Vreemde vrienden

Na het detective-achtige verhaal in Grijze zielen, dat een wereldwijd succes werd, gooit Philippe Claudel het met Het kleine meisje van meneer Linh over een andere boeg....

Deze roman is in elk opzicht soberder dan de vorige. Minder personages, minder gebeurtenissen, minder drama, en ook de stijl is ingetogener dan het wat gedragen proza van de rechercheur uit Grijze zielen. Toch is Het kleine meisje... een herkenbare Claudel. Schaamte, eenzaamheid en het gevoel nergens bij te horen zijn elementen die we al kenden uit zijn vorige werk en die we hier, in zijn zesde roman, terugzien.

Meneer Linh is een oude man die zijn land, ergens in Azië, verlaat vanwege een niet nader genoemde oorlog. Door een bom zijn z’n zoon en schoondochter omgekomen. Alleen zijn pasgeboren kleindochtertje heeft het wonderbaarlijk genoeg overleefd: om haar een toekomst te geven trekt hij weg. Het eerste wat de oude meneer Linh opvalt wanneer hij, na een bootreis van zes weken, voet zet op Europese grond, is dat hij niets ruikt. Dit is een land zonder geur. Ook de soep die hij even later krijgt voorgezet is al even geur- en smakeloos. Hij mist de verse koriander, de gember, het citroengras: hij zal zijn eigen land alleen nog in zijn dromen ruiken.

Niets is herkenbaar voor meneer Linh: de kou en de drukte, de taal, de gebouwen. De mensen in de straten van de havenstad ziet meneer Linh als één massa: als een zeeslang of een rivierstroom. In een winkelruit ziet hij zichzelf: met alle kleren aan die hij van de opvang heeft gekregen is hij net een enorme bol die voorbijschuifelt.

Claudel overdrijft al die treurigheid niet: hij heeft maar weinig woorden nodig om de eenzaamheid van de oude man aan de lezer duidelijk te maken. En ook is de situatie van meneer Linh niet hopeloos. Hij put kracht uit zijn kleindochtertje, Sang Diû, voor wie hij wil blijven leven. Maar het beste dat meneer Linh kan overkomen is dat hij bevriend raakt met meneer Bark.

Bark is in bijna alles het tegenovergestelde van meneer Linh: hij is groot en stevig, heeft brede afhangende schouders, en hij kletst en rookt aan één stuk door. Hij is naast meneer Linh komen zitten op een bankje en vanaf dat moment ontmoeten de beide mannen elkaar elke dag. Door een spraakverwarring bij het voorstellen noemt hij meneer Linh ‘meneer Tao Laï’, wat in diens taal ‘goedendag’ betekent. Sang Diû noemt hij Sans Dieu (‘zonder god’).

Hun vreemde vriendschap – meneer Linh verstaat immers geen woord van wat meneer Bark allemaal vertelt – houdt hen beiden overeind. Voor meneer Linh krijgt het nieuwe land een gezicht, dat van meneer Bark, en een geur: de rook van zijn sigaretten, de citroen in hete grog die ze samen in een café drinken wanneer het te koud of te nat is om op het bankje te zitten. En hij geniet ervan te luisteren naar de diepe, raspende stem van meneer Bark. Bark is blij dat hij de stad kan laten zien, dat hij iemand heeft gevonden aan wie hij kan vertellen over zijn vrouw die pas is overleden.

Maar dat is niet het enige, blijkt later. Wanneer ze over zee uitkijken wijst meneer Linh met zijn vinger in de richting van de horizon en zegt hardop de naam van zijn land. Voor meneer Bark is dat het moment om op te biechten wat hem al die tijd al dwars zat. De tranen stromen hem over de wangen wanneer hij vertelt over wat hij zelf in dat land, ‘een paradijs’, heeft meegemaakt. Dat hij erheen werd gestuurd om te vechten, dat hij heeft gebrandschat en gedood. ‘Ik durfde u het niet te vertellen’, zegt hij, wat in hun situatie eigenlijk een grappig zinnetje is. En zo zijn er steeds van die kleine momenten die lucht brengen in dit verhaal, waar je om moet glimlachen of die je ontroeren.

Claudel laat in het midden of de Fransman meneer Linh onder zijn hoede heeft genomen uit schuldgevoel over wat hij in Azië heeft aangericht. Hun vriendschap is na hun ‘gesprek’ hierover wel sterker dan ooit. Het is dan ook een ramp als meneer Linh na enkele maanden door twee dames van de hulpverlening voor vluchtelingen naar een bejaardentehuis in een buitenwijk wordt gebracht. Het is de bedoeling dat hij een plaats inneemt tussen honderden oudjes die er met hun bij aankomst uitgereikte pyjama’s en badjassen allemaal hetzelfde uitzien.

Claudel laat de vrienden elkaar op wonderbaarlijke wijze terugvinden, maar of ze voor lang bij elkaar blijven, vertelt hij niet. Net als in Zonder mij (zijn derde roman, die vorig jaar in Nederland uitkwam) mag de lezer voor zichzelf uitmaken of het goed of minder goed afloopt. Gelukkig leidt deze ‘mannenvriendschap’ bij Claudel niet tot goedkoop effectbejag. Juist doordat je meekijkt met meneer Linh die lang niet alles begrijpt van wat hij ziet, houdt hij emoties op afstand. Maar er is één moment waarop de schrijver net iets te ver gaat. Na een droom van meneer Linh waarin de twee mannen elkaar hebben ontmoet, blijkt dat meneer Bark een zelfde soort droom heeft gehad. Alsof hun zielsverwantschap nog eens moet worden benadrukt. Dit had niet gehoeven. Hun oprechte vriendschap, waarbij de één praat en de ander aandachtig luistert, is treffend genoeg. Verrassend en ontluisterend, ten slotte, is het einde, dat het hele boek met terugwerkende kracht in een ander licht plaatst.

Philippe Claudel: Het kleine meisje van meneer Linh. Vertaald uit het Frans door Manik Sakar. De Bezige Bij; 144 pagina’s; ¿ 17,50. ISBN 90 2341 855 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden