WAAR BLIJVEN DE SMAAKMAKERS

Waar zijn ze gebleven? De grote roergangers in de kunst, de kunstpausen die hun visie met kracht en autoriteit uitventen....

Raar. Een man die meer door zijn initialen dan door zijn voornamen bekend is geworden. Die altijd in verband wordt gebracht met zijn trouwste en bekendste leerling. Een man die het nooit tot directeur van een museum of desnoods een academie heeft gebracht, of tot hoogleraar kunstgeschiedenis. Maar die wél een haast dictatoriaal stempel op het Nederlandse kunstleven heeft gedrukt. Zozeer zelfs dat hij (later) de eretitel kunstpaus kreeg.

Hendricus Petrus, oftewel H.P. Bremmer (1871-1956), schilder, self made kunstkenner, pedagoog, collectioneur, propagandist en inspirator, was feitelijk een man op de achtergrond. Toch werd hij erkend als grote roerganger met een doorslaggevend stem en oordeel. Een autoriteit door zijn geschriften en artikelen, zijn niet aflatende bemoeienis met schilders als Charley Toorop, Floris Verster en Bart van der Leck, de kunstlessen die hij gaf aan de Nederlandse elite van kunstminnaars (die in het begin van de 20ste eeuw voornamelijk bestond uit rijke vrouwen in wit katoenen reformjurken), maar vooral door zijn nauwe verbintenis met Helene Kröller-Müller en haar aankoop van de uiteindelijk 270 schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh, de grootste verzameling buiten die van de erven Van Gogh.

Er verschijnt over hem, onder de bondige titel De kunstpaus, deze week een biografie. Geschreven door publiciste en tentoonstellingsmaakster Hildelies Balk die, ook maar gelijk beweert dat mensen als Bremmer eigenlijk niet meer bestaan. Of beter: niet meer kúnnen bestaan. Omdat de tijd is veranderd, er tegenwoordig minder rijke vrouwen in reformjurken rondlopen en (vooral) omdat de kunstwereld geen kunstpausen meer nodig heeft. Kunstexegeten die met een hang naar autoriteit en een gebrek aan zelfrelativering de kloof tussen kunst en burgers weten te dichten. Ze zijn er niet meer, mede dankzij de rol van de overheid die hun taak van initiator, intermediair en beoordelaar heeft overgenomen.

Het kunstpausschap stond de afgelopen weken weer even in de belangstelling door de manier waarop gewezen museumdirecteur Rudi Fuchs – in veler ogen toch een echte kunstpaus – zich door zijn opvolger voelde afgeserveerd. Net op het moment nota bene dat het Stedelijk Museum het collectiebeleid en de aankopen van Fuchs in een drie centimeter dikke catalogus uitgaf, liet de huidige directeur ervan, Gijs van Tuyl, zich in een beleidsplan vernietigend uit over de museumperiode van zijn voorganger.

De clash lijkt een laatste hoofdstuk over Fuchs’ pausschap, dat de laatste jaren toch al was gehavend, en over de blijkbaar onvermijdelijke constatering dat na Bremmer én Fuchs de kunstpaus in Nederland zijn definitieve einde kent. Want zijn er nog opvolgers te vinden?

Nu is een kunstpaus, in tegenstelling tot een echte paus, ook geen kwestie van de uitkomst van een Vaticaans conclaaf: ze worden niet eenvoudig aangewezen, maar doen zich voor. Dat geldt zelfs voor de de kunstpausen die échte pausen waren, zoals Leo X en Julius II, die Rafael en Michelangelo van opdrachten voorzagen.

Vanaf de 19de eeuw kwamen ze voort uit de gegoede burgerij. Uitgerust met een scherpe pen, een breed artistiek inzicht, charisma en goede contacten met kunstenaars, handelaars en museumdirecties. Denk aan John Ruskin en later Roger Fry in Engeland, en in Frankrijk André Breton en André Malraux. Namen die inmiddels tot een ver verleden horen, maar nog steeds staan voor een visie op wat kunst is, zou kunnen en moeten zijn. Invloedrijke personages die ieder voor zich een richting vertegenwoordigden: Ruskin als uitbater van de Britse neogotiek en Fry van het modernisme van Cézanne; Breton als de ongekroonde koning van het surrealisme en Malraux van het musée imaginaire. Visies die met veel kracht en overtuiging werden uitgedragen en uitgevent.

Daar zijn de afgelopen tien, twintig jaren een paar onvergetelijke namen aan toegevoegd, van verschillend pluimage en afkomstig uit verschillende ‘takken van sport’. Variërend van de autoritaire Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki, die in zijn tv-programma Das literarische Quartett, boeken én schrijvers vilein de grond in kon boren, en die op eigen gezag zijn landgenoten een canon van de Duitse literatuur voorschotelde, tot zijn tegenvoeter, Bernard Pivot. De Franse ‘Roi lire’ (koning lezen) presenteerde op tv juist onder het genot van drankjes en hapjes een gemoedelijke literatuurcocktail in zijn Bouillon de Culture; een boekenprogramma dat wat ambiance betreft vergelijkbaar was met Hier is* Adriaan van Dis (‘Wilt u rood, wit of water?’).

Tekenend voor zijn rol was dat Pivot bekendheid kreeg als ‘leraar’. Een kwalificatie die veel andere kunstpausen met hem delen: ze hebben een educatief trekje. Willen anderen iets bijbrengen en hun gelijk krijgen. Als een missie, maar ook omdat ze niet anders kunnen. Zoals Jan Hoet, de grote roerganger uit Gent, die maar niet uitgepraat raakt over moderne kunst. Waarmee hij niet alleen veel dilettanten wist te enthousiasmeren, maar ook politici en zakenlui. In Europa kreeg de Zwitserse tentoonstellingsmaker Harald Szeemann hetzelfde voor elkaar – met aanzienlijk minder woorden. Net als Martijn Sanders, de zonnekoning van het Concertgebouw of designpaus Benno Premsela, sleutelfiguren in het Nederlandse culturele leven.

Hun verspreidingsgebied was veel breder dan hun directe metier alleen: de kunst. Ze wezen een weg aan op inhoudelijk en zakelijk niveau, konden makkelijk van de kunst overschakelen naar breed culturele en maatschappelijke issues. Hun inzicht had iets wetmatigs, al was het alleen al omdat anderen het als een wetmatigheid opvatten.

Toeval of niet, aan die overtuigingskracht en gezichtsbepalende personen lijkt inderdaad de afgelopen jaren een einde te zijn gekomen. Al was het alleen al omdat de vertegenwoordigers er, soms noodgedwongen, mee zijn opgehouden. Sommigen zijn dood (Szeemann, Premsela), anderen afgetreden (Sanders), zogenaamd afgetreden (Hoet), gestopt (Pivot en Reich-Ranicki) of uitgerangeerd en naar het tweede plan verwezen, zoals Fuchs.

Vreemd, want Fuchs had, zeker in zijn hoogtijdagen – in de jaren zeventig en tachtig, als directeur van het Van Abbemuseum en de Documenta in Kassel – ongelooflijk veel invloed. Haast vergelijkbaar met Bremmer een halve eeuw eerder. Bremmer en Fuchs zijn, of waren, prachtige voorbeelden van welke ingrediënten er nodig zijn om zich tot kunstpaus te kunnen laten inzegenen: een hang naar publieke erkenning, een sterk mythisch geloof in cultuur (vooral op basis van intuïtie en, in geval van Bremmer, een grote afkeer van wetenschappelijke kennis), een artistieke bevlogenheid (Bremmer tekende en schilderde; Fuchs kent literaire aspiraties) en een solistisch karakter.

En dan is er nog de macht. Bremmer liet zich aanbidden door een groepje kapitaalkrachtige vrouwen en enkele mannen – de ‘Bremmerianen’ – die direct of indirect aan de kunstwereld en kunsthandel waren verbonden. Bovendien had hij contact met industriëlen en verzamelaars, zoals Van Beuningen en Van der Vorm (die met hun collectie de basis hebben gelegd voor Museum Boijmans Van Beuningen), en sijpelden zijn ideeën naar museumbesturen en het onderwijs (Jan Ligthart) door.

Ook Fuchs had macht – samen met zijn grote vriend en geestverwant Jan Dibbets. De conceptuele kunstenaar Dibbets gaf les aan de Ateliers; Fuchs zat in het bestuur. Wie aan de Ateliers studeerde, werd lange tijd in het Stedelijk getoond, in tegenstelling tot studenten van andere academies. Daarnaast tekende hij zijn ideeën op in boeken, catalogusteksten en tijdschrift- en krantenartikelen (met name als criticus en later columnist van NRC Handelsblad).

In Nederland heeft hun positie altijd een hoop argwaan opgeleverd. In het geval van Bremmer niet ten onrechte: hij kon zijn halsstarrige visie uiteindelijk niet loslaten en bleef zich beroepen op zijn intuïtieve vermogen. Fuchs bleek zijn rol als cultuuruitbater niet te kunnen rijmen met de praktische werkzaamheden van het museumdirectoraat. Zijn visionaire kracht raakte ondergesneeuwd door financiële beslommeringen en tactische besprekingen met de Amsterdamse overheid.

Het is eigenlijk nog bijzonder dat in het egalitair ingestelde Nederland figuren als Bremmer en Fuchs überhaupt een bestaan hebben gehad. Centralistische macht heeft hier, in tegenstelling tot Frankrijk en Engeland, nooit een bestaansrecht gekend. Nederland heeft het altijd moeilijk met autoriteiten. Met figuren die zich kwalitatief onderscheiden en zich daar op voor laten staan. De Nederlandse polder is er te vlak voor; de maatschappij te democratisch; de macht te veel verdeeld.

Het pausdom van Fuchs heeft altijd weerstand ondervonden. Niet alleen vanwege zijn tentoonstellingsbeleid (waarin zijn vriendschap met verschillende kunstenaars van groot belang was) of zijn tanende directeurschap, over de drie decennia dat hij bij verschillende musea werkzaam is geweest. Maar vooral om de centrale rol die hij speelde en het aplomb waarmee hij die positie naar buiten bracht.

Mag zijn, Fuchs had wel een samenhangende visie. Je wist waarvoor hij stond: de verlichte Europese burgercultuur uit de 19de eeuw, met zijn romantiek, grote gebaren en Bildungsidealen, overgoten met een sausje Weltschmerz.

Door wie wordt hij opgevolgd? Zijn er nieuwe kunstpausen opgestaan? In het buitenland heeft inmiddels een verse generatie veertigers het licht gezien. Smaakbepalers, zoals de Zwitser Hans-Ulrich Obrist en de Chinees Hou Hanru, die in artistiek opzicht niet makkelijk zijn te plaatsen, omdat ze daarvoor een te nomadisch bestaan leiden. Ze reizen de hele wereld over om hun boodschap te verkondigen.

Obrist als ‘vliegende curator’ van tentoonstellingen in een klooster, hotel, vliegtuig, bibliotheek, waterzuiveringsbedrijf en zijn eigen huis – ‘musea zonder muren’, waarbij bezoekers de kunstwerken mochten aanraken en soms meenemen. Hanru als mondiale pleitbezorger van tentoonstellingen, opgezet als fancy fairs, bazaars en dorpspleinen. Naar hun stem wordt geluisterd, ook al is het hoofdzakelijk binnen de beeldende kunstwereld, waaruit zij zich juist proberen te bevrijden.

In Nederland is een nieuw slag mensen aan het werk. Cultureel geschoolde netwerkers en managers als Hans van Beers, Ad ’s-Gravesande en Kees van Twist. Organisatoren van artistieke origine (Van Beers als gesjeesde jazzdrummer; ’s Gravesande studeerde hoorn en piano) die alleen al omdat ze op verschillende posities in het culturele leven hebben geopereerd, een verdienstelijke vinger in de pap hebben – maar handelend vanuit de coulissen, waardoor ze minder zichtbaar zijn.

Het drietal bestuurt en managet dat het en lieve lust is: als medeoprichter van Pinkpop (Van Beers), directeur van het Groninger Museum (Van Twist), de Nederlandse Film en Televisie Academie (’s Gravesande), de AVRO (Van Twist en ’s Gravesande), het Stedelijk (Van Beers), de VPRO (Van Beers), het Holland Festival (’s Gravesande) of een eigen omroep (’s Gravesande en Van Twist). Probleemoplossers die zijn uitgegroeid tot niet-ambtelijke vergadertijgers en technocraten met ambitie, zonder een herkenbare visie die ten allen tijde moet worden uitgedragen. Beleidsmakers die eerder tot de kerkelijke curie behoren, dan dat ze zelf erkend kunstpaus zijn. Ze preken over het belang van goede financiën, bezoekersaantallen en arbeidsvoorwaarden – en weten daarin verrassend veel mensen te mobiliseren, hoewel ze niet het geloof belijden in het ‘Evangelie van de Kunst’, zoals Bremmer dat predikte.

Het type kunstpaus à la Bremmer is inderdaad uitgestorven. Om zijn evangelie uit te drukken, zocht hij een coalitie met verzamelaars, museumdirecteuren, handelaars, schoolbesturen, burgers én elite. Nu zoekt men alleen nog die coalitie – wat daarbij het artistieke doel is blijft onbekend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden