Vreemde kind

Ouders als schrikachtige katten

Hovius Ranne

De vroege kindertijd heerst over ons aller lot. Sinds de opkomst van de psycho-analyse weten we meer, maar begrijpen we minder. Een beetje minder kramp, graag!

John B. Watson (1878-1958), psycholoog en grondlegger van het behaviorisme, gaf zijn kinderen iedere ochtend een hand. Dat paste binnen de strikte kaders van zijn zelfontworpen opvoedingssysteem: objectief, vastberaden, en vooral zonder vertoon van emoties. 'Omhels en kus ze nooit, laat ze nooit op uw schoot zitten. Als het niet anders kan, kus ze eenmaal op het voorhoofd wanneer ze u goedenacht toewensen', raadde hij ouders aan. Verder mocht er een klopje op het hoofd gegeven worden bij een uitzonderlijk prestatie, maar meer was overbodig, zo niet 'zoetsappig' en schadelijk.

Volgens Watson kwamen kinderen als een onbeschreven blad ter wereld en werden ze geheel gevormd door hun leerervaringen. Met een beetje gericht beleid kon je ongeacht aanleg of voorkeuren alles van ze maken: 'arts, advocaat, kunstenaar, koopman, chef en ja, zelfs bedelman en dief'. Wat Watson van zijn eigen vier kinderen had willen maken, vermeldt de historie niet. De uitkomst was in elk geval geen pleidooi voor zijn strategie. Een dochter pleegde zelfmoord, een zoon leed levenslang aan maagpijnen en zware hoofdpijnen, en een andere zoon vestigde zich als psychoanalyticus - een regelrechte aanklacht tegen het systeem van zijn vader - voordat ook hij een einde aan zijn leven maakte.

Psychoanalytici zagen kinderen niet als een onbeschreven blad, maar als een samenballing van agressieve en seksuele strevingen. Deze potentiële tijdbom moest - wilde er een evenwichtige volwassene uit voortkomen - in de eerste vijf levensjaren onschadelijk gemaakt worden.

Freuds gedachtegoed sprak meer tot de verbeelding dan dat van Watson, en bereikte menig westers gezin in afgezwakte vorm via het opvoedingshandboek van Dr. Spock. 'Onder aanvoering van Freud en zijn volgelingen', schrijft ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma in zijn recent verschenen Het vreemde kind, 'zijn wij eraan gewend geraakt dat de zetel van onze identiteit zich ergens in de kindertijd bevindt en heerst over ons lot en noodlot'.

Lastig aspect daaraan is dat we over die eerste vijf jaar vrijwel uitsluitend informatie hebben uit de tweede hand. Onze oudste herinneringen gaan gemiddeld terug naar de leeftijd van vier jaar en vier maanden en wat we weten is ons verteld of getoond op foto's. De directe toegang tot onze vormende jaren is afgesloten.

Sinds het belang van de kindertijd onderkend is, zijn pedagogiek en ontwikkelingsleer tot bloei gekomen en hebben ieder aspect van deze eerste jaren wetenschappelijk in kaart gebracht. Het heeft een vracht aan kennis opgeleverd maar is het kind ons daarmee ook vertrouwder geworden? Breeuwsma betoogt van niet en meent dat het kind 'pas echt vreemd geworden is toen we het gingen bestuderen. Toen we nog geen acht sloegen op het kind was veel ons misschien onbekend, maar nu we het kennen is het voor ons vreemd'. Deze paradox is het centrale thema van zijn boek.

In een aangenaam meanderende stijl en zonder stelligheden nodigt Breeuwsma de lezer uit vanuit verschillende invalshoeken naar dit vreemde kind te kijken. Zijn aanknopingspunten variëren van de systematische aantekeningen van Darwin over de ontwikkeling van zijn oudste zoontje tot de overeenkomsten tussen Pippi Langkous en Michael Jackson. Van het filosofische perspectief van Rousseau tot moeders die hun kinderen vermoorden. En van Henry James' novelle Wat Maisie wist, waarin een kind voor het eerst een geloofwaardige stem krijgt, tot de in duisternis opgegroeide Kaspar Hauser.

Te midden van deze voorbeelden verrijst de moderne ouder als een schrikachtig wezen dat al lang niet meer op de eigen intuïtie durft te varen. 'Ouders zijn zo vatbaar voor informatie over opvoeding als een zwerfkat voor vlooien', schrijft Breeuwsma. En ze worden zo met informatie bestookt, dat ze al snel het gevoel hebben

hun kind slechter te kennen dan de specialisten op wie ze leunen.

Een beetje meer ontspanning in opvoedingsland zou geen kwaad kunnen en Breeuwsma haalt in dat verband het autobiografische verhaal 'De prestatie' van Theo Thijssen aan. Thijssen beschrijft hoe hij als elfjarige jongen besluit van Amsterdam naar Halfweg en weer terug te lopen. Had iemand hem gevraagd waarom, dan had hij geen antwoord geweten. Hij wist alleen dat hij van zichzelf die prestatie moest leveren. Omdat vooral 'het doodhongeren een gemeen gevaar leek', vraagt hij zijn moeder een paar sneden roggebrood. Op haar waarom antwoordt hij: 'Nou, 'k wou eens een stevig eind lopen, hè'. Zijn moeder vraagt niet verder: ' 'k Had gelukkig een lichtzinnige moeder, die nooit het naadje van de kous hoefde te weten wanneer iets gewichtig voor me bleek.'

Breeuwsma beveelt niemand aan zijn kind van Amsterdam naar Halfweg te laten lopen, maar als het alternatief een digitaal volgsysteem van kinderen dreigt te worden, is de lichtzinnigheid van Thijssens moeder een verademing die hij terecht ieder kind gunt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden