VOORRANG VOOR VRIENDEN

Het imago van de Vriend in Nederland: hij is vergrijsd en lastig. Toch willen steeds meer musea, theaters en orkesten Vrienden werven....

Op zachte banken mogen ze zitten, een glas wijn erbij. Ze mogen er uitrusten, napraten, en ook, af en toe, een specialist uitnodigen die hen, en hen alleen, meer over de kunstwerken uit zal leggen. Hier zijn ze even weg van de gewone bezoekers, hier zijn ze Vrienden onder elkaar.

Het zal voor het eerst zijn in Nederland. Het Rijksmuseum krijgt in 2009, als het nieuwe gebouw klaar is, een Friends room; een zaal speciaal voor Vrienden, de lieflijke term voor wat ook wel zakelijk ‘donateur’ wordt genoemd, meevoelende burgers die eens per jaar een klein bedrag schenken aan de culturele instelling van hun keuze.

Zeker, het Vriendenconcept is oud, al minstens anderhalve eeuw. En internationaal gezien is een aparte Vriendenruimte niet zo speciaal. De Royal Academy in Londen heeft een aparte ingang voor Vrienden, zodat ze nooit in de rij hoeven te staan. Het Metropolitan in New York legt zijn Friends nog uitbundiger in de watten, en organiseert avondjes, dinertjes, dating clubs en andere uitstapjes.

Maar nieuw is het wel voor Nederland, en al helemaal voor het Rijksmuseum. Het museum wilde decennialang helemaal geen Vrienden. Want Vrienden, zo liet het Rijks nog in 1995 weten in weekblad Elsevier ‘kosten meer dan ze opleveren’, ‘bovendien willen we absoluut geen inmenging in ons beleid.’ In de Nederlandse cultuursector wordt daarbij regelmatig besmuikt gedaan over veelal vergrijsde Vrienden, die, aldus een medewerkster van een museum, met een bijdrage van een paar tientjes per jaar ‘net genoeg opleveren om de hapjes voor ze te betalen’.

Toch is er vanaf maart 2006 in het Rijksmuseum een gestage reeks evenementen voor Vrienden op gang aan het komen; het museum heeft zelfs het koningshuis ingeschakeld (Máxima werd als eerste Vriend, en schoonzus Marilène is ambassadeur) om ze te werven.

Ook de Schouwburg Rotterdam blaast de Vriendenvereniging na jaren opnieuw leven in, het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam is er net een jaar geleden voor het eerst mee begonnen, het Foam, museum voor Fotografie in Amsterdam, heeft sinds begin 2005 een ‘fanclub’, het Kröller Möller in Otterlo is ‘aan het onderzoeken’ of Vriendschap, en in welke vorm, iets voor het museum is.

Een handjevol Vrienden heeft zich op vrijdagavond verzameld in het Rijksmuseum. Voor de meesten is dit de eerste ontvangst als Rijksmuseumvriend. Ze krijgen een zomerse cocktail, ze krijgen uitleg bij een tentoonstelling van tekeningen van Rembrandt door de conservator. ‘Een schokeffect’, noemt de heer Bruinsma de reden waarom hij Vriend is geworden. Toen het museum met zijn wervingsactie begon, realiseerde hij zich dat hij ‘als Amsterdammer eigenlijk niets wist van het Rijksmuseum; ik dacht altijd dat het voor Amerikanen en Japanners was’.

Bruinsma (63) is ‘verbaasd’ over de hoeveelheid activiteiten die er voor hem worden georganiseerd. En hij niet alleen. Vroeger, zegt bezoekster Duck Zandbergen ging dat anders. ‘Ik was jaren geleden Vriend bij het museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en toen werd je alleen voor openingen uitgenodigd.’

Een zekere voorrang kregen Vrienden altijd al. Er zijn de openbare orkest- en theaterrepetities speciaal voor hen. Er is de eerste keus bij populaire theatervoorstellingen (op festival Oerol op Terschelling bijvoorbeeld), voorrang bij reserveringen, en kortingen op toegangskaartjes.

De komende tijd zijn er echter meer rondleidingen, meer brochures in de bus, en meer ontmoetingen met kunstenaars dan ooit gepland.

Niet vreemd, al die extra inspanningen, zegt Dirk Noordman, docent kunstmanagement aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die Vriendenverenigingen in Den Haag en Rotterdam nader bestudeerde. ‘Instellingen hebben pas de laatste paar jaar het idee dat ze meer met hun Vrienden moeten doen.’

In feite is de Vriend een overblijfsel uit de 19de eeuw. Het was de tijd dat particuliere betrokkenheid bij de cultuur als een maatschappelijke plicht werd gezien – en daarbij verhoogden donaties de status van de gever. Het waren de gegoede burgers zelf die instituten als het Rijksmuseum en het Concertgebouw oprichtten. . De Vriendenvereniging van het Gemeentemuseum in Den Haag was er 140 jaar geleden zelfs eerder dan het museum zelf.

Die betrokkenheid veranderde definitief na de Tweede Wereldoorlog, zegt Noordman. De overheid nam via subsidies de zorg voor cultuur over, en de burger trok zijn handen ervan af. Het gebrek aan betrokkenheid wordt nu zelfs als onderdeel gezien van de ‘Nederlandse volksaard’. Zoals twee Vrienden van het Rijksmuseum zeggen: ‘Bij rampen ver weg geven Nederlanders het meest van alle landen, maar voor cultuur doen ze nauwelijks iets.’ ‘Kunst’, zegt Vriend Ruud Weggemans, ‘wordt in Nederland als een luxe beschouwd. Iets waarvoor de overheid moet zorgen.’

De Vriend raakte in de naoorlogse decennia wat in de marge. Hij was er wel, maar hij vergrijsde, zijn imago werd ‘tuttig’, aldus Noordman. En men vond hem ook vaak lastig: de Vriend kan, in de woorden van een medewerker van het Kröller-Müller Museum, makkelijk ‘een machtsblok’ worden. Als Vrienden van een museum, theater of een orkest een aparte Stichting vormen, komt het nogal eens voor dat ze zich gaan bemoeien met de koers van een instelling. Zo spraken de Vrienden van het Groninger Museum zich jaren negentig openlijk uit tegen de interne gang van zaken bij het museum.

Paradoxaal genoeg staat juist de overheid aan de basis van de huidige opleving van de ‘betrokken burger’. Instellingen moeten zich opstellen als ‘cultureel ondernemer’, klinkt het sinds staatssecretaris Rick van der Ploeg. Niet alleen de gulle miljonair, maar juist de eenvoudige gever moet worden binnengehaald. Van der Ploeg noemde de Vrienden in 2001 ‘een belangrijke pijler onder het culturele bestel’.

Onder de laatste staatssecretaris, Medy van der Laan (D66), zijn de plannen zelfs concreet geworden. Volgende maand start het bureau Kunst & Zaken in opdracht van het ministerie van OCW een heus mecenaatsprogramma, waarmee in drie jaar tijd grotere betrokkenheid van burgers bij cultuur moet worden gestimuleerd. Volgens directeur Marianne Berendsen ‘zou Vriendschap heel goed een vorm van mecenaat kunnen zijn.’ Ook het betrokken adviesbureau Leenaers Verloop ziet een hoopvolle toekomst voor Vrienden: ‘Het gebeurt nog veel te weinig’, zegt adviseur Marischka Leenaers: ‘Maar wij geloven erg in Vrienden.’

Vanwaar deze opleving? De redenen voor theaters, musea en orkesten om Vrienden te zoeken lopen uiteen. Financiële noodzaak is er één van. Het Bostheater in Amsterdam maakt ieder jaar een openluchttheater in het Amsterdamse Bos. Vorig jaar ging het mis, vertelt woordvoerder Dorothy Zon. ‘We stonden op de rand van faillissement’, door verregende voorstellingen en verminderde subsidie. De Vrienden, ongeveer vijfhonderd in aantal, ‘hebben het theater gered. Dankzij donaties konden we verder.’

[Zie verder pagina 7]

Vriend krijgt meer dan de rest

[Vervolg van pagina 5]

Legendarisch is de Vriendenvereniging van het Haagse theatergezelschap De Appel. De enkele duizenden leden financierden in de jaren tachtig een nieuw gebouw, en wisten later subsidiedebacles te voorkomen dankzij een ijzersterke lobby. Ook het Foam in Amsterdam begon in 2004 met een reeks initiatieven voor particulieren, waaronder de fanclub (nu zo’n 250 leden), omdat de gemeente Amsterdam in de subsidie wilde snijden.

Toch gaat het de meeste instellingen niet om het geld. Donaties zijn voor musea bijvoorbeeld te weinig om kunst mee te kopen.

De belangrijkste reden voor Vriendschap ligt vooral in ‘binding’ van een vaste achterban. ‘Een extra loyale vaste kern van bezoekers’, zoals het Kröller-Müller Museum het noemt. ‘Het orkest moet een worteling in de regio hebben’, zegt het Gelders Orkest. ‘De marketing moet nieuw publiek werven, de vriendenvereniging moet die behouden’, aldus Vrienden-voorzitter Dick van der Meer. Het Gemeentemuseum Den Haag zegt dat hun 2500 Vrienden ‘vooral een ambassadeursfunctie’ hebben: wie het leuk heeft bij het museum, vertelt het verder.

Vooral voor middelgrote steden, zegt Noordman, wordt die binding met de achterban steeds noodzakelijker. ‘Daar is maar één schouwburg, en die moet concurreren met de tv.’ Het belang van de Vriendenverenigingen ligt daarom minder bij de donaties, maar in het maken van ‘communities’: ‘De gemeenschap moet zich weer eigenaar gaan voelen van de culturele infrastructuur.’

De Vriendenverenigingen wordt nieuw leven ingeblazen omdat culturele instellingen betrokkenheid zoeken, die niet meer vanzelfsprekend is. Zoals de woordvoerder van het Rijksmuseum zegt: ‘Vroeger wist de elite door opvoeding precies hoe het zat met Rembrandts tekeningen. Nu niet meer.’

Hoe mooi het allemaal klinkt, duurzame Vriendschap komt niet vanzelf. De Vriend anno 2006 is geen 19de-eeuwse Bildungsbürger, die via opvoeding en onderwijs met cultuur wordt grootgebracht. De oprichting van nieuwe verenigingen en de roep van de overheid om meer betrokken burgers, betekent niet dat er direct stromen particulieren doneren.

Volgens Noordman heeft een organisatie er weinig aan als het aantal Vrienden niet boven de achthonderd leden uitkomt. Ook is het niet voor alle organisaties even praktisch; toneelgezelschappen zonder eigen theater kiezen daarom minder vaak voor Vrienden. Het grootste probleem voor de hedendaagse Vriendschap blijft volgens Noordman echter de vergrijzing. Het profiel is al decennia hetzelfde. Vrienden zijn 55, zo niet 60 plus. Het voortbestaan van de Vriendschap komt zo snel onder druk te staan.

Voor succesvolle voorbeelden hoe nieuwe en vooral méér Vrienden te werven wordt steeds vaker over de grenzen gekeken, liefst naar Amerika. Het mecenaatsprogramma van OCW start eind september met workshops van de fundraisers van het Museum voor Modern Art in New York.

Uit Amerika komt ook de strategie om je Vrienden onder te verdelen in cirkels. Hoe meer je betaalt, hoe meer je mag doen. Het Rijksmuseum heeft nu een driedeling: Schutters (die jaarlijks 75 euro met zijn tweeën betalen), Vaandeldragers (250 euro) en Patronen (1000 euro). De Patroon mag bijvoorbeeld naar ‘het jaarlijkse Rijksmuseumdiner’.

Ook zijn er strategieën voor verjonging. De vereniging Rembrandt – dat typische 19de-eeuwse burgerinitiatief, bedacht om dure kunstaankopen van musea financieel te ondersteunen – heeft sinds kort een jonge ‘Titus Cirkel’. Ook diverse orkesten hebben een speciale ‘jonge Vriendenvereniging’ opgericht. Waarbij moet worden opgemerkt dat met ‘jong’ in de kunstsector over het algemeen vanaf veertig jaar wordt bedoeld.

Activiteiten in ruil voor een donatie lijken de kern van de nieuwe aanpak te vormen. De Vriendenvereniging van het Gelders Orkest bestaat in september vijftig jaar. In de jaren tachtig was de Vereniging al sterk, en heeft ze het met opheffing bedreigde orkest geholpen. Maar pas de laatste twee jaar heeft ze een enorme groei doorgemaakt. Het ledental is in vier jaar met 16 procent gegroeid naar 1906.

Activiteiten, zegt voorzitter Dick van der Meer, hebben daar voor gezorgd: de Vrienden krijgen de solist na afloop bij de borrel, de dirigent geeft van tevoren uitleg. ‘Publiek bindt zich tegenwoordig minder snel dan vroeger. Je moet er echt iets voor doen.’ ‘Met de juiste werving en inspanning’, zegt het hoofd marketing van het orkest, past Vriendschap ook nog in ‘deze tijd van individualisten en een zap-cultuur’.

Dankzij extra inspanningen, aldus de woordvoerder van het Rijksmuseum, krijgt de particuliere donateur gevoelens van ‘exclusiviteit’: ‘Als Vriend krijg je wat een ander niet krijgt.’ Juist ‘in deze tijd met een overgroot cultureel aanbod willen bezoekers persoonlijk aangesproken worden’.

Of zoals Rijksmuseumvriend Ruud Weggemans (56) het formuleert: ‘Ik ben Vriend omdat ik het leuk vind om ergens naar toe te kunnen gaan. En het is óók nog verantwoord.’ In die zin is er in de nieuwe strategieën ook weer niet zoveel veranderd sinds de 19de eeuw. Betrokkenheid bij kunst, omdat je er zelf ook wat aan hebt. Gaf het toen status, nu ‘een avondje uit’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden