Vroman oefent zijn verbazing

AMSTERDAM Zou hij wel genoeg prijzen hebben gekregen? Al is hij inmiddels genoegzaam geprezen, Leo Vroman (Gouda, 10 april 1915), de dichter en hematoloog die in 1947 naar Amerika verhuisde maar gelukkig ook altijd in zijn moerstaal bleef schrijven, kreeg in 1964 de P.C....

Hoogste tijd voor een nieuwe oeuvreprijs, die óók al het werk van na 1964 honoreert – en liefst niet alleen de teksten. Want de 95-jarige Vroman is behalve wetenschapper en schrijver ook nog eens tekenaar.

De bewijzen hangen nu in Galerie Weesperzijde te Amsterdam, en zijn ook in boekvorm verschenen.

Wat we zien: cartoons, potloodtekeningen, geïllustreerde dagboeken uit de oorlogsjaren 1943-1944 toen Vroman in de Jappenkampen in Nederlands-Indië was geïnterneerd; tekeningen met ballpoint en kleurpotlood gemaakt, met viltstift zelfs, en recente computertekeningen die hij met het programma True Basic laat ontstaan.

‘Als ik teken met de computer’, schreef hij in 1994, ‘geef ik het apparaat een aantal wiskundige vergelijkingen op. Wat het eindresultaat daarvan ook moge zijn: ik weet dat het wetmatig is.’ Maar dan een wetmatigheid die zo ingewikkeld is dat we de uitkomst nooit precies kunnen voorspellen.

Het gevolg is dat een wet die niet meer als zodanig kan worden herkend, even natuurlijk is geworden als toeval. En even wonderlijk. Dat heeft Vroman toch maar mooi bereikt, experimenterend achter zijn computer in de verzorgingsflat in Fort Worth (Texas) waar hij met zijn vrouw Tineke woont.

Al zijn tekenwerk is min of meer toevallig gemaakt, terzijde van het andere werk, bijvoorbeeld de wonderbaarlijk vervormde mensen en lichaamsdelen die Vroman destijds tekende in de subway in New York, als hij op weg was naar zijn werk. Opzettelijk vervormd dit keer, want passagiers vinden het niet leuk om ongevraagd te worden geportretteerd, zoals hij had gemerkt.

Veel vingers, gezichten en planten. Of een quasi-middeleeuws tafereeltje (uit 2002), met een vrome Vroman in pij en een dame:

‘Wat had ik toen al graag bestaan,/ het hoofd wat schuin en ietwat scheel,/ iets met verhouten plooien aan,/ en daaromheen een oud kasteel,/ een klooster, varkenshok, het doet er/ niet toe, een kaal gebouw,/ gewoon een monnik met zijn vrouw/ en zijn computer.’

In 1957 schreef hij in het gedicht ‘Ik ook’ dat hij soms moest schilderen. Naar zichzelf kijkend vroeg hij zich toen al af waarom hij zichzelf eigenlijk zou herhalen. Liever maakte hij er iets avontuurlijkers van. Net zoals hij de bijbelse psalmen persoonlijk maakte, door ze niet tot God te richten maar tot Systeem (‘Ik bid dat Het bestaat’), een woord waar we niet meteen gebod en wraak van verwachten.

Elke tekening is een oefening in vredelievende verbazing. Die drijft hem altijd nog naar pen, potlood en computer. In zijn jongste bundel dicht hij:

‘Ik voel de aarde zich verkleinen/ en daarmee al die aardse haat./ Ik zie het wereldnieuws verdwijnen/ terwijl ik mij verlaat./ De ware grote vrede wacht/ een verlaten dove en blinde/ die dat zalig bed kan vinden/ in een eeuwig stille nacht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.