waren daartoe niet bereid, die halsstarrigheid mogen wij hun dankbaar zijn. Er zijn multatulianen die menen dat Multatuli niet echt bereid zou zijn geweest af te zien van publikatie, maar dat hij met een ridderorde en aanzien op zak andere hogere ambtenaren in de Nederlandse kolonie wilde aanmoedigen zijn voorbeeld na te volgen. Een wel erg omslachtige strategie om iets aan het lot van de Javaan te doen.

Hoe dan ook simplificeren wij Multatuli onnodig, doen we hem zelfs onrecht, door hem vooral te begrijpen als een strijder voor een goede zaak, te weten de strijd tegen de onderdrukking van de lokale bevolking in Nederlands-Indië. Op sommige momenten in zijn werk geeft hij weliswaar aanleiding tot die verwarring door te blijven hameren op het onrecht dat daar geschiedde, maar de werkelijkheid, zowel van het werk als van de persoon, was complexer en dubbelzinniger. Dat Max Havelaar een tijdje bekender was als koffie dan als boek geeft aan hoezeer deze simplificatie gemeengoed is geworden.

Nee, veel van Multatuli’s opvattingen zouden het min of meer verlichte deel van de natie heden ten dage zeer tegen de borst stuiten, zoals zijn bezwaren tegen het parlementarisme, tegen de grondwet. Maar zoals Frans Kellendonk terecht stelt: ‘De literatuur van het verleden zou onleesbaar worden als we voor honderd procent akkoord moesten zijn met haar denkwereld.’ Ik zou zelfs zeggen, dat geldt ook voor de literatuur van het heden. En de vraag of bijvoorbeeld Max Havelaar nu met een eurocentrische blik is geschreven of niet – ik meen dat aan die vraag een halve studie is gewijd – lijkt me van generlei belang. Met welke ándere blik had Multatuli naar de Javaan moeten kijken? Het bestrijden van het kolonialisme van toen met academische middelen van heden is een achterhoedegevecht waar vrijwel niemand bij gebaat is. 

Het is overigens opvallend hoezeer bepaalde aspecten van de vertelstrategie in Max Havelaar doen denken aan het werk van de hedendaagse Duitse schrijver W.G. Sebald, die veel heeft geschreven over het lot Duits-Joodse kinderen die hun geboorteland zijn ontvlucht vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Sebald besefte hoe heikel het is als kind van het volk van de daders te spreken namens de slachtoffers, hij deed dat onder andere door de autoriteit van de verteller consequent te ondermijnen, door aan te geven dat die verteller niet meer is dan een spreekbuis, een buikspreker misschien. Opmerkelijk ook is dat Sebald weigerde zijn boeken romans te noemen, hoewel ze daar soms erg op lijken.

Multatuli ondermijnde de autoriteit van de vertelstem door in zijn beroemdste boek diverse vertellers aan het woord te laten. Dit vond bezorger en redacteur Van Lennep zo verwarrend dat hij meende te moeten aangeven wie wanneer aan het woord was, tot op het eind van het boek Multatuli zélf tevoorschijn komt die stelt niet goed te hebben willen schrijven, maar zo te hebben willen schrijven dat het gehoord wordt. ‘Want het was me niet te doen om goed te schrijven… ik wilde zó schryven dat het gehoord werd.’ Impliceert hij hier dat hij omwille van het gehoord worden concessies heeft gedaan aan wat hij als goed schrijven beschouwt? Zo begrijp ik hem hier wel. En staat goed schrijven altijd haaks op gehoord worden? Is het publiek de vijand van kwaliteit?

Hoe dan ook, het spreken namens de ander die slachtoffer is zal Multatuli bewust of onbewust zo heikel hebben gevonden dat hij ondanks al zijn maatschappelijke betrokkenheid voornamelijk namens zichzelf is gaan spreken. 

MultatuliBeeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad P

In zijn terecht geprezen biografie, die leest als een roman, schrijft Dik van der Meulen dat Multatuli de Nederlandse literatuur weliswaar op de voet volgde, ook omdat de Tachtigers hem bewonderden, maar met buitenlandse literatuur ‘hield hij zich minder systematisch bezig’. Over Toergenjev merkt Multatuli bijvoorbeeld alleen op dat ondanks een gerucht dat het tegendeel beweert hij de Russische schrijver nooit zelf ontmoet heeft.

Wat las hij wel, buiten zijn collega’s, over wie hij overigens zelden tot nooit enthousiast was, zo bekritiseerde hij het treurspel Floris V van Bilderdijk in zeven punten: ‘De taal is slecht. De versificatie is slecht. De historische voorstelling is slecht. De ontwikkeling der karakters is slecht. De knoop is slecht. De ontknoping is slecht. De strekking… is infaam.’

Hij zal Cervantes hebben gelezen, we weten dat hij een exemplaar van Don Quichot ‘zorgvuldig’ bewaard heeft, en gezien het feit dat Woutertje Pieterse in twee molens Fancy ziet – over Fancy later meer – zal het meer zijn geweest dan alleen zorgvuldig bewaren. Hij heeft Heine gelezen en het lijkt me dat hij het werk van zijn Duitse collega kon waarderen, ook heeft hij het een ander met Heine gemeen, de vrouwen, de geldproblemen, het voortdurend reizen en een problematische verhouding met het vaderland, allebei zijn ze dan ook in exil gestorven. In het huis van Sjaalman treffen we deeltjes Byron aan, Horatius, Bastiat, Béranger en de Bijbel.

De Havelaar begint met het bekende citaat van de Franse journalist Henry de Pène, waarin het lot van de vrouw van de schrijver op licht ironische wijze wordt beklaagd en waarin op weemoedige wijze de blindheid van de mens wordt vastgesteld. Multatuli had een vooruitziende blik toen hij dat citaat als motto gebruikte. Hij heeft meer van zijn op late leeftijd geadopteerde zoon Wouter gehouden dan van zijn eigen zoon, Edu. Toen zijn eerste vrouw, Tine, stierf, met wie hij op dat moment nog getrouwd was, was hij daar niet bij. Ook bij de begrafenis in Venetië liet hij verstek gaan. Van der Meulen schrijft dat Multatuli op het punt stond naar Venetië af te reizen, maar er uiteindelijk toch van afzag. Daarvoor had hij zijn vrouw Tine nog verleid, of gedwongen zo men wil tot een menage à trois met zijn geliefde Mimi, die later zijn tweede vrouw zou worden. Misschien is dit de reden dat Maarten ’t Hart Multatuli een slecht mens vindt, en ik meen ook een slecht schrijver, maar we moeten ophouden te geloven dat een groot schrijver een goed mens moet zijn, wat we daaronder ook verstaan. We beoordelen het werk, niet het leven. Hooguit kan het leven hier en daar extra licht werpen op het werk. Vandaar dat ik het consequent over Multatuli heb en niet over Douwes Dekker. Verder noemde Freud in een brief aan dr. Fürst, uit 1907, getiteld ‘Over de seksuele voorlichting van kinderen’, Multatuli ‘een grote denker en mensenvriend.’ Het is absurd te geloven dat men het leven van een heilige geleefd moet hebben om een groot denker en een mensenvriend te zijn, laten we dat voor eens en voor altijd vaststellen.

Multatuli maakte zich, als mensenvriend en als groot denker, druk om de al genoemde parlementaire democratie en Thorbecke, zijn eigen geldnood, de Javaan uiteraard, voze Nederlandse ambtenaren en politici, lezers die hem niet begrepen en vaders van jeugdige geliefden, die hem ook al niet begrepen, maar de literatuur an sich maakte weinig emotie in hem los. Als iets hem leek te ontstemmen was het de lezer, oftewel het publiek. Romanpersonages als Raskolnikov of Madame Bovary zul je bij Multatuli niet aantreffen, hoezeer Droogstoppel ook een begrip is geworden, hoezeer Woutertje Pieterse ook geliefd was en is, alleen al het feit dat Pieterse verstopt zit tussen de Ideeën en dat daar later iets uit is gesneden dat tegen de zin van Multatuli allicht roman kan worden genoemd geeft aan hoe weinig Multatuli geïnteresseerd was in het opbouwen van personages die de lezer meenemen en soms meeslepen en in de beste gevallen licht werpen op de duistere hoeken van de ziel van de lezer, al die aspecten van de grote negentiende eeuwse-roman lieten hem koud.

Waarom Multatuli ondanks dat toch zo groot is geworden is het raadsel van zijn schrijverschap. Van iemand als Heine, die ook geen romans heeft geschreven, kun je nog zeggen dat hij eigenlijk dichter was en feuilletonist, maar wat was Multatuli eigenlijk?

Dit alles wil niet zeggen dat Multatuli niets gemeen heeft met zijn tijdgenoten, misschien niet zozeer met hun werk, als wel met hun leven. Net als Dostojevski en ook Balzac was hij geobsedeerd door geld, net als Dostojevski had hij een voorliefde om het geld dat hij met moeite bij elkaar had geschraapt te verspelen in casino’s. Net als Flaubert kan men hem ondanks zijn idealistische reflexen regelmatig betrappen op iets wat misantropie moet worden genoemd. Net als Tolstoj was hij geobsedeerd door het christendom, zij het dat Tolstoj zich op late leeftijd bekeerde tot een anarchistisch en zeer strikt christendom en Multatuli nadat hij zich als jongeman voor de liefde had bekeerd tot het katholicisme zich later als bestrijder van het christendom opwierp. Dat deed hij met zoveel vuur dat hij het de Joden zelfs kwalijk nam dat ze het christendom niet effectiever bestreden. De effecten van liefde en haat ontlopen elkaar niet, want zowel Tolstoj als Multatuli was er opmerkelijk goed in zijn eigen gezin en kind te verwaarlozen omdat het leed van de vreemdeling hun meer aan het hart ging. Zo was Multatuli in Veendam voor een lezing, voorafgaand aan de lezing zag hij hoe een man een paard mishandelde. Hij sprong naar buiten en kocht het paard voor 25 of 50 gulden. Ook schijnt hij geld ter beschikking te hebben gesteld voor de verzorging van het paard. Tolstoj zou iets soortgelijks hebben kunnen doen, zelfs al had dat betekend dat zijn vrouw en kinderen die week niets te eten hadden. De prioriteiten van grote schrijvers, en van sommige mensen, zijn soms duister, maar het is de duisternis van die prioriteiten die direct verband houdt met de originaliteit van hun werk.

Die duistere prioriteiten komen uiteraard voort uit hartstochten, die ook Multatuli niet altijd even goed in bedwang had. In 1865 woonde hij een soiree bij in de Amsterdamse Nes. De familie Sauvlet speelde Lady Beefsteak, Schwank mit Gesang in einem Act von Jacobson. Twee heren in de buurt van Multatuli uitten luid hun onvrede met het gezang, daarop werd Multatuli zo boos dat hij de dichtstbijzijnde heer een oorvijg gaf. Een vriend die het voor de heer wilde opnemen kreeg ook een pak slaag van Multatuli. Dit voorval leidde tot een rechtszaak tegen de schrijver en heeft allicht ook bijgedragen aan zijn vertrek uit Nederland.

Deze zin in Van der Meulens biografie vat voor mij de plek die literatuur in Multatuli’s leven innam uitstekend samen: ‘Busken Huet was even somber over de Nederlandse literatuur als Multatuli over de maatschappij.’ Het was de maatschappij die hem uit zijn slaap hield, en zijn geldzorgen allicht, niet de literatuur zelf, waarin sommige auteurs toch wel een god of een afgod zien.

De grootste hartstochten werden in hem losgewroet door misstanden, die hij vaak uiterst persoonlijk opnam, naast de bekende misstanden in de koloniën kon ook het koningshuis hem witheet van woede maken. Zo schrijft hij in een brief dat men uit walging van het parlementarisme bijna monarchist zou worden, om daaraan toe te voegen: ‘Waarlyk ik loop niet hoog met koningen! En al ware dit zoo, dan nog zou ik niet spoedig partytrekken voor koninkjes uit het lyderlijk, uit het dom en wurmstekig huis van Oranje.’ Later heeft hij zich positiever over het koningshuis uitgelaten. Geen tegenstrijdigheid was hem vreemd, noch in zijn leven, noch in zijn werk.

Maar waar blijft de literatuur, waar blijft de schrijver – als activist, vrijdenker, bestrijder van Thorbecke en het christendom zou Multatuli allang vergeten zijn, gereduceerd tot een voetnoot in geschiedkundige werken.

Om zijn ambivalentie ten opzichte van het schrijverschap beter te begrijpen, de ambivalentie die wat mij betreft de kern van zijn schrijverschap is, moeten we kijken naar idee 527, de beroemde brief van Max Havelaar aan Multatuli. Laten we voorzichtig zijn in dit spiegelpaleis de opvattingen van Havelaar aan Multatuli toe te schrijven – we moeten altijd voorzichtig zijn met simplificaties – maar Havelaar geeft daar een definitie van de schrijver waarin Multatuli zich meen ik wel kon vinden: ‘Een schrijver – iemand die van schrijven een beroep maakt – spreekt zonder dat hy iets te zeggen heeft. Hy levert uitdrukkingen, waar geen indruk is. Hy weerkaatst beelden die niet bestaan. Hy jaagt op pikante tegenstellingen en moet daaraan de waarheid opofferen.’

Waarheid is, nogmaals, het cruciale begrip bij Multatuli, het is de inzet van zijn oeuvre, en het is mede die inzet, al zal Van het Reve dat vermoedelijk hebben ontkend, die ervoor zorgt dat zijn grootheid boven twijfel verheven is. Let wel op het woordje ‘mede’.

Het is de beroepsschrijver die de waarheid offert aan dubieus esthetisch genot. ‘Hy moet haar kleuren, opsieren, aankleden…’ noteert Havelaar.

Enkele regels verder laat Multatuli Havelaar schrijven: ‘Al het schone dat Jezus gezegd heeft, zou geen half vel druks vullen!’ Zo suggererend dat Jezus in elk geval geen beroepsschrijver was en veel, misschien wel uitsluitend waarheid heeft verkondigd. Dat het reëel bestaande christendom zich van de waarheden van Jezus weinig heeft aangetrokken is een opvatting waarin Multatuli niet alleen staat.

Toch is het een tikkeltje ironisch dat een bestrijder van het christendom, met name het protestantisme, zich zo vaak direct en indirect met Jezus identificeert.

Zijn interesse in de Jezusfiguur hangt samen met de aan hemzelf gegeven opdracht de waarheid te spreken, want waarom zou men dat eigenlijk altijd moeten doen? Multatuli zelf wordt niet moe de lezer om de oren te slaan met de vaststelling dat de mens bedrogen willen worden en men zou zich dan toch moeten afvragen wat de bodem is onder het waarheidsgebod als er geen God is die de mensen maant de waarheid te spreken. Als mensen gelukkig worden van een beetje bedrog, of in elk geval minder ongelukkig, waarom zouden we dat dan van hen moeten afpakken?

Wittgenstein stelt dat mensen beseffen dat waarheid niet altijd goed voor hen is, maar dat wij desondanks een intuïtieve voorliefde voor de waarheid hebben.

Voor Multatuli is het waarheidsgebod meer dan een intuïtieve behoefte, voor hem is het waarheidsgebod nauw verbonden met verlossing, liefde en verlangen en uiteindelijk ook met het schrijven zelf, met taal, want zelfs de waarheid blijft aan talige aangelegenheid. Geen wonder dat hij volgelingen had en die ook op zijn vertrouwde dubbelzinnige wijze wenste te hebben, Multatuli noteerde: ‘Jezus begon met vissers, ik vang met meisjes aan.’ Deze volgelingen van dit nieuwe andere concept van verlossing hebben anders dan bij Jezus niet geleid tot het ontstaan van een wereldreligie.

Direct na de beroepsschrijver te hebben gedesavoueerd schrijft Havelaar in zijn brief aan Multatuli over een Franse scheepsofficier die hem vertelt wat een goede stijl is: ‘Mais… c’est tout simple. Avant de commencer, je me demandais ce que j’ai à dire.’

De estheet mag een vijand zijn van de waarheid, dat wil niet zeggen dat de waarheid geen goede stijl behoeft. Goede stijl behelst kennelijk dat men weet wat men wil zeggen, dat men soms moet beseffen dat men niets te zeggen heeft. Je zou bijna denken dat bondigheid een ideaal was van Max Havelaar, en via hem ook van Multatuli, maar dat blijkt nauwelijks uit het oeuvre van die laatste. Dat kenmerkt zich toch door een zekere wijdlopigheid, waarbij het ene onderwerp aanleiding is om naar het volgende over te stappen en het eerste onderwerp daarbij schijnbaar of soms ook echt totaal te vergeten is. Niet voor niets bestaat een groot deel van zijn oeuvre uit genummerde ideeën. Het bondigste was Multatuli misschien in zijn grafschriften voor Thorbecke, de dood was voor Multatuli lang niet altijd reden de strijdbijl te begraven: ‘Onder dit steentje,/ Ligt ’n fenomeentje’ schreef hij na de dood van Thorbecke.

Op deze grafschriften na is een belangrijk kenmerk van Multatuli’s schrijverschap een volledig en radicaal gebrek aan structuur. We kunnen wel met begrippen als ‘dubbele raamvertelling’ aan komen zetten, en hoewel een dergelijk begrip met betrekking tot een deel van Multatuli’s oeuvre niet een pertinente leugen is, geloof ik niet dat het ons verder helpt. De structuur van ideeën bestaat uit de nummering, de rest is improvisatie.

Op de gemiddelde schrijfles zou de gemiddelde leerling – de studie neerlandistiek mag niet zo populair zijn, de behoefte om te leren schrijven is immens en als ik me dit terzijde mag permitteren, alleen al daarom zal de roman niet zo snel uitsterven, al zal de gemiddelde roman door niet meer mensen worden gelezen dan de partner van de schrijver en een bevriende buurman, maar we moeten daar niet al te cynisch over doen, elke lezer is er een, enfin – als de juf of meester de noodzaak van de structuur behandelt, zou de leerling zijn vinger kunnen opsteken en kunnen roepen: En onze grootste schrijver, Multatuli, dan?’

Multatuli was een uitzondering, zijn werk heeft een masochistische kant waarbij hij telkens weer met sardonisch plezier probeert het de lezer onmogelijk te maken zijn talent te ontdekken en desondanks schittert telkens weer dat talent, zijn humor – laten we dat niet vergeten – en zijn intelligentie door alles heen. Zijn oeuvre saboteert zichzelf steeds opnieuw, zoals het noemen van de echte namen in een naschrift bij de Havelaar niet zozeer een kwestie van waarheidsliefde genoemd moet worden, hij had immers ook een pamflet kunnen schrijven, als wel een poging tot sabotage van wat dat boek ondanks alles dreigde te worden, een roman. En die sabotagepogingen kunnen natuurlijk niet los worden gezien van dat oeuvre, ze maken er deel van uit, en ze zijn een belangrijke reden dat zijn werk ons is blijven fascineren, omdat wij mensen nu eenmaal altijd gefascineerd zijn door alles wat zichzelf opblaast.

Nu terug naar dat goede schrijven, in die brief van Havelaar aan Multatuli duikt kort na de Franse scheepsofficier een figuur op – of het een mens is, daarover lopen de meningen uiteen – ik heb het over Fancy, ook wel genoemd Fanny, die vaker voorkomt in de Ideeën en die ook een centrale plaats inneemt in de Minnebrieven. Deze Fancy is wat mij betreft de sleutel tot het schrijverschap van Multatuli, zij neemt dan ook een centrale plaats in de studie die Saskia Pieterse aan hem heeft gewijd, Fancy intrigeert meer dan Woutertje Pieterse en Havelaar, zelfs meer dan Droogstoppel, hoewel het materialistische realisme van deze man die ondanks zichzelf een humorist was boven Nederland hangt als een aanmoediging én een waarschuwing, want ook het materialistisch realisme dreigt voortdurend onmenselijk te worden. Droogstoppel verklaart ook grondig waarom het met de romantiek in Nederland nooit echt iets is geworden, wat ons heeft behoed voor het een en ander, maar waardoor we ook het een en ander zijn misgelopen.

In die brief van Havelaar is sprake van twee Duitse meisjes die in ‘’t Odéon’ in Amsterdam een lied zingen van de inmiddels vergeten Duitse dichter Ludwig Bechstein. Die meisjes zongen ‘niet kunstig. Ze waren niet schoon, en maar povertjes gekleed.’ Over de tekst van het gedicht schrijft Havelaar: ‘Ik zeg dat het lief is, en wie anders meent, is zelf niet lief.’

Havelaar is zonder dat daar goede redenen voor zijn in de ban van deze meisjes, hij begint een kleine correspondentie met hen, zoekt hen op, en begeleidt hen bij het afscheid naar het station om hen daar hartstochtelijk te zoenen. ‘Wie ’t afkeurt, keur ik af,’ schrijft Havelaar aan Multatuli.

Wat heeft dit nog met goed schrijven te maken, want daar had Havelaar het toch over?

Ik zou zeggen dat de beschrijving van de Duitse meisjes en de lichte obsessie van Havelaar voor hen een voorbeeld van goed schrijven is, een proeve. Hier wordt niet op pikante tegenstellingen gejaagd, zoals de beroepsschrijver volgens Multatuli pleegt te doen, hier worden geen beelden weerkaatst die niet bestaan, de waarheid is poëtisch maar niet per se kunstig, lief maar toch kan zij altijd rekenen op afkeuring van derden, zij is zoals ook uit deze brief blijkt structuurloos.

Deze twee pover geklede Duitse meisjes die komen en gaan en die toch een onuitwisbare indruk achterlaten, als niet op de lezer dan toch op Havelaar, zijn Fancy-achtige verschijningen.

Wie is deze Fancy, om wie Minnebrieven draait? Is zij een Eva-achtige figuur die een cruciale rol speelt bij de verdrijving uit het paradijs? Is zij als Gretchen in Faust, een meisje in wie Faust de ideale vrouw ziet, de pure onschuld die de ondergang van Faust toch niet kon voorkomen?

Of is zij een vrouwelijke Simson die haar kracht verliest als haar haren worden geknipt?

Waarschijnlijk heeft Multatuli’s nicht Sietske model gestaan voor Fancy, een korte maar hevige verliefdheid moet zich tussen haar en Multatuli hebben afgespeeld. Jaren later zou Sietske in haar Multatuli-herinneringen schrijven: ‘In de cirkelgang van ons eentonig bestaan viel hij binnen als een meteoor, met zijn stralenkrans van martelaarschap voor de rechten van de Javaan.’

De stralenkrans van martelaarschap. De schrijver die het christendom bestrijdt maar toch als een Jezus van zijn tijd als een meteoor her en der komt binnenvallen.

In Minnebrieven schrijft Multatuli een brief aan Tine, en daarin staat deze passage, mijn favoriete passage, die eens te meer verklaart waarom er nooit romans zijn geschreven door de grootste schrijver van Nederland: ‘Een idee! Ik hoop dat Fancy niet antwoordt. Dan heb ik een ongelukkige liefde, die ik beschryven zal voor wat biefstuk.’

De ongelukkige liefde wordt het materiaal waaruit de roman, of het gedicht wordt gesponnen, waarvan biefstuk overblijft. Een procedé dat menig schrijver bekend zal voorkomen, maar dat Multatuli afkeurde omdat het waarheid geweld aandeed.

In haar studie schrijft Pieterse: ‘Fancy verbeeldt in de eerste plaats dus de relatie tussen de schrijver en zijn lezers: ze zorgt ervoor dat Max bevattelijk schrijft.’

Ik begrijp Fancy als object van begeerte, als waarheid, maar ook als dat wat ons telkens ontglipt; de waarheid bestaat, maar zij is niet altijd kenbaar en zelden grijpbaar.

In zijn essay ‘Over de taal in het algemeen en over de taal van de mens’ schrijft Walter Benjamin: ‘Iets wat helemaal zonder enige relatie tot taal zou bestaan, is een idee; maar die idee laat zich niet vruchtbaar maken, ook niet binnen het domein van de ideeën die gecentreerd zijn rond de idee God.’

Het is niet alleen vanwege de nadruk die Benjamin op het idee en ideeën legt dat ik bij deze passage aan Multatuli moest denken. Fancy is het pure idee, of we dat idee nu waarheid noemen, liefde, verlangen of voor mijn part zelfs God, is minder belangrijk, maar om vruchtbaar te zijn moet zij weer taal worden.

Dat ze zelfs ook uiterst aardse trekken heeft, doet daar niets aan af, ze geeft aan bij haar ouders te wonen die liever niet hebben dat ze brieven ontvangt van een getrouwde man. Ook voegt ze eraan toe: ‘Ieder verklaart u voor een ellendeling.’

Het pure idee kan de gedaante aannemen van het meest aardse, in zekere zin is dat wat mij betreft de definitie van de ideale roman: het pure idee dat de gedaante heeft aangenomen van het meest aardse.

Als ik Pieterse goed begrijp, stelt zij dat Fancy en poëzie feitelijk samenvallen en deze poëzie heeft als effect de ondermijning van de zekerheid dat we voor onze goede daden beloond worden, maar ook ‘de ondermijning van de zekerheid dat alles tevergeefs is.’

In de roman, meen ik, heeft Multatuli het tegendeel gezien, namelijk een vehikel dat stelt dat goede daden beloond worden of dat alles tevergeefs is. Te vaak verzuimt de roman inderdaad onze zekerheden te ondermijnen, te vaak lijdt de romanschrijver aan behaagzucht.

Je zou ook kunnen stellen dat Multatuli Fancy wilde behoeden voor de smerigheid van de roman en dat hij daarom nooit romans heeft geschreven.

Het is mede te danken aan een figuur als Fancy, aan de ambivalente hartstocht waarmee Multatuli haar omarmd heeft, als idee, als meisje, als waarheid, dat hij onze geest blijft scherpen. Zijn werk maant ons kritischer te zijn, zijn polemische houding herinnert ons eraan dat lafheid de grote vijand is van de intellectueel en de schrijver Multatuli maant schrijver en lezer nooit te vergeten dat het waarheidsgebod uit ambiguïteit en dubbelzinnigheden bestaat maar toch altijd gebod moet blijven, hij verzoekt ons niet de ogen te sluiten voor al te menselijke halfslachtigheid, want wie daar de ogen voor sluit, offert waarheid op voor biefstuk.

Dít is – nogmaals – zijn grootheid.

Daarnaast zal elke schrijver in het leven van Multatuli troost vinden, om dat wat ongemakkelijke woord te gebruiken, want welke schrijver lijdt níet aan Jezuscomplexen, wordt niet geplaagd door geldnood, de afkeuring van het publiek, welke schrijver heeft níet gehoord dat de ouders van zijn geliefde het zeer op prijs zouden stellen als hij uit het leven van hun dochter oprot?

Maar boven dit alles schittert zijn humor, zijn oeuvre is doordesemd van een ingenieuze en dubbelzinnige zelfrelativering, en ja, dan is er zijn stijl, zonder welke dit alles gedoemd was te mislukken: ‘Wie ’t afkeurt, keur ik af.’

Deze tekst is de lofrede die Arnon Grunberg maandagmiddag 17 februari voordroeg bij de opening van het Multatuli-jaar.

200 jaar Multatuli: Hij is actueler dan ooit

Het Multatuli-jaar is maandag officieel begonnen. Wat heeft deze schrijver uit de 19de eeuw ons nu nog te vertellen? We vroegen het kenners. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden