EssayHumanisme

Vrijwel alle moraalridders hangen aan het vooruitgangsgeloof als Jezus aan het kruis

Beeld Martha Verschaffel

Wie streeft naar ultieme gelijkwaardigheid, zal moeten accepteren dat de mens in de natuur een bescheidener positie heeft, betoogt Arnon Grunberg.

Diep in onze cultuur woont het geloof dat de wereld vooruitgaat, dat de ­wereld vooruit hóórt te gaan. Dat de ondergangsfantasie minstens zo diep in onze cultuur is geworteld, mede met dank aan het christendom, is hiermee niet in tegenspraak. Het is vooruitgaan of ten onder gaan. De gedachte dat we de ondergang hooguit tijdelijk een beetje tegen kunnen houden, is niet erg populair. De ondergang uitstellen is voor de aanhangers van de vooruitgang te weinig: pappen en nathouden in plaats van genezen.

Vooruitgangsgeloof

Dit vooruitgangsgeloof is zeker niet alleen voorbehouden aan de zogenoemde progressieven, het pragmatische liberalisme ontkomt evenmin aan enorme, bijna krankzinnige hoop. Neem de bij uitstek liberale opvatting dat individuele ‘zonden’ en ‘ondeugden’ nuttig, ja zelfs ­cruciaal zijn voor de gemeenschap, gebaseerd op de ­gedachte dat in het centrum van de wereld de economie woont die ervoor zorgt dat menselijke verlangens zo effectief mogelijk worden vervuld en dat competitie niet uitmondt in oorlog en lijken, maar in handel en faillissementen. Een redelijke gedachte en wat mij betreft sympathiek te noemen. Maar het rad van de economie draait dankzij de katalysator van het vooruitgangsgeloof; stilstand is achteruitgang.

De fenomenen reclame en marketing vloeien voort uit de vrije markt, maar zelfs zonder die markt meen ik dat in de meeste culturen op subtiele en minder subtiele manieren de mens een wandelende reclamezuil voor zichzelf is, en ook in de rest van het dierenrijk komen wij dit laatste fenomeen regelmatig tegen.

Geen reclame zonder hoop op vooruitgang. Zelden tot nooit wordt een product aangeprezen als: ‘Net zo lekker als verleden jaar.’ Of: ‘Net zo goedkoop als gisteren en de dag daarvoor.’ Het is doorgaans altijd goedkoper, lekkerder, sneller en beter dan voorheen. Deze woorden geven aan in welke richting we moeten denken als we het over vooruitgang hebben: meer genot, minder ­lijden.

Zelfs de ware conservatieven, voor zover die nog bestaan, kunnen ten dele nog een paradijs situeren in het verleden, toen de mannen nog échte mannen waren en de minderheden hun mond hielden, maar zelfs zij zullen economisch gezien hun kiezers niet kunnen verleiden tot een werkelijke terugkeer naar dat geromantiseerde verleden, voornamelijk omdat de welvaart in de meeste landen zo ­radicaal is gestegen dat niemand dat terug zou willen draaien. In de praktijk blijkt nostalgie een verkooppraatje; slechts bij waarlijke en daarom zeldzame romantici is de nostalgie meer dan dat.

Moraalridders

Wat betreft de morele vooruitgang: vrijwel alle moraalridders hangen aan het vooruitgangsgeloof als Jezus aan het kruis. Wie weet hoe de rechtvaardige wereld eruitziet, ontkomt er niet aan die wereld naderbij te brengen. Elk stapje in de goede richting wordt vervolgens vooruitgang ­genoemd. Daarnaast moet een deugdelijke moraal wel universalistisch zijn. Je kunt moeilijk zeggen: hier ­vinden we moord, doodslag, diefstal en verkrachting schandelijk, maar als de buren daar anders over denken moeten zij dat zelf weten. Normen kunnen en moeten relatief zijn, ­moraal kan dat niet zijn, anders kunnen de sterksten zeggen: wij komen jullie met onze tanks en machine­geweren de beste moraal ter wereld brengen en daarvoor zullen jullie ons dankbaar zijn.

De vooruitgang, die wij hier kunnen samenvatten met de sympathieke opvatting dat alle mensen ­gelijkwaardig zijn en bepaalde rechten hebben, leidt uiteindelijk ook tot gelijkschakeling, tot nivellering, ­domesticatie. Je moet de beginselen van het humanisme accepteren, voor antihumanisten is, zoals de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt (1888-1985) al zag, uiteindelijk geen plaats op deze wereld.

Gelijkheidsstreven

De filosoof Th.C.W. Oudemans merkt in zijn recentelijk verschenen boek Moeder natuur, de plaats van de mens in de kosmos op dat gelijkheid altijd meer behoefte aan gelijkheid zal ­genereren. Daarin lijkt gelijkheid op welvaart: hoe meer men heeft, hoe meer men wil hebben, en gelijkheid in de praktijk is gelijk zijn aan hen die net iets boven jou staan. Zo lijkt het gelijkheidsstreven van de universele moraal zeer op het welvaartsstreven van de universele economie.

De daaruit voortvloeiende domesticatie van de mens is niet per se een ramp, geen beschavingsproces zonder domesticatie, maar iedereen die weleens getemd is of getemd heeft – en wie is dat niet, wie heeft dat niet? – weet dat er ook iets verloren gaat. ­Oudemans noemt dat een wildheid, die hij in verband brengt met vrijheid. Daaraan voeg ik toe dat het begrijpelijk en verstandig is dat wij niet met onze dood voor onze wildheid willen betalen, of met de dood van anderen, maar gelukkig kunnen we altijd wild zijn in het diepst van onze gedachten. Daar ben ook ik een wilde, niet noodzakelijkerwijs een goede wilde. Dat geldt voor velen, en sommigen leven zich uit, maar alleen al uit schaamte zegt men zelden: ik ben een beest in het diepst van mijn gedachten.

Beeld Martha Verschaffel

Superioriteit

De humanistische vooruitgang maakt het domein van het onwenselijke steeds groter. Hoe meer men volstrekte gelijkwaardigheid nastreeft, hoe gevoeliger men is voor onrecht en kwetsuren, altijd in eerste instantie onze eigen kwetsuren en van die van de eigen groep. Hoe meer onwenselijke gedragingen van anderen gedetecteerd kunnen worden, hoe meer controle en correctie nodig is om aan het onwenselijke een einde te maken. Het streven naar gelijkwaardigheid zal vrijwel ongemerkt een gelijkheidsstreven worden. Ik mag bijvoorbeeld nog wel denken dat ik superieur ben aan de lezers van de Volkskrant – iets wat ik overigens niet doe – maar alleen al omwille van beleefdheid en eigen­belang zal ik dat niet laten blijken. Wat voor wildheid geldt, geldt voor superioriteit, alleen in het diepst van onze gedachten mogen wij superieur zijn, ­koning van de jungle.

De overtreders van de geboden die het universele ­humanisme ons oplegt, dienen bekeerd te worden, zo niet zachtaardig dan wel hardhandig. Daar stuit dat humanisme op een interne tegenspraak.

Onder de universele humanisten, waartoe ik mezelf met enige aarzeling reken, heb je mensen die de mening verkondigen dat de wereld beter af zou zijn zonder mensen. Het zijn immers ‘de mensen’ die natuur en dieren ­kapotmaken, heb ik geregeld gehoord, onlangs nog toen een toerist wees op een fabriek die tegen een berghelling was gebouwd. De vooruitgang heeft een zekere zelfhaat geproduceerd, maar wat de consequenties van die zelfhaat zijn is onduidelijk.

Domesticatie

Het hedendaagse universele humanisme heeft ook de varkens en de koeien omvat. Dieren mogen niet meer ­gegeten worden, het liefst worden zij ook niet meer ­gebruikt als leveranciers van melk, maar ze mogen nog wel gedomesticeerd worden, gedomesticeerde dieren (honden, katten) zijn toegestaan.

Wij mensen, die dankzij het noodzakelijke beschavingsproces grotendeels zelf gedomesticeerde dieren zijn, zullen vermoedelijk intuïtieve sympathie voelen voor andere gedomesticeerde dieren. Maar veronderstelt domesticatie niet altijd een baasje? Wie is eigenlijk óns baasje? Oudemans meent dat dat de overheid is. Ik denk dat hij daar ­gelijk in heeft.

Als we werkelijk welvaart en welzijn gelijk willen verdelen en de aarde niet al te zeer willen uitputten, zijn er twee mogelijkheden. Of wij in het Westen verarmen drastisch, of we laten de ­wereldbevolking drastisch krimpen – waarvan niet duidelijk is hoe dat ­precies moet zonder tot genocide of andere bijzonder onaangename maatregelen à la de Chinese eenkindpolitiek over te gaan.

Geen doel maar middel

Oudemans’ belangrijkste these is dat de mens niet de heer van het universum is, en dat het universele ­humanisme, ook al spelen dieren en natuur nu een grotere rol dan voorheen, die opvatting nog steeds aanhangt. Het gaat er immers hooguit om dat wij ons anders over de dieren en de natuur moeten ontfermen; niet meer opeten en vernietigen, maar koesteren en beschermen.

Oudemans ziet in ons mensen geen doel, maar middel, vanuit het perspectief van moeder natuur. Wij zijn er meent hij, zoals bijvoorbeeld ook al de bioloog ­Richard Dawkins suggereerde, om genetisch materiaal door te geven. Elke poging in het individu een doel te zien, een pijler van het universele humanisme, zal leiden tot een ‘kudde angstige en nijvere dieren ­onder leiding van het staatsherderschap’. ­­

De humane staat ‘vernietigt niet maar voorkomt dat er iets geboren wordt’.

Uiteindelijk concludeert hij dat moeder natuur ‘een groot casino is’, een ‘groot spel waarin ik in elk geval geen hoofdrol heb’. Treurig en ­tragisch is dit alles niet, ‘wanneer je ­afziet van je almachtsfantasieën en het gezeur over het mislukken daarvan’.

Beeld Martha Verschaffel

Hoofdrol

Iedereen die de restanten van het humanisme een warm hart toedraagt, iedereen voor wie onrecht meer is dan een aanleiding morele zelfgenoegzaamheid uit te venten, zou Oudemans moeten lezen. Al was het maar om te beseffen dat je uitsluitend in de kunst en in je fantasie een hoofdrol speelt, en wellicht als je ­alleen thuis bent, samen met je huisdier desgewenst.

In het casino is de hoofdrol niet weggelegd voor speler of croupier, de hoofdrol daar wordt gespeeld door het balletje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden