Achtergrond Louis Apol op Nova Zembla

Waar is het klapstuk van het visueel logboek over een expeditie naar Nova Zembla?

Louis Apol, Wrangeleiland (1880) Beeld Particuliere collectie

Schilder Louis Apol maakte in 1878 een visueel logboek van een expeditie naar Nova Zembla, nu te zien in Den Haag. Apols poolpanorama, dat eind 19de eeuw in Amsterdam meer dan 20 duizend bezoekers trok, ontbreekt. Is dat er nog? 

Amsterdam kreeg er een attractie bij, in de zomer van 1896. Affiches ervoor toonden een cartooneske variant van wat bezoekers stond te wachten: ijsbergen, middernachtzon en een ijsbeer die een zeehond uit de lucht griste – dat laatste tafereel, moet erbij worden gezegd, was een dichterlijke vrijheid, ontsproten aan het brein van de overenthousiaste affiche-maker. Maar het Panorama Nova Zembla, zoals de bezienswaardigheid heette, verbeeldde wel degelijk een vreemde, voor de meeste bezoekers onbereikbare wereld. Het reuzenschilderij bevond zich in het Panoramagebouw aan de Plantage Middenlaan, tegenover dierentuin Artis. De maker behoorde tot de eerste generatie Haagse School-schilders, Louis Apol heette hij.

Zestien jaar eerder had Apol (1850-1936) de reis van zijn leven gemaakt. In de zomer van 1880, van begin juni tot eind september, ging hij in opdracht van het Comité voor de IJszeevaart met de poolschoener Willem Barentsz op expeditie naar Nova Zembla, thans Novaya Zemlya, een Russische archipel in de Barentszee; de ontdekkingsreiziger Willem Barentsz strandde (en stierf) er in 1596.

De 29-jarige Apol verving de Britse fotograaf William Grant, die eerdere expedities had vastgelegd. Hij had de opdracht plekken vast te leggen die verband hielden met Barentsz’ tocht, maar in de praktijk noteerde hij zo’n beetje alles wat hem voor de neus kwam: het leven boven- en benedendeks, de inheemse bevolking, het landschap, de dieren – de impressies vormden het grofstoffelijk materiaal voor zijn latere panorama. Museum Panorama Mesdag in Den Haag toont nu een mooie, zorgvuldig gemaakte tentoonstelling over Apols expeditie. Tegelijk is in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam een verwante expositie te zien over Nederlandse onderzoeksreizen in het poolgebied, in vroegere tijden en huidige.

Foto van William Grant, Groep op het achterdek van de Willem Barents in de zee Benoorden Spitsbergen (1878) Beeld Het Scheepvaartmuseum Amsterdam

De aanwezigheid van Nederlanders in de arctische streek gaat op z’n minst terug tot de eerste helft van de 17de eeuw, toen zij een bepalende rol speelden in de walvisvaart. Op Spitsbergen, bijvoorbeeld, bouwden zij de seizoensnederzetting Smeerenburg, waar Groenlandse walvissen werden ontdaan van hun spek en hun traan werd uitgekookt. Stinken was dat. 

En al sinds het einde van de 16de eeuw, poogden Nederlandse (en Britse) zeevaarders via het poolgebied een alternatieve handelsroute naar Azië te vinden; pogingen die door gebrekkige geografische kennis en overvloedig pakijs voortijdig strandden. Een van die tochten, die van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck, werd beroemd en leverde stof voor kinderboeken en lofdichten en meer. Nog niet zo lang geleden werd er een Nederlandse speelfilm op gebaseerd (Nova Zembla (2011), Derek de Lint in een pofbroek et cetera).

Ter opfrissing: in mei 1596 raakten opperstuurman Willem Barentsz en koopman Jacob van Heemskerck, op zoek naar een doorgang oostwaarts, bekneld in het ijs van Nova Zembla, en zagen zich gedwongen aldaar te overwinteren. Uit onderdelen van het schip bouwde men een onderkomen, thans bekend als ’t Behouden Huys. Nova Zembla in de winter, dat is een graadje of min twintig, vaak kouder, en dat dan zonder thermo-ondergoed. Het was blauwbekken, daar in die blokhut. In sloepen bereikte men het voorjaar erop de bewoonde wereld, maar Barentsz, die ziek aan boord was gegaan, overleed bij de overtocht.

Lang werd gedacht dat deze historie, opgetekend door bemanningslid Gerrit de Veer, een legende betrof. Onterecht, zo bleek in 1871, toen de Noorse walvisjager Elling Carlsen aan de noordoostkust van Nova Zembla bij toeval stuitte op de resten van Het Huys. Het poolklimaat, constateerde Carlsen, had de huisraad perfect geconserveerd. De kookpotjes van Barentsz en de zijnen stonden erbij alsof de zeelieden ieder moment binnen konden lopen.

Via een tussenpersoon kwamen die spullen in Nederlands bezit, wat fijn was, maar ondertussen was dit stukje vaderlands erfgoed in den vreemde wel mooi ontdekt door een Noor en niet door een landgenoot – en dat stak. De Nederlandse aanwezigheid in het poolgebied, meenden vaderlandslievende burgers, diende in ere te worden hersteld, waartoe het Comité voor de IJszeevaart werd opgericht. Dat sprokkelde geld bijeen voor nieuwe poolexpedities, de eerste was in 1878.

Louis Apol, De schilder, staande te tekenen, vergezeld van de scheepshond, en een geweer over de schouder (1880) Schenking van mevrouw H. Apol en mevrouw J. Benedictus-Apol, Velp Beeld Rijksmuseum Amsterdam

De missies hadden zowel een wetenschappelijk als een nationalistisch motief. De bedoeling was om informatie te verzamelen over het klimaat en het leven in de poolstreek, en tegelijk gedenktekens te plaatsen op plekken die verbonden waren aan Barentsz en Van Heemskercks reizen. De middelen hielden niet over. Waar de Russen en Britten beschikten over stoomschepen (onontbeerlijk voor het navigeren tussen ijsschotsen), moesten de Hollanders het doen met een houten zeiljacht, een schoener, een ‘hopeloos ouderwets schip’, aldus conservator Suzanne Veldink in de catalogus, dat weinig beter was dan de boot waarmee Barentsz eeuwen eerder vastliep. 

Toch verliepen de eerste twee expedities goed. Men werd wijzer over de eigenaardigheden van het drijfijs en bracht een gedenkteken aan op het kerkhof van Amsterdam-eiland. De plaquette voor Oranje-Eiland, de locatie van het Behouden Huys, kon echter vanwege slecht weer niet worden geplaatst. Het jaar erop, Apols jaar, zou men een nieuwe poging wagen.

Louis Apol was de uitgelezen figuur om een tocht als deze vast te leggen. Hij was een vlotte, vaardige, degelijke, en waar het de vorm betrof niet bijzonder innovatieve kunstenaar. Wat belangrijker was: hij had zich al vroeg in zijn carrière gespecialiseerd in winterlandschappen. Zijn werk was minder anekdotisch dan dat van de man als wiens troonopvolger hij werd beschouwd, Andreas Schelfhout, en véél minder dan de winterschilders uit de Gouden eeuw, Avercamp en anderen. Apol was meer geïnteresseerd in de sfeer van zo’n landschap dan in de bedrijvigheid erin – welbeschouwd was er op zijn schilderijen amper een levende ziel te bekennen. Maar hij kreeg wel leven in al dat wit en grijs. Daarom zag het Comité in hem de perfecte tijdelijke vervanger van fotograaf Grant.

Aan boord maakte hij deel uit van een vijftienkoppige bemanning, zestien als je de scheepshond, Sailor, meerekende, en draaide hij volwaardig mee in het scheepsbedrijf. Men voer van IJmuiden naar de Noordkaap, en vandaar via Vardo naar Nova Zembla, waar men aanlegde in de baai van Malye Karmakuly, aan de zuid-westkust. De reis leverde een schat op aan geologische en maritieme informatie, en kende talloze bezienswaardigheden, van walvissen en watervallen tot luchtspiegelingen en schippersgraven, maar het oorspronkelijke doel ervan, het bereiken van Oranje-eiland en het plaatsen van die verdraaide plaquette, werd door een ongeluk met het schip en gedwongen voortijdig vertrek wederom niet gehaald.

Voor de derde keer op rij ging de gedenkplaat mee terug naar Nederland.

Maar voor Apol was de reis vruchtbaar. Hij tekende vier schetsboeken vol en produceerde tientallen gouaches. Wie ze chronologisch bekijkt, heeft een visueel logboek: het vertrek uit IJmuiden, de houten huizen van Vardø, de grafkruizen op het Wrangeleiland. De kunstenaar zelf komt er ook in voor, klauterend in de touwen of tekenend in zijn schetsboek, bontmuts op het hoofd, hond Sailor aan z’n zijde. De omstandigheden waaronder hij werkte waren verre van ideaal. Slapeloosheid (door de middernachtzon) was een voortdurende kwelling. Bevroren verf of, irritanter, vingers ook. Niet altijd was het zo bar. De grotere tekeningen met krijt maakte Apol in de beschutting van zijn kajuit. Ze getuigen van gevoel voor ruimte en van een ontwikkeld talent voor suggestie. Op Wrangeleiland (1880), bijvoorbeeld, wordt met een paar strategische krassen wit op het grijze papier een imposante bergketen opgeroepen. Op zulke impressies zou Apol zijn verdere leven teren. Sommigen zou hij recyclen voor zijn Panorama Nova Zembla.

Louis Apol, Noorderlicht bij Nova Zembla (1880) Beeld Collectie familie Van Bommel

Vijftien jaar na zijn reis benaderde de Panorama Maatschappij Amsterdam Apol ervoor. Het was 114 bij 15 meter, en aan de productie kwamen steigers en schrobbezems te pas. Het linkerdeel toonde de baai van Malye Karmakuly beschenen door de middernachtzon, met op de voorgrond Nenetsen-hutjes en helemaal rechts de schoener, vastgelopen in het ijs; het deel rechts was onherbergzamer: ijsmeren, gletsjers, vogels, een onweerslucht. Een landschap waar mensen niks te zoeken hebben, eigenlijk. Wie ervoor stond, werd getroffen door een overweldigend gevoel van verlatenheid. Was het ontzagwekkend? Ja, absoluut. Wilde men er een vakantiehuisje? Neen.

Als onderneming was het een waagstuk. Na een ware panorama-gekte in de jaren zeventig en tachtig van de 19de eeuw leek het Nederlandse publiek in 1895 wel zo’n beetje uit-gepanoramaad. ‘Ik hoop dat Apols panoramaschilderij een beter lot zal hebben dan Mesdags Panorama Scheveningen’, noteerde een journalist voor de opening, ‘dat eigenlijk ‘afgekeken’ is en nu en dan maar eens voor den dag wordt gehaald om er ‘de mot’ uit te houden.’ En warempel, dat lot kreeg het.

Sterker, Nova Zembla werd een doorslaand succes. Het trok in de eerste maanden meer dan 20 duizend bezoekers, onder wie koningin-regentes Emma en haar dochter, kroonprinses Wilhelmina, die later een variant van het panorama op schaal bestelden. Het succes bleek bedrieglijk. In feite was het Panorama Nova Zembla de laatste stuiptrek van een kunstvorm op weg naar de uitgang. Tien jaar na de voltooiing openden in Nederland de eerste bioscopen, waar het bezoek ook kennis nam van vreemde werelden op groot formaat, zij het werelden die óók nog eens bewogen en vergezeld gingen van muziek, en die je zittend onderging.

Apols Panorama Nova Zembla was toen al vervangen door een ander panorama. Het lag opgerold op de zolder van het Panorama-gebouw. Toen dat in 1935 werd afgebroken, bleek het spoorloos – was het wellicht verloren gegaan bij een eerdere brand? Later, in de jaren tachtig, werden er zoekacties naar ondernomen, die niets opleverden, waarna het definitief als verloren werd beschouwd, terecht wellicht. Het lijkt domweg te groot om ergens ongemerkt op een rommelzolder te liggen wegrotten. Het idee dat iemand er op een dag argeloos mee zal aanschuiven bij Tussen Kunst en Kitsch is hoogst onwaarschijnlijk.

Louis Apol op Nova Zembla, Panorama Mesdag, Den Haag, t/m 1 maart 2020

Strijd om het ijs: Vierhonderd jaar ontdekking en exploitatie van de Noordpool, Het Scheepvaart Museum, t/m 1 mei 2020

Affiche voor het Panorama Nova Zembla van Louis Pol.

Panorama’s in de problemen

Vele panorama’s gingen in het laatste decennium van de 19de eeuw ter ziele. De exemplaren in Rotterdam en Den Haag Bezuidenhout werden bijvoorbeeld niet lang na hun opening opgedoekt, en ook het beroemde Panorama Mesdag dreigde te worden gesloten. De initiators, een naamloze vennootschap uit België, ging in 1896 failliet, waarop de naamgever, de vermogende zeeschilder Hendrik Willem Mesdag het zelf besloot te exploiteren, wat lukte. Indertijd was het enkel geopend tijdens de zomermaanden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden