Vooruit met Cuypers,

Van buiten is het nauwelijks veranderd, van binnen is er niet veel over van Pierre Cuypers' oorspronkelijke ontwerp. Degene die de weg kan vinden in die wirwar van zalen, gangen, hoofdtrappen en hoektrappen, mag zich in de handen knijpen....

HET IS een imponerend gebouw, van welke kant je het ook benadert. Vanuit de Spiegelgracht rijst een kathedraalfront op dat zich spiegelt in het water. Van ver op het plein al doemt een burcht op met hoektorens, waar het zonlicht opflikkert in de glazen daken. Het Rijksmuseum van Pierre Cuypers is in de terminologie van de Rijksgebouwendienst een Categorie-1 monument, beschermd door de monumentenwet. Ook de bijgebouwen worden door de dienst als monument beschouwd.

Sinds de opening in 1885 is er aan de buitenkant niet veel veranderd. De Zuidvleugel (toen Druckeruitbouw geheten) werd er aan het begin van de twintigste eeuw aan toegevoegd door zijn zoon Jos. Pierre Cuypers zelf ontwierp er nog een aparte uitbouw bij voor het beroemdste schilderij van het museum, De Nachtwacht. Het tuinontwerp zal geregeld zijn herzien, maar het gebouw zelf heeft nog alles - tot in de kleinste details van zijn overdadige decoratie - van het oorspronkelijke ontwerp dat Cuypers tekende.

En zo laat het zich nog altijd zien: meer een diep visioen van een katholiek ideaalbeeld uit de middeleeuwen dan een werkelijk en wezenlijk gebouw - samengesteld uit een passie voor het werk van Pieter Saenredam en een hartstochtelijk verlangen naar het eerlijke gildehandwerk uit de gothiek. Vaak ziet het eruit of het niet echt is, maar door Carel Willink geschilderd.

Van buiten is het nauwelijks veranderd, van binnen is er niet veel van Cuypers ontwerp meer over. Het is achter latere verbouwingen verdwenen, weggetimmerd omdat het hopeloos achterhaald was, en waar het nog in tact is, is het niet meer functioneel. Twee open binnenhoven werden dichtgebouwd om meer museumzalen te creëren. In vroegere tentoonstellingszalen kwamen kantoren, ateliers, garderobes en een restaurant. Een logische route die er ooit moet zijn geweest en die als vanzelf van zaal naar zaal leidde en van afdeling naar afdeling, verdween.

Het gebouw heeft geen hoofdingang, maar heeft er drie, en daarmee geen parcours met een begin en een einde. Zelfs met een plattegrond in de hand kun je er amper de weg vinden. De twee hoofdingangen aan de Stadhouderskade zijn te krap en te klein en bieden geen entree, maar slechts toegang tot een trappenhuis. En de grote voorhal, die naar de Eregalerij en de Nachtwachtzaal voert, is geen rustpunt om te beginnen, maar eerder een verwarrend keerpunt tussen twee onoverzichtelijke complexen van tentoonstellingszalen.

De onderdoorgang, die vroeger in open verbinding stond met de twee binnenhoven, is ervan afgesloten en een donkere schacht geworden. De Zuidvleugel heeft een eigen entree en staat in open verbinding met de rest van het museum. Maar wie de doorgang vindt en vandaar naar De Nachtwacht loopt, mag zich in de handen knijpen als hij zelf de weg terug kan vinden in die wirwar van zalen en gangen, hoofdtrappen en hoektrappen, een bovenlangse doorgang naar de twee delen van het museum en een onderlangse via de wc's in de kelder.

Het is een hopeloos gebouw geworden, met een naargeestige kleurstelling, somber en troosteloos, waar het oorspronkelijke patroon nauwelijks meer in terug te vinden is. Er is geen onderscheid meer te ontdekken tussen de vroegere zalen van Cuypers en die er later aan toegevoegd werden. Ze zijn in elkaar over gegaan. En waar je Cuypers nog wel vindt, is het vaak in een treffen van muren en gewelven van baksteen met zo'n overweldigend getuigenis van decoratie van vaderlandsliefde en terug naar de middeleeuwen, dat die je eerder de ademt beneemt dan een bevrijdende opluchting geeft.

De Zuidvleugel, waar deze maanden de historisch tentoonstelling Maurits, Prins van Oranje loopt (een mooie, inhoudelijke expositie die nog eens laat zien hoe rigide en achterhaald de vaste opstelling Nederlandse Geschiedenis is), is verbouwd en volledig aangepast aan de eisen die we nu aan een museum stellen. Maar Cuypers' hoofdgebouw is een onding geworden. Breek weg, zegt onze tijd, schep ruimte, gooi die benauwenis open.

En het gaat gebeuren. De vraag is alleen hoe. Met een budget van 445 miljoen gulden is het Rijksmuseum het Grand Projet van rijksbouwmeester Jo Coenen en museumdirecteur Ronald de Leeuw geworden. Zeven architecten zijn uitgenodigd om hun visie te ontvouwen op Het Nieuwe Rijksmuseum, zoals het project heet, vier buitenlandse en drie Nederlandse bureaus.

De zeven zijn de Fransman Paul Chemetov, vooral bekend vanwege zijn verbouwing van de Grande Galerie de Musée d'Histoire Naturelle in Parijs; het Spaanse architectenduo Cruz en Ortiz, verantwoordelijk voor de nieuwbouw in de oude binnenstad van Sevilla, het Spaanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Hannover en in dit verband voor de verbouwing van het Maritiem Museum in Cadiz; de Oostenrijker Heinz Tesar, die op het ogenblik werkt aan de renovatie van het in de oorlog geschonden en later in de DDR verwaarloosde Museuminsel in Berlijn; de Italiaanse architect Francesco Venezia, die vooral bekend is door zijn subtiel herstel van antieke ruïnes. En dan zijn er de Nederlanders: vader en zoon Cees en Diederik Dam (Muziektheater in Amsterdam en de verbouwing van het Provinciehuis in Middelburg); Hubert Jan Henket (nieuwbouw Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, uitbreiding Teylers Museum in Haarlem); en Erik Knippers (de jongste in de rij, gekozen om zijn verbouwing van de Utrechtse schouwburg).

In maart worden hun presentaties beoordeeld door een jury onder voorzitterschap van de rijksbouwmeester Jo Coenen. De andere juryleden zijn de directeur van het Rijksmuseum Ronald de Leeuw, de oud-burgemeester van Amsterdam Schelto Patijn, Fons Asselbergs namens het ministerie van OCW en de architectuur-publicist Max van Rooy. Zij zullen de nieuwe hoofdarchitect voordragen. Tegelijk is er ook een meervoudige studie-opdracht voor restauratie-architecten, waarvoor zes architecten zijn aangezocht: Cor Bouwstra, het duo Kees Doornenbal en Bart Kwant, Gijsbert van Hoogevest, Job Roos en André van Stigt. Bij de keuze van deze gespecialiseerde architect zal de nieuwe hoofdarchitect betrokken worden.

Terug naar Cuypers, Vooruit naar Cuypers, Verder met Cuypers. Elk recent rapport over het Rijksmuseum draagt zijn eigen leuze en geeft een denkrichting aan. Wat er ten volle uit spreekt is, dat het eigenzinnige concept van Cuypers het uitgangspunt is. In het debat dat na de architectenkeuze even woedde, werd van twee kanten geopperd om het gebouw te slopen en er, na het voorbeeld van het nieuwe Guggenheim in Bilbao, een spraakmakend eigentijds ontwerp voor in de plaats te zetten. Maar dat idee vond nauwelijks bijval.

Volgende week dinsdag, 6 februari, vinden er twee debatten plaats over de toekomst van het Rijksmuseum. In de Beurs van Berlage organiseert het museum zelf een, besloten, nationaal debat onder leiding van Adriaan van Dis. Als antwoord op die beslotenheid is er dezelfde avond een openbaar debat in Felix Meritis, georganiseerd door het architectuurcentrum Arcam onder leiding van zijn directeur Maarten Kloos. Om het pittig te houden staan de twee zalen met elkaar in verbinding. Het verslag met de conclusies van beide avonden zal aan de nieuwe hoofdarchitect worden aangeboden, hij kan er dan in zijn definitieve ontwerp rekening mee houden.

Sloop en nieuwbouw kan op die avonden natuurlijk weer opborrelen, maar een serieuze optie is het niet. Cuypers' museum is een nationaal monument en daar kan geen rijksbouwmeester omheen. Waar het om gaat - die drie leuzen zeiden het al - is de mate van vrijheid die de architect krijgt (of neemt) om met die erfenis om te gaan.

In de formulering van de meervoudige studie-opdracht die de zeven architectenbureaus hebben gekregen, staan vier uitgangspunten: Herstellen van de ruimtelijke structuur van het museum naar het concept van Cuypers met tegelijkertijd een eigentijdse uitstraling; verbeteren van de toegankelijkheid, verhelderen van de verkeersstructuur in het gebouw en een heldere plaatsing van functies; terugbrengen van de oorspronkelijke interieurafwerking voor zover wenselijk in relatie tot de publieke functies; en het ontwikkelen van een visie op de tuin en op de verankering van het complex in de omgeving.'

Van de zeven bureaus wordt allereerst een visie verwacht op het uitgangspunt 'terug naar Cuypers', wat volgens de opdrachtbrief vertaald dient te worden als 'verder met Cuypers', hetgeen hen al wat meer vrijheden biedt. Daarnaast wordt hen gevraagd bepaalde onderdelen van het plan nader uit te werken. De belangrijkste opdracht in dit verband is het ontwerpen van een nieuw entreegebied voor het musueum, waarvoor de onderdoorgang en de nu nog volgebouwde binnenhoven zijn aangewezen. (De tentoonstellingsruimte die daarmee verloren gaat, wordt gewonnen doordat allerlei functies in het museum verhuizen naar het vroegere Veiligheidsinstituut elders op het Museumplein). In dit stadium wordt nog geen kant en klare oplossing verwacht voor het hele museum, maar vooral een visie van waaruit kan worden begonnen - een geniaal idee het liefst waarmee een architect zichzelf opwerpt om verder mee te gaan in de procedure.

De directeur ziet het al voor ogen. Een nieuwe lichte onderdoorgang als publiek gebied, met ruime openingen naar de binnenhoven, waar de bezoekers worden ontvangen en vandaar in een vanzelfsprekende route door de gerenoveerde verdiepingen van het museum worden geleid. De vrijheid die de ontwerpers daarin hebben, zullen ze zelf moeten bepalen in die spanningsboog tussen 'herstellen van de ruimtelijke structuur van Cuypers en tegelijkertijd een eigentijdse uitstraling'. Ronald de Leeuw: 'Het gaat om hun eigen inschatting van het programma van eisen - of ze er bescheiden mee omgaan of onbescheiden, dat is aan henzelf. Je kunt te weinig durf tonen, op de knieën voor Cuypers gaan, je kunt ook te brutaal zijn. We hebben het niet vastgelegd in absolute termen, wel dat we door willen met de hoofdstructuur van Cuypers.'

Ook de plek van het museum, tussen de oude stad en Zuid, de grachten en het Museumplein, is in de ontwerpopdracht betrokken. De zeven zijn gevraagd na te denken over de band van het museum met de stad. De Leeuw: 'De verandering van het Museumplein vraagt misschien wel om verandering van het museum zelf, om meer aandacht voor de kant aan het plein. De tuinen zijn ook een ontwerp van Cuypers. Wat wil je ermee doen.' Het gebouw zelf staat niet ter discussie, wel het terrein dat het inneemt. 'Heel veel musea hebben een heel interessant voorplein. Wij hier niet, we liggen aan een drukke verkeersader, dat is nadeling voor de uitstraling. We hebben hen gevraagd ook daar over na te denken. Ze snappen het probleem dat we als een burcht overkomen en dat we dat graag veranderd willen zien. We stellen ons erg open, zijn heen nieuwsgierig wat een architect daarmee zou kunnen doen, wat de ruimte hen op een idee brengt.'

Je kunt je misschien, in dat complex van elkaar opgevolgde interne verbouwingen, een voorstelling maken hoe het gebouw er straks uit zal zien is als die toevoegingen zijn verdwenen. Wie weet wat er tevoorschijn komt als alle latere inbouw is weggebroken en het gebouw is teruggestript tot het oude concept van Cuypers. Een heldere structuur wellicht, maar waarschijnlijk ook een stelsel van gewelfde baksteengothiek die bulkt van de symboliek en niet meer rijmt met de inrichting van een museum zoals wij nu willen.

Het is een complexe opdracht: teruggaan naar een idee van toen, met een eigentijdse uitstraling. In het Historisch Nieuwsblad juichen de cuyperianen de heropening van de binnenhoven toe, maar waarschuwen Ronald de Leeuw tegelijkertijd dat ze hem in de gaten zullen houden.

Breek, zou ik zeggen, gooi open. Laat de structuur in tact als dat werkt, maar trek je niets aan van de symboliek. Die stond toen al, in 1885, hevig ter discussie. Het is de vraag of er met Cuypers' beladen erfenis nog is om te gaan. Duw die man het gebouw uit. Zijn katholieke ornamentiek, dat overweldigend kloosterideaal is al ten volle aan de buitenkant vertegenwoordigd, 135 meter lang en 84 meter breed.

Voor mij mogen de zeven ontwerpers zo ver gaan als ze willen, dat deed Cuypers ook. (Er is gelukkig nog een punt in de opdrachtformulering, die hen wat ruimte geeft: 'terugbrengen van de oorspronkelijke interieurafwerking voor zover wenselijk'). In het ontwerp waarmee Cuypers toen de prijsvraag won, getekend in een klassieke Hollandse Renaissance-stijl, smokkelde hij al doende alle kenmerken van zijn eigen stijlmerk, de neogothiek binnen, en maakte zo een heel ander gebouw. Hij overschreed het budget verschrikkelijk. Het museum werd uiteindelijk drie keer zo duur als begroot. Op dat terrein heeft de rijksbouwmeester van nu zich gewapend. Het laatste aandachtspunt in de meervoudige opdracht is het vermogen om te gaan met 'financiële risico's binnen een taakstellend budget'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden