BoekrecensieGodsdienst

Waar draait religie om? Drie boeken over geloof als onzeker zoeken

Hoe kun je nog geloven in God en wat betekent religie in deze tijd? Wouter Slob en Jonas Slaats zeggen daarover zinnige dingen, terwijl Emanuel Rutten zich niet erg overtuigend verzet tegen de filosofie van Immanuel Kant. 

Beeld Claudie de Cleen

De verlichtingsfilosoof Immanuel Kant mag dan ruim twee eeuwen dood zijn, nog altijd zijn mensen boos op hem. Zoals de wiskundige en VU-filosoof Emanuel Rutten, die in 2012 de kranten haalde omdat hij een nieuw godsbewijs had gevonden. In Contra Kant stelt Rutten dat Kant schuldig is aan het alomtegenwoordige vooroordeel dat religieuze opvattingen ‘ongefundeerd bijgeloof’ zijn en geloof in God een kwestie van ‘naïviteit of onaanvaardbare redeloosheid’. Rutten meent dat met Kant de filosofiegeschiedenis een verkeerde wending heeft genomen. 

Waar draait het allemaal om? Kant zegt dat we kennis kunnen hebben van de dingen zoals ze zich aan onze zintuigen voordoen (de verschijnselen). Maar we nemen de dingen niet waar zoals ze werkelijk zijn, zegt Kant, maar zoals ze worden gefilterd door ons cognitieve systeem. We weten niet hoe de dingen op zichzelf (‘an sich’) zijn. De dingen zoals ze op zichzelf zijn – het rijk van ‘noumena’ – blijven voor ons verborgen. Onze kennis strekt zich uit tot slechts de zintuiglijk waarneembare en dus wetenschappelijk bestudeerbare verschijnselen.

Beeld Kok Boekencentrum

Rutten schrijft in zijn boek consistent dat onze zintuiglijke ervaringen ‘worden veroorzaakt door de noumenale wereld’. Een curieuze manier van uitdrukken, die ik nooit als zodanig bij Kant heb gevonden en die net zo vaag klinkt als zeggen dat watermoleculen natheid veroorzaken. In Contra Kant verdedigt Rutten dat kennis van de wereld van de noumena wél mogelijk is. Kant geeft in zijn ogen onterecht de voorkeur aan zintuiglijke kennis, terwijl we ook nog zoiets als een denkvermogen hebben. ‘Hieruit volgt’, stelt Rutten, ‘dat de objecten die onze waarnemingen veroorzaken helemaal niet onkenbaar zijn. Wij krijgen deze objecten immers vanuit ons denkvermogen in het vizier. De noumena behoren dus wel degelijk tot het kenbare’. Nergens geeft Rutten aan hoe dat kennen van de noumena concreet in zijn werk gaat. Is God een noumenon? Zit God als verklaring achter de werkelijkheid? Vragen waar Rutten geen antwoord op geeft.

Kun je niet beter erkennen dat de vanzelfsprekendheid van geloof onherroepelijk is verdwenen? Maar hoe dan verder? Daarover heeft Wouter Slob, predikant in Zuidlaren en tot voor kort bijzonder hoogleraar Protestantse Kerk, Theologie en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen wel wat te zeggen. In Van God spreken, zijn afscheidsboek als hoogleraar, gaat Slob in gesprek met journalist Job van Schaik over zaken als God, geloof, secularisatie, atheïsme, de Bijbel, schepping, zonde en genade. Slob is naast filosoof ook ‘post-theïst’. Dat wil zeggen: hij vindt veel traditionele manieren van denken en spreken over God achterhaald. Zo is God geen ding waarover je spreekt en dat buiten jezelf staat. Godsbewijzen zijn triviaal en onzinnig, ze verdoven slechts de existentiële twijfel van de gelovige. Maar ofschoon je niet langer ‘over’ God kunt spreken, kun je wel ‘van’ God spreken: een verwoording geven van hoe jij je geloof in God beleeft. Spreken van God krijgt dan een getuigeniskarakter en theologie is niet een beschrijvend theorietje geven over God. Slob spreekt liever van een ‘articulerende opvatting van theologie’, waarin uitdrukking en verwoording van religieuze overtuigingen centraal staan.

Beeld Buijten & Schipperheijn Motief

Gelovigen verwoorden dus niet hoe of wat God is, maar wat God voor hen betekent. De vraag of en hoe God bestaat, is niet te beantwoorden en voor het geloof ook niet zozeer van belang. Een articulerende theologie geeft wél volmondig toe dat geloof in onze tijd een optie is geworden naast ongeloof. Geloof is een onzeker en twijfelend zoeken, geen zeker weten. Religieus fundamentalisme is volgens Slob een teken van hoogmoed. Precies menen te weten wat God vindt en wil is godslastering. God wordt zo een buikspreekpop van de macht. Waar het om gaat in het christendom is niet almacht, God is juist een symbool voor onmacht. Juist het feit dat God zich door mensenhand laat vermoorden confronteert de mens met zijn eigen aard. Het christendom is dan ook geen happy-clappy religie van (ook materieel) succes, maar geeft juist een plek aan mislukking en falen. Het draait niet om een versterking van de eigen identiteit en autonomie, maar juist om overgave, loslaten, ontoereikendheid durven erkennen.

Als filosoof vindt Slob het begrip waarheid vandaag belangrijker dan ooit tevoren. Dan gaat het niet om een objectieve waarheid die voor iedereen geldt. Maar om waarheid als: ideeën die je durft te verantwoorden, waaraan je je committeert, waarvoor je durft te staan. Waarheid als datgene wat je uitdaagt, aanspreekt en iets van je vraagt. En zo verwoordt Slob in gesprek met Van Schaik in dit boek zijn eigen geloof, waarbij hij traditionele termen als zonde koppelt aan het hedendaagse narcisme, schepping koppelt aan de goedheid van materie en het heilige in de natuur, genade als verzoening met je eigen ontoereikendheid, en incarnatie als een voortgaand proces waarbij de mens door de Geest van God geïnspireerd probeert de liefde van Christus te vervolmaken. In het nawoord vertelt Van Schaik hoe Slobs verwoording van geloven hem ertoe bracht zich te laten dopen.

In Religie herzien gaat Jonas Slaats niet zozeer in op de definitie van het begrip ‘God’ als wel van het begrip ‘religie’. Daarover heerst in onze samenleving verwarring, volgens hem. Veel mensen denken dat het bij religie gaat om hiërarchisch georganiseerde entiteiten die dogma’s uitdragen en mensen verplichten om strikte gedragsregels na te volgen. Dat zijn al drie vooroordelen of ‘mythen’ over religie die in onze samenleving rondwaren. Mythen omdat ze niet op werkelijkheid berusten. Andere hardnekkige mythen die Slaats beschrijft zijn dat spiritualiteit en mystiek tegengesteld zijn aan religie, dat religie en wetenschap elkaar niet verdragen, dat religies gemakkelijk tot geweld aanzetten en dat een seculiere samenleving anders en bovendien beter is dan een religieuze.

Beeld Davidsfonds

Zijn kennis van zowel westerse als oosterse religies stelt Slaats in staat om die mythen effectief te ontluisteren. Geloof in God of goden is niet universeel en gelovigen van dezelfde religie houden er tal van verschillende en zelfs tegengestelde voorstellingen en gedragsregels op na. Kritiek op religie komt vooral van gelovigen zelf. Hiërarchische ordening is helemaal niet specifiek voor religie, maar algemeen menselijk (denk aan bedrijven en de politiek).

Wetenschappelijk gesproken bevat het boek weinig nieuws. Toch is het een topboek, dat verplichte literatuur voor elke journalist en politicus zou moeten zijn, juist omdat Slaats helder laat zien welke frames sinds de Verlichting in het westerse denken zijn geslopen als het om religie gaat. Hij pleit voor nuance, maar erkent tegelijk dat die nuance het er niet makkelijker op maakt weer te geven wat religie is. 

De enige consensus onder godsdienstwetenschappers over de definitie van religie, is dat er geen universeel dekkende definitie is. Er is geen uniek kenmerk dat de essentie van religie bevat. Sterker nog, ons begrip van religie blijkt een typisch westers construct te zijn met christelijke, kolonialistische en racistische wortels. Slaats vergelijkt religie liever met beweeglijke en fluïde talen ‘die niet uit woorden en grammaticale regels bestaan, maar uit symbolen, rituelen, verhalen, leefwijzen en ideeën’. Religies zijn existentiële, psychologische en spirituele talen die betekenis geven, ‘die ervoor zorgen dat mensen met elkaar kunnen communiceren over de redenen waarom ze sommige feiten en gebeurtenissen belangrijker vinden dan andere’.

Het grootste probleem van mythen over religie is dat ze conflicten creëren die er van origine niet zijn, en vooral het ‘wij-zij’-denken stimuleren. Ooit werden niet-christelijke religies als primitief en naïef beschouwd, vandaag zien seculieren religie in het algemeen als niet-verlicht en irrationeel. De mythen functioneren als verhalen die een rol krijgen in een groot verhaal over goed en kwaad: seculier is goed en licht, religieus is kwaad en duister. In het laatste hoofdstuk laat Slaats zien hoe mythen die over religie verteld worden net zo goed toegepast kunnen worden op seculiere contexten. 

Tegenover sommige godsdienstwetenschappers en sociologen die menen dat we vanwege de vaagheid het begrip ‘religie’ maar beter kunnen afschaffen, stelt Slaats de mogelijkheid het begrip ‘secularisme’ af te schaffen. In dat geval immers kunnen we denkwijzen en gemeenschappen die we tot nu toe ‘seculier’ noemden ‘eenvoudigweg benaderen als verschillende religieuze strekkingen en groeperingen tussen alle andere’. Mij lijkt dat een goed idee. 

Emanuel Rutten: Contra Kant – Herwonnen ruimte voor transcendentie. ★★☆☆☆ KokBoekencentrum; 176 pagina’s; € 17,99. 

Job van Schaik en Wouter Slob: Van God spreken Gesprekken over religie, geschiedenis en filosofie. ★★★★☆ Buijten & Schipperheijn Motief; 221 pagina’s; € 16,95. 

Jonas Slaats: Religie herzien. Voorbij het wij-zij-denken van seculier versus religieus. ★★★★★ Davidsfonds; 208 pagina’s; € 22,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden