Waar beginnen onze voorouders?

Obrengen. m te beseffen dat er nog een wereld buiten de jouwe was, moest je eerst je eigen wereld in kaart..

Zo begon vroeger, toen onderwijs nog onderwijs was, de aardrijkskundeles: je tekende de huiskamer van je ouderlijk huis en dan de straat en vervolgens de straat die om de hoek lag – enzovoorts, enzovoorts, tot je via de stad, de provincie en het hele koninkrijk, vanzelf uitkwam bij Europa en de rest.

Op soortgelijke wijze, maar dan in dimensies van tijd, kwam de geschiedenis tot leven. Ik ben. Maar vóór mij was er ook al iets. Een vader en een moeder hadden aan mijn wieg gestaan en die hadden, op hun beurt, ook in een wieg gelegen waar twee grootvaders en twee grootmoeders mee gemoeid waren geweest. Ook enzovoorts, enzovoorts: de meetkundige reeks van de genealogie.

De 'historische' vraag is in welk oneindig ver verleden die reeks eindigt. Of simpeler gesteld: hoe ver kunnen we teruggaan om in mensen nog voorouders te herkennen?

Het was de titel van een zesdelig superboek uit mijn kinderjaren: Het leven van onze voorouders. Dat begon bij de Kelten en de eerste tekening – van Johan Braakensiek – toonde een 'wilde zwijnenjacht' van half geklede mannen die met blote handen proberen een reusachtig zwart varken in z'n kraag te grijpen.

Voorouders?

Ik kende mijn grootvader en m'n grootmoeder. Er bestonden ovale portretjes van hún ouders – eigenaardig gekleed, maar dat was nou eenmaal zo: het verleden is exotisch buitenland. Kinderen van nu schijnen ook veel moeite te hebben met het idee dat er een tijd is geweest waarin Jamai niet bestond. Maar als ik m'n best doe, kan ik het me voorstellen, zoals ik me, in een museum kijkend naar het schilderij van een 17de-eeuwse familie, kan indenken dat ik naar voorouders kijk.

Maar de halfnaakte jagers in dat woud van Johan Braakensiek hadden als het ware een beslissende grens overschreden: die waren niet meer van mij.

Vanaf welk moment in de geschiedenis is ons gevoel van verwantschap met een voorgeslacht verbroken?

Je zou 't eigenlijk eens moeten enquêteren, in verband met het debat over onze identiteit.

In de alleraardigste reeks 'Verloren Verleden', over 'gedenkwaardige momenten en figuren uit de vaderlandse geschiedenis', is een kleine, eenvoudige monografie verschenen over Jan van Schaffelaar en, zoals de ondertitel aangeeft, over 'oorlog en partijstrijd in de late Middeleeuwen'.

Barneveld, tijdens een 'Stichtse' oorlog waarbij de Utrechters en Amersfoorters de tegenstanders zijn van een bisschop die tijdelijk is uitgeweken naar Wijk bij Duurstede – kan het vaderlandser? En anno 1482 bovendien – wat nog niet eens zo verschrikkelijk lang geleden is: nog maar honderd jaar verder en we hebben Heiligerlee, Leidens Ontzet en het Plakkaat van Verlating al achter de rug!

Maar terwijl ik de vrome Marnix van St. Aldegonde en de zeeschuimende onverlaat Lumey nog wel kan thuisbrengen in 'mijn' geschiedenis, lukt het nauwelijks in Schaffelaar iets voorouderlijks te erkennen. Hij blijft een tamelijk wildvreemde in een wildvreemde tijd, want dat komt er nog bij: dat het Nederland van de 14de en 15de eeuw, het Nederland van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, van de heibels tussen Eemnes en Nijkerk, van graven en lagere edelen die mekaar permanent naar het leven stonden, van eindeloze plundertochten die soms eindigden op een Veluwse kerktoren – dat dat amper vereenzelvigingspunten heeft te bieden.

Hoe zou dat komen?

Gebrek aan inlevingsvermogen misschien. Maar dat gebrek zou weer heel goed teweeggebracht kunnen zijn door de langdurig volgehouden valse voorstelling van zaken als zou de Nederlandse geschiedenis eigenlijk pas zijn begonnen in wat je 'de Bourgondische tijd' mag noemen, dus pas in de late 15de eeuw, en als zou het volk dat vóór die tijd in de delta huisde, de naam Nederlands niet verdienen. Zodat ik er ook niet naar voorouders hoef te zoeken.

Je zou kunnen spreken van de Huizinga-barrière.

Als geen ander immers is Huizinga de historicus geweest voor wie 'Nederland' pas het licht ziet als land en volk de Bourgondische beschaving hebben ondergaan – en tijdens de Stichtse Oorlog was dat civilisatieproces nog niet voltooid. Terwijl Gent, Brugge, Brussel en Ieper al lang centra van welvaart en cultuur waren, lagen ze in het Noorden nog altijd wanhopig met zichzelf en met elkaar overhoop en leek aan de keten van burenruzies, straatrellen, zinloze gewelddaden en willekeurige afrekeningen van Hoeks of Kabeljauws rapalje, na anderhalve eeuw nog steeds geen eind gekomen.

Pas aan het Nederland dat zich daarna vormde – het Nederland van de prille Republiek waarin zeven provincietjes, wheelend en dealend, polderend, consensus en compromissen zoekend, het trotse hoofd boven water hielden – aan dát Nederland konden we ons, als het aan Huizinga lag, veilig spiegelen.

Maar is daarmee niet een werkelijkheid weggemoffeld van voor-voorouders die poldermodel, consensus en compromissen aan hun laars lapten en altijd eerst probeerden het verschil van mening via moord en doodslag te regelen?

In dat geval zal ik het stof van eeuwen uit mijn oog moeten vegen en moeten erkennen dat ze van Gysbreght van Aemstel, Herman van Woerden, Gerard van Velzen, Floris de Vijfde tot en met Jan van Schaffelaar allemaal toch wel degelijk, zij het godzijdank in de verte, familie van me waren.

In de lezing van de historicus Antheun Janse, die De sprong van Jan van Schaffelaar schreef, wordt de troost aangereikt dat Jan althans een fatsoenlijke en sowieso deugdzame voorvader is geweest, die zich ten slotte opofferde om het leven van zijn kameraden te redden.

Of die Barneveld inderdaad heelhuids hebben kunnen verlaten is zeer de vraag, want zoals gezegd: het was overwegend tuig in die tijd en hunILLUSTRATIE UIT 'DE SPRONG VAN JAN VAN SCHAFFELAAR'

woord van eer was geen stuiver waard. En afgezien van een piepklein Utrechts kroniekje, weten we eigenlijk helemaal niets van die sprong, noch ook van de onmiddellijke aanleiding of het al dan niet ridderlijk naspel.

Maar wat Janse er aan context omheen heeft geweven is aardig en leerzaam genoeg. En geeft nog weer eens te denken over de ware oorsprongen van ons volkskarakter.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden