‘Waar zouden alle haren toch blijven?’

‘Het wordt niet zo’n groot interview, toch? Ooit las ik dat Vladimir Nabokov had besloten nooit meer interviews te geven, omdat hij vond alleen maar als een kleuter te gaan kraaien....

Beginnen we met een afleidingsmanoeuvre: het omslag van Een goed verhaal, de bundel met zes nieuwe verhalen van Mensje van Keulen (Den Haag, 1946). Een schilderij van Jan Voerman, een blauwe vaas met oranje bloemen. ‘Daar is over nagedacht,’ zegt de schrijfster opgelucht. ‘Een paar bloemen, waarvan er eentje is geknakt, dat is wel geschikt voor deze verhalenbundel.’

Haar vierde titel in ruim drie jaar tijd. ‘O, maar voordat je denkt dat ik explodeer van creativiteit, zeg ik meteen dat een van die boeken Alle dagen laat, mijn dagboek uit 1976 is – dat lag klaar in een schrift. En De schriften wachten, dat in december 2008 verscheen, bevat de eerste drie verhaaltjes die ik veertig jaar geleden heb geschreven, en waarvan er in 1969 eentje, ‘Een bruiloft’, in Hollands Maandblad werd afgedrukt.

‘Ook oud dus. En ik kijk daar met gemengde gevoelens op terug. Was toen begin twintig, had in Den Haag twee jaar kunstacademie gedaan, en in Londen een jaar. Dacht dat ik zou blijven tekenen en schilderen. Schrijven had ik wel eerder gedaan, als kind en in de schoolkrant, maar dat verhaal over die volkse bruiloft en de oma van de bruid die sterft op de wc, dat was mijn eerste manifestatie als schrijver. Al zag ik dat toen niet zo, en vind ik het nog steeds vreemd om mezelf zo genoemd te zien. Waarom ik ‘Een bruiloft’ naar Hollands Maandblad stuurde? Ik had daar een abonnement op. Maar toen de redacteur K.L. Poll schreef dat het geplaatst werd, keek ik met verbazing naar zijn briefje.

‘Wel was het de aanleiding om door te gaan. Toen ik laatst het bruiloftsverhaal teruglas, herkende ik er een paar Hagenaars in – niet mijn eigen grootmoeder hoor, die leefde toen nog –, maar ik zie ook dat er het nodige in geschrapt had kunnen worden. Wat mij toen lukte, was een verhaal zich grotendeels via dialogen te laten ontwikkelen, zonder uitvoerige beschrijvingen of uitweidingen.

‘Dat doe ik in Een goed verhaal nog steeds, mensen typeren door wat ze doen en zeggen. Soms zit dat in één regel. En toch zie je een persoon voor je – als het goed is. Zoiets kon ik veertig jaar geleden minder goed. Ik ben preciezer geworden in mijn woordgebruik. Daar gaat ook de meeste schrijftijd in zitten; zoeken naar het goede woord. Blijven doorstrepen, tot ik het heb. Mijn zelfkritiek is erger geworden. Dit lukt nooit, denk ik altijd weer. Over die zes nieuwe verhalen heb ik twee jaar gedaan. Dat betekent dus vier maanden voor een verhaal van een pagina of vijfentwintig. Duurt lang, hè?’

Maar dan heb je ook een gave bundel, zes gecondenseerde romans, vrij van ballast, toonbeelden van bondigheid. Zoals deze observatie (uit ‘Bedevaart’) van een lerares, die op de boot naar Engeland haar mede-passagiers observeert, onder wie dit meisje aan de bar: ‘De mollige enkels van het meisje wekken bijna haar medelijden, ze leest er een hele toekomst in van vermoeidheid, afwijzing, een voortijdige dood op een bank vol vlekken.’

Van Keulen: ‘Die zin stond er in één keer. Spontaan. Zoiets zie ik die vrouw zien. Al ken ik die vrouw niet, ik zie haar aan de bar op zo’n schip naar een meisje kijken en dit denken. Dat kan ik niet verder uitleggen. In een ander verhaal houdt een man een monoloog tegen zijn zwangere vrouw, zo lang dat hij haar daarmee gewoon verplettert. Die pagina’s schreef ik ook moeiteloos, zonder onderbreking. Hij praat maar door, is ongevoelig, zij houdt zich in.

‘En ze verwijlt bij andere dingen, zoals het vraagstuk waar alle haren blijven. Dat heb ik zelf wel eens gedacht: als er bij iedereen vijftig tot honderd haren per dag uitvallen, dan zou je toch overal bossen haar moeten zien liggen, maar nergens zie je ze, terwijl er iedere dag meer haar bij komt.

‘Die gedachte vindt haar man maf. Hij verstikt haar. Dat gevoel houd je over, dat er geen uitweg is.’

De titel van de bundel klinkt programmatisch. ‘Een beetje brutaal, ja. Maar het was de enige verhaaltitel die bruikbaar bleek. Je vergeet die titel niet zomaar, dat is ook gunstig. En ik dacht: het mooie genre van het verhaal is tegenwoordig in Nederland niet populair, en dat is jammer. Zeker in een jachtige tijd zou het van pas kunnen komen, verhalen die je voor het slapen gaan gauw nog even kunt lezen. Veel lezers willen zich helemaal onderdompelen, en kiezen dan een roman. Terwijl ik bij veel romans denk: aardig breedsprakig, daar had heel wat uit gekund.’

Hoe begint ze een verhaal? ‘Ik wist een paar jaar geleden dat ik iets wilde schrijven over een man die een portemonneetje op straat vond – een keurige man die door die vondst in een ander milieu terecht komt, als hij op zoek gaat naar de eigenares.’ Vervolgens ontstaat er een verhaal over een man die van de ene verbazing in de andere valt, je weet niet of hij bestolen gaat worden of vermoord, of juist verliefd wordt, alles lijkt te kunnen. Zo bekeken toont Van Keulen in ‘Een goed verhaal’ alle ingrediënten die een verhaal goed kunnen maken, op smaak brengen, geestig met een latente gruwel en spanning, haar signatuur.

‘Ja, je weet niet eens of dat hele verhaal is bedacht door de vrouw bij wie het portemonneetje terecht komt. Ik weet dat ook niet als ik het verhaal schrijf. Dat is het heerlijke aan fictie. Al deze verhalen zijn verzonnen. Behalve dat ik, net als de lerares, ook een bedevaartsreis naar Haworth heb gemaakt, naar de pastorie waar de zusjes Brontë hebben geleefd en geschreven. Die reis maakte ik drie jaar geleden om een boekhandel te bezoeken, om daar verslag van te doen voor een boek van de Boekverkopersbond, Uit liefde in boeken. Een realistisch reisverslag, dan zit je vast aan wat er is voorgevallen.

‘Maar toen ik daar was, wist ik al dat ik er nog liever fictie over wilde schrijven – en dat is ‘Bedevaart’ geworden, een verhaal over een wat dweperige vrouw die op een schip naar Engeland gaat, en in Haworth ’s nachts op het kerkhof doolt, die in een eng en benauwd pension logeert, en dronken omvalt in de pisgoot van een pub. Uit het niets een verhaal te voorschijn trekken, vind ik het prettigst om te doen. Als ik daar mee bezig ben, valt de buitenwereld aangenaam weg.

Uit ‘Bedevaart’: ‘Ook bij de King’s Arms hangt een bierlucht. Wanneer er in het mortuarium geen plaats was, bewaarde de begrafenisondernemer de lijken hier in de kelder. Van de naburige brouwerij en slachterij sijpelden bierafval en bloed naar binnen. Daarover schreef Charlotte Brontë in haar brieven niet.’

Het kan niet goed aflopen, dat voel je. ‘Nou’, zegt Mensje van Keulen opgewekt, ‘ik wilde haar eerst inderdaad de hersens laten inslaan, op dat zompige kerkhof. Nadat ze uit de pisbak was opgekrabbeld. Uiteindelijk paste het beter om haar te laten leven – het was anders in een pure gothic novel geëindigd, en nu correspondeert het in sfeer beter met wat bijvoorbeeld Wuthering heights van Emily Brontë aan heftigheid en droombeelden oproept.’

Ten onrechte is Van Keulen naar aanleiding van haar eerste boeken Allemaal tranen en Bleekers zomer (beide 1972) en Van lieverlede (1975) in diverse handboeken en artikelen gecanoniseerd als naturalistische nazaat die grauwe burgermanslevens doorlicht. Punt. Alsof er om haar werk nooit gelachen kan worden. Het etiket is er moeilijk af te krijgen, heeft de schrijfster gemerkt. ‘Terwijl ik als kind al graag griezelde, maar alleen als het in een lach eindigde. Het moest niet écht erg zijn. Die combinatie heb ik altijd nagestreefd. Misschien doordat de wrange én grappige verhalen van Edgar Allan Poe op mijn twaalfde al in mijn leven kwamen. Maar daarvóór maakte ik voor mijn broertje en zusje ook al enge en zielige verhaaltjes. Eentje ging over de fietsenmaker, herinner ik me, die ging dood, zijn vrouw wenste dat hij terugkwam, en na maanden kwam hij ook terug – alleen had hij al die tijd in zijn graf gelegen. Op het moment dat ik ging beschrijven hoe de fietsenmaker er toen uitzag, begonnen mijn zusje en broertje te gillen, en hield ik op.

‘Zonder me met hem te willen vergelijken, zie ik Poe’s invloed vaag terug in die verhaaltjes van veertig jaar geleden. De gruwel van oma’s dood op die bruiloft is ook om te lachen, met die wc. Om mijn eerste boeken schoot ik zelf óók wel in de lach, ondanks alle beschreven sores, maar ik las in de jaren zeventig aldoor dat ik doodernstig louter treurnis beschreef.

‘In 1980 schreef ik een schelmenballade op rijm, De avonturen van Anna Molino: een meisje, nazaat van een Spaanse schurk, helpt de ene minnaar na de andere om zeep. Volkomen burlesk. Schreef niemand over, alsof het niet paste bij het beeld dat van mij was gevormd.’

In ‘Zand’ ontvlucht een man zijn klagende en aangeschoten vrouw (dat twistgesprek is al een gave toneeltekst, met zinnen als ‘Hoe kom je erbij dat ik je niet zie? Ik praat toch met je’), en hij rijdt naar het strand. Uitwaaien. Wat hem daar overkomt, als hem hulp wordt gevraagd door een wandelaar die zijn hondje kwijt is, dat is hevig schrikken en geschrokken lachen tegelijk. ‘Wat ik pas gaandeweg bemerkte, is dat alle zes verhalen zich binnen vierentwintig uur afspelen. Daarbinnen verandert het bestaan van de personages enigszins, of in ernstige mate. Ik kan me voorstellen dat de lezer na elk verhaal moet bijkomen. Zeker na ‘Zand’, ja. Die arme man.’ Het medelijden van Mensje van Keulen gaat gepaard met een brede grijns.

In de laatste alinea van dat verhaal ligt het echtpaar na een woelige dag wakker op bed: ‘Hij zocht haar hand. Een hele tijd lagen ze zo naast elkaar, omhoogkijkend in het donker, alsof zich ieder moment iets kon openbaren.’ Stond die zin er ook in één keer? Van Keulen: ‘Ja. Alleen heb ik bij ‘kon’ nog even geaarzeld, of ik daar ‘zou’ van moest maken. Wat er nu staat, ‘kon’, dat duidt op een mogelijkheid. In het andere geval had je gekregen: ‘alsof zich ieder moment iets zou openbaren’. Dat is méér dan een mogelijkheid, dan verwacht je het.

‘En dat is te veel. Daarom moest ‘zou’ toch maar weer ‘kon’ worden. Het stel ligt nu nog langer wakker. En ze vallen zelfs nooit meer in slaap, want na deze zin is het verhaal afgelopen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden