VR ER EEMDER EN VREEMD

In haar zinsbegoochelende video’s vertelt Saskia Olde Wolbers de meest wonderlijke verhalen. Over een onder water levende wasmachineverkoopster. Of een actrice die aan zwammen is verslaafd....

Ga zitten, dan vertel ik je een verhaal. Ogen dicht.Het is in de jaren vijftig, zestig misschien. In een bioscoopzaal van een uitgerangeerd theater in Ohio doet een bezoeker een schokkende ontdekking. Uit een voorfilm maakt hij op dat hij, Alfgar Dalio, geadopteerd is. Zijn biologische ouders zijn twee kleine Hollywood-acteurs uit de jaren twintig, die hun kind dezelfde naam gaven als een inheemse mot uit het Amazone-regenwoud. Het kind werd in dat gebied geboren en later ter adoptie afgestaan. De moeder, Elmore Vella, was verslaafd aan een inheemse plant die hallucinerende gassen verspreidde als ze hem om haar tong liet krullen; de plant werd zelfs naar haar vernoemd.

Zo begint het verhaal van de zes minuten durende video Trailer (2005), het meest recente werk van kunstenares Saskia Olde Wolbers (Breda, 1971). Het werk werd aangekocht door het Stedelijk Museum Amsterdam en staat centraal in het overzicht van vier werken dat morgen aldaar opent.

Een verhaal vertellen, dat is de kunst die Saskia Olde Wolbers beoefent en die haar de afgelopen jaren tot bejubeld buitenbeentje in haar vakgebied heeft gemaakt. Ze exposeerde van Rotterdam tot Los Angeles, ontving prestigieuze prijzen als de Baloise Art Basel Prijs (2003) en de Beck’s Future (2004) – beide een graadmeter voor succes en marktwaarde.

Critici hapten unaniem naar adem. ‘Works of art that break your heart’, schreef de Britse Daily Telegraph. Olde Wolbers’ verhalen zijn ‘ongewoon goed geschreven’, haar beelden ‘absorberend’ volgens het toonaangevende kunstblad Artforum. De Londense galeriste Maureen Paley, top of the bill, heeft haar in haar stal. In Nederland is dat Diana Stigter.

Een aardige lijst, met een oeuvre dat maar zo langzaam groeit: één korte film per jaar. Wie de zeven films van Olde Wolbers achter elkaar bekijkt, is nog geen uurtje bezig. Maar diegene heeft dan wel het gevoel drie landen te hebben bereisd, zes boeken te hebben gelezen, mannen en vrouwen te zijn geweest en door de tijd en zelfs de dimensies te zijn gevlogen; zonder dat de kunstenaar ook maar één van deze dingen heeft getoond.

Ogen open – wat zie je dan wel?

In Trailer, de film met het verhaal over de hallucinogene plant Elmore Vella, glijden kleverige planten langzaam door een zwart beeld. Gifgroen is hun kleur, hun bloemen zijn gretige, halfopen staande schelpen met plakkerige haren. Moeder Natuur maakt zulke planten niet, maar uit de computer komen ze evenmin, dat zie je zo. Traag druipt er gifgroene vloeistof van hun bladeren. Het volgende beeld is een bioscoopinterieur; een lobby, een zaal met stoeltjes, gedompeld in een roodbruine verf, het lijkt wel chocola. Kleine witte druppeltjes liggen op de stoelleuningen, af en toe valt er eentje uit het plafond – en dan zijn we weer terug tussen de planten, gehuld in een geelgroene mist dit keer.

Steeds vreemder wordt het verhaal dat op gortdroge toon door een onberispelijk articulerende mannenstem wordt uitgesproken. Hij spreekt in de eerste persoon, hij ís deze Alfgar Dalio die zijn vreemde verleden ontrafelt.

Curiouser and curiouser maar terugkrabbelen gaat niet meer, want Saskia Olde Wolbers heeft je ingepakt met haar videobeelden die hetzelfde effect hebben als die plant uit de jungle van Peru, ‘mild hallucinogeen’. Daar zit je dan, of daar zweef je dan, en hoort over een ziekte die ‘the falling eye’ heet, waardoor in de nabijheid van de patiënt alles misgaat en ‘danseressen als dominostenen van het podium kantelen’. Je ziet ze voor je geestesoog omlaag tuimelen, terwijl de kunstenaar onverdroten haar druipende planten toont.

Hoe doet ze het? De kunstwereld heeft namelijk bijna de hele 20ste eeuw haar neus opgehaald voor narratieve werken. Het verhalende was iets voor literatuur, theater, film, zelfs muziek. Maar beeldende kunst keek daarop neer, met de minimalisten en conceptuelen als strengsten in de leer. De idee, de metafoor, de vorm, het engagement, de kritiek, de observatie, dat hoorde als vanzelfsprekend bij de beeldende kunst, maar een verhaal vertellen was lang net zoiets als de Story lezen; dat deed je niet. Hoe krijgt deze videokunstenaar de toeschouwer dan wel zover dat hij luistert en kijkt naar verhaaltjes over uittredende coma-patiënten, over nep-doktoren en nep-kunstenaars, over een vrouw in verwachting van een achtling, een failliete pretpark-eigenaar, een verslaafde actrice of een onder water levende wasmachineverkoopster?

De Brabantse Saskia Olde Wolbers studeerde een jaar aan de St. Martin’s School in Londen, maakte de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam af en volgde daarna nog het Chelsea College of Arts & Design in Londen – tien jaar studeren in de jaren negentig. Het waren de jaren waarin videokunst de kunstwereld ging domineren, maar Olde Wolbers zou er pas laat, na haar studie aan de Rietveld Academie, voor kiezen.

Van verhalen vertellen hield ze al wel. In het ‘Mary Rogers Museum’ dat ze in 1996 inrichtte in een Amsterdams grachtenpand kreeg de bezoeker door kaartjes en objecten een idee over de op bizarre wijze verdwenen geliefde van de science-fictionheld Buck Rogers. Mary Rogers zou onder woestijnzand begraven voortleven met haar zoon, die half octopus-half mens was.

Het op deze manier suggereren van een verhaal, door vreemde voorwerpen en semi-wetenschappelijke teksten en kaartjes, dook in die jaren meer op; de eveneens Nederlandse kunstenaar Jennifer Tee maakte bijvoorbeeld een paar jaar later Snowhere Tee Tee Tee unravels the sci-fi-delic past of Lullaillaco (2000), een zaal met de neerslag van een zogenaamde poolexpeditie, waarbij een op de kunstenares lijkende mummie in de sneeuw wordt ontdekt. Op internationaal niveau was Matthew Barney inmiddels begonnen aan zijn opus magnum, de filmserie Cremaster, waarbij de toeschouwer overvoerd wordt met symbolen, vreemde voorwerpen, rituele handelingen en bizarre wezens, en zelf op zoek moet naar de samenhang.

Een verhaal suggereren, ingrediënten aanreiken, dat gebeurde enkele jaren geleden dus al wel. Maar Olde Wolbers week daar na het Mary Rogers-avontuur compleet vanaf en ging vanaf 1997 video’s maken waarin het dragende verhaal juist helemaal, woord voor woord, uitgespeld werd. Ze introduceerde een nieuwe vorm in de kunst; gesproken literatuur met beeld.

Sindsdien werkt ze zo. De verhalen worden eerst in grote lijnen geschreven op basis van krantenknipsels, hear-say, feiten, roddels en wetenschappelijke informatie. Het tweeluik Placebo en Interloper (2002 en 2003) is bijvoorbeeld gebaseerd op het geval Jean-Claude Romand, een Fransman die achttien jaar lang een baan als arts simuleerde en zijn gezin uitmoordde toen het bedrog uitkwam – door acteur Daniel Auteuil gestalte gegeven in de speelfilm l’Adversaire. Olde Wolbers voegt een minnares toe, laat de man uit zijn lichaam treden terwijl hij ons toespreekt, en weeft er een lugubere verhaallijn doorheen over een opvoedingsexperiment.

Na het onderzoek is Olde Wolbers in haar Londense atelier maanden- en maandenlang bezig met het bouwen en filmen van een decor. Want hoe virtueel alles er soms ook uitziet – het zijn echte ‘sets’, opgebouwd uit heel gewoon metaal, plastic, hout en touw. Door belichting, door onder water of op zijn kop te filmen en het effect van bepaalde materialen krijgt het zijn vervreemdende kwaliteit. Voor Placebo doopt ze haar decors van metaaldraad in dikke verf. Onder water gefilmd bleek de verf precies het juiste druipeffect te sorteren en lijkt het alsof verlaten ziekenhuiskamers en -gangen langzaam uit elkaar vallen.

Het schrijven van de vijf, zes, zeven minuten durende monoloog gebeurt pas in een laat en naar verluidt zenuwslopend stadium. Het resultaat is een geserreerde, Engelse tekst propvol rare details.

Daarbij zijn er inmiddels wel wat typische Olde Wolbers-kenmerken te herkennen. De hoofdpersonen doen hun relaas vrijwel altijd vanuit een niemandsland. Ze liggen in coma, ‘glijden binnen- en buiten bewustzijn’ (in Placebo), treden uit hun lichaam (Interloper) of spreken vanuit de baarmoeder tot ons, zoals de vertelster in Kilowatt Dynasty. Ze hebben het over zichzelf als een persoon wiens leven eigenlijk herschreven zou moeten worden. Zoals de arme Alfgar Dalio die pas op het bioscoopscherm, uitsluitend in zwart-wit, zijn ouders leerde kennen en heel iemand anders blijkt te zijn dan hij zijn hele leven heeft gedacht.

Dat is een mooie literaire truc; de hoofdpersoon vertelt zijn eigen, dramatische verhaal, maar staat er toch buiten en is daarmee ook objectief. Bij Saskia Olde Wolbers heeft die positie van buitenstaander als enige nadeel dat de vertellers zonder uitzondering op een wat monotone manier spreken.

Maar de kunstenaar heeft meer: zij heeft beeld. Dat is geen plaatje, geen illustratie en geen metafoor, maar is het best te omschrijven als een herinnering aan de plaats waar het verhaal zich afspeelt.

En die plaats desintegreert, valt uit elkaar. Het schimmelt er, er groeit ijs op, het druipt, de wanden trekken bellen en blazen en hele kamers staan te schudden. Toch een metafoor, niet voor het verhaal maar voor de geestelijke staat van de verteller.

Een filmische oplossing die vele voorgangers kent. Zelden werd een writer’s block bijvoorbeeld zo effectief verbeeld als in de film Barton Fink (Ethan & Joel Coen, 1991), waarin niet de schrijver, maar de kamer begint te zweten. In Eternal Sunshine Of the Spotless Mind (Michel Gondry, 2004) vervagen de opschriften op straatnaamborden en winkels, als de hoofdpersoon zijn herinneringen verliest – de voorbeelden zijn eigenlijk legio.

Saskia Olde Wolbers zet zo verschillende disciplines in. Ze leent uit de literatuur, uit de wetenschap, uit de cinema, en brengt daarmee opmerkelijk fris werk het museum binnen, dat mensen – heel onbekommerd – laat genieten. Ze oefent daarmee op een hedendaagse manier het op één na oudste beroep ter wereld uit: ze is een narrateur, een verteller.

En daarmee spreekt ze vrijwel iedereen aan. Want wie kan een goed verhaal weerstaan?

Kijk maar eens naar een kind dat voorgelezen wordt: de ogen glazig, de mond een beetje open, de vingers afwezig trekkend aan een los draadje, en ondertussen geestelijk verblijvend in een schemerzone tussen hier en daar. Grote kans dat de bezoekers van de tentoonstelling in het Stedelijk Museum er straks precies zo bijzitten, voor even uit het hier en nu gerukt. In Olde Wolbersland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden