'Vooral maar het tegenovergestelde roepen. Heb ik altijd gehad'

Spelen deed de rusteloze, ambitieuze Daan Schuurmans (38) altijd al. Het ging beter toen hij inzag dat hij het moest beperken tot het theater en de filmset....

tekst Steffie Kouters en  Rob Hornstra

Daan Schuurmans was pas 2 toen zijn moeder een glimp zag van wat hijzelf later zijn talent zou gaan noemen. Het gezin zat achter een windscherm, aan het strand van Noordwijk, op een zinderende dag. Een zeevlam stak de kop op, een sterke mist die plotseling over zee komt aanzetten. Het werd ijskoud; alle strandgangers trokken zich rillend terug achter hun scherm. Plotse stilte op het strand. Totdat de kleine Daan zijn hoofd boven het scherm uitstak en begon te lachen, harder en harder. De buurman schoot ook in de lach. Een scherm verder begon er nog iemand te lachen. Ineens lachte iedereen.

Twaalf jaar later maakte Daan Schuurmans zijn eigen filmpjes – geïnspireerd door de Ikon. ‘Daar hadden ze van die documentaires over mensen met problemen. Ik rende naar beneden als mijn zusje riep: ‘Er is weer wat van de Ikon!’’

Hij zette een camera op het dak van zijn ouderlijk huis, stopte een kussen onder zijn T-shirt en interviewde zichzelf in de rol van een vrouw met een eetstoornis, die eindelijk weer op zichzelf mocht gaan wonen. Daan liet haar strijken, en rondwandelen, met een handtas aan haar arm. Tussendoor beantwoordde de dikke mevrouw Schuurmans vragen van vasthoudend interviewer Schuurmans: ‘Of het haar was bevallen, in die afhankelijkheidswoning, dat soort dingen.

‘Ik schijn dictatorachtig streng geweest te zijn bij het maken van mijn filmpjes. Mijn moeder kwam een keer met haar autootje het beeld inrijden. Ik roep: ‘Mama, je rijdt dwars door mijn shot!’ Je ziet haar zo achteruit het shot weer uitrijden.’ Jongensachtige lach. ‘Anderen zeggen weleens tegen me: ‘Ik wilde eigenlijk ook acteur worden.’ Dan denk ik: da’s onzin. Je wordt geen acteur. Dat bén je.’

Een docent van de toneelschool zei over je: ‘Als Daan niet kan spelen, gaat hij dood.’ ‘En een andere zei: ‘Daan is een gevangene van zijn eigen talent.’

Grote uitspraken. ‘Ik heb er nog een: ‘Daan staat in contact met de demonen.’ Dat zei een leraar een keer tegen me na een voorstelling. Alsof ik werd geleid door iets. Ik begrijp wel wat hij bedoelde: dat ik boven mezelf was uitgestegen. Omdat je bezield raakt. Zodat het bijna vanzelf gaat.’

Het lijkt me ingewikkeld om overweg te kunnen met dat soort uitspraken – je moet het wel waarmaken. ‘En je ego kan er enorm opgeblazen van raken.’

Heb je daar weleens last van gehad? ‘Jawel. Dan zit het je spelen in de weg. Er zijn acteurs die niet lelijk durven te zijn. Komt ook voort uit zo’n opgeblazen ego. In 2006 speelde ik in Closer, bij het Nationale Toneel, een vrij donker stuk over vier dertigers in een grote stad, op zoek naar liefde. Ineens realiseerde ik me tijdens een scène dat ik niet wilde verliezen. Terwijl mijn rol er gewoon om vroeg voluit op mijn bek te gaan. Dat was het moment waarop ik dacht: alles moet anders. Alles moet anders.’

Afgelopen tijd speelde hij twee grote en bejubelde televisierollen, waarmee hij meteen afrekende met het beeld dat hij vooral een acteur voor het lichtvoetiger genre zou zijn, zoals in Costa! en Volle Maan. Daan Schuurmans was in januari te zien als de jonge prins Bernhard en is nu nog op televisie in de rol van Flip, zoon van Annie M.G. Schmidt.

Aarzelend, nadenkend: ‘Eigenlijk is het niet zo ingewikkeld naar je gevoel te luisteren. Je weet precies wat je wel of niet mooi vindt, wat je wel of niet moet doen. Maar er zijn veel factoren waardoor je soms ja zegt tegen... .’ Hij mompelt iets onverstaanbaars.

‘Ik vond het ontzettend leuk filmrollen te spelen. Dus ik ben een veelspeler geweest. Maar op zeker moment is alleen spelen niet meer genoeg. Het is nu heerlijk dit soort mooie rollen te spelen. De rol van Bernhard was uitdagender dan een aantal rollen die ik eerder heb gespeeld, laat ik het zo zeggen. Maar het is allemaal goed geweest – hieraan is een hele weg vooraf gegaan.’

Hij zag op tegen zijn optreden in Closer, ruim drie jaar geleden. ‘Ik merkte dat ik bijna koorts kreeg van het idee dat ik daar moest optreden. Zo nerveus en angstig.’ Acteur Schuurmans, lang het idool van jong Nederland, met name van de meisjes, ging in revisie bij het Nationale Toneel. ‘Ik vond het lullig, middelmatig, wat ik deed. Er was vrijblijvendheid ingeslopen. Terwijl: je kunt niet acteren op de automatische piloot. Financieel ging het heel goed met me. Maar ik weet nog dat ik in de sportwagen zat waarin ik toen reed, en dacht: dat leer moet niet te goed gaan zitten. Zoiets. Want je kunt daardoor enorm van het pad raken. Denken dat andere dingen belangrijker zijn dan de ontwikkeling van je talent. Het is een eeuwigdurende ontwikkeling. En die ontwikkeling stond stil. De boel was aan het verdorren.’

Hoe raakte je ego zo in de war dat het je spel in de weg ging zitten? ‘Er wordt een hoop over je geschreven. Mooie en slechte dingen. Dat doet iets met een mens, snap je? Die zes rare jaren van bekendheid, vanaf het moment dat ik in Costa! speelde – en ik ben helemaal niet goed in bekend zijn.’

Je moeder zei: ‘Hij gaat nooit naar premières.’ ‘Ik kom nooit op feestjes. Nooit gedaan ook. Ik ga alleen naar mijn eigen premières. Bekende Nederlander vind ik een verschrikkelijke term. Het is namelijk helemaal niks.’

Wanneer besefte je voor het eerst: ik begin een bekende Nederlander te worden? ‘Toen ik een prijs moest uitreiken voor de beste videoclip bij de TMF Awards, in 2001. Ik had net Costa! gedraaid. Beneden, in de catacomben van Ahoy, zeg ik nog tegen zo’n grote heftige roadie: ‘Stel dat het publiek me uitjouwt.’ Heel raar, maar daar was ik doodsbang voor; ik dacht echt dat het publiek boe zou roepen. ‘Dat zal wel meevallen’, zegt die roadie. Ik ging omhoog, en ik kreeg een applaus van veertienduizend toeschouwers, zo oorverdovend – zes minuten lang ging het door. Als een soort popheld werd ik onthaald. Toen dacht ik: Jezus, er is iets aan de hand. Castingdirector Job Gosschalk zei tegen me: ‘Hier worden mensen normaal gesproken anders van.’

‘Later heb ik de band nog een paar keer bekeken, uit fascinatie voor wat er nou precies was gebeurd. Iets in me riep: ‘Je bent waarschijnlijk heel bijzonder.’ Dan moet je gaan oppassen.’

Je hebt er even in geloofd? ‘Niet echt. Maar de realiteit is dat het je wel overkomt. Mijn moeder zei in die tijd weleens, als we ergens heen moesten waar veel mensen waren: ‘Ga jij nou maar niet mee, want dan wordt het weer zo’n toestand.’ Een Amerikaanse zei een keer tegen mij: ‘Fame is the devil.’ Dat is wel een beetje waar, ja. Iedereen heeft iets over je te zeggen, te denken.’

Bij het Nationale Toneel realiseerde hij zichzelf: nou, Schuurmans, er moet behoorlijk wat onderhoud worden verricht. ‘Alleen al fysiek. Dat roken. Tweeënhalf pakje per dag.’ Voorzichtig: ‘Wellicht dronk ik ook iets te veel. Ik heb dat ongebreidelde, een korte spanningsboog, slechte concentratie: overal van willen genieten en doen. Op een gegeven moment liep ik tegen een muur.’

Een ingewikkelde tijd. Waren de roddelbladen voorheen al erg gesteld op Schuurmans, hun overmatige interesse ontaardde in ‘idiotie’ toen hij zijn toenmalige beeldschone blonde vriendin en actrice Jennifer Hofmann verliet voor zijn beeldschone blonde tegenspeelster in Closer, Bracha van Doesburgh.

Terwijl je daarvoor in interviews verregaande uitspraken deed als: ‘Als ik niet met Jennifer trouw, trouw ik met niemand. Ze is mijn wederhelft. Het meisje van mijn dromen.’ Lachend: ‘Het was hevig, hè?’

Als je terugkijkt op wat je over haar en de ware liefde hebt gezegd, zou je kunnen denken: wat heb ik in godsnaam toch allemaal beweerd? ‘Het gekke is dat ik bij Bracha helemaal niet de behoefte heb om al die dingen te roepen. Maar ze heeft me geleerd naar mezelf te kijken. We zijn een soort molenstenen die zich aan elkaar slijpen. En dat is niet alleen de liefde op zich, maar ook de liefde die we delen voor het vak.’

Ga je weer. ‘Ja, ga ik weer. Maar onze ontmoeting heeft ook echt een kleine aardverschuiving in mijn bestaan veroorzaakt. In al mijn drama belde ik ’s nachts een bevriende regisseur, Shireen Strooker: ‘Ik ben verliefd geworden op Bracha.’ Toen zei zij: ‘Je bent een pad ingeslagen. Je bent aan een queeste begonnen.’

‘Bracha heeft me ook heel triviale dingen geleerd. Drie keer per dag eten. Ineens zat ik ’s avonds om half zeven aan tafel. Op tijd naar bed. Ritme. Regelmaat. Van het roken ben ik nu helemaal af, terwijl ik als Bernhard en Flip veel moest roken. Maar het lukt me nu om alleen het karakter te laten roken. Ik besefte: ik heb die stem keihard nodig, ik heb dat lijf keihard nodig, ik moet me, als een monnik, wijden aan wat ik doe.’

Zijn moeder was logopediste en is nog steeds amateur-actrice, zijn vader was journalist. Hij reisde de wereld over voor de actualiteitenrubriek Brandpunt, was correspondent in Londen en hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden. Op zijn 56ste overleed hij aan kanker. ‘Tegen de huisarts zei ik, toen mijn vader net was overleden: ‘De magie mag niet verloren gaan.’ Ik vond mijn vader een magische figuur. Het was een enorm verdriet. Ik realiseerde me zo goed wat ik was kwijtgeraakt. Nu, na twaalf jaar, kan ik zeggen dat ik het enigszins heb verwerkt. Ik kan ermee omgaan. Maar het blijft jammer dat hij er niet meer is.’

Hij stuurde je vijfhonderd brieven toen je op de toneelschool in Maastricht zat – ongelooflijk. ‘En achteraf gezien ook wel beklemmend. Zeker op zo’n toneelschool moet je natuurlijk lekker in de anonimiteit leven en dronken worden. Maar hij stond elke dag in de gang, bij wijze van spreken, met zo’n brief. Ik moest hier aan denken en daar aan denken. Die adviezen klopten ook bijna allemaal. Het was een razend intelligente man, die precies wist in welke fase van mijn ontwikkeling ik zat. Maar het was verstandig geweest dat zelf te ervaren.’

Toch: vijfhonderd brieven. Jij moet ook voor hem speciaal zijn geweest. ‘We begrepen elkaar zonder woorden, vlak voor zijn dood. Hij wilde eigenlijk helemaal niet meer eten, maar hij hield altijd erg van Indonesisch eten. Toen heb ik zes Indonesische hapjes op een theelepeltje gelegd. Die at hij.’ Geïrriteerd, tegen zichzelf: ‘Wat een onzinvoorbeeld. Weet ik het.’ Denkt na. Dan: ‘We hadden allebei dat gepassioneerde, voor ons vak. Die ambitie. Daar had het mee te maken. In het sturen van al die brieven zat ook iets van: mijn zoon zál succesvol zijn. Zo is het ook wel weer.’

Besef je nu. ‘Dat neem ik hem ook absoluut niet kwalijk. Ik weet alleen niet of ik met mijn zoon hetzelfde zou doen. Maar hij heeft vanuit zijn achtergrond moeten vechten voor alles wat hij voor elkaar heeft gebokst. Mijn leven lang ben ik op zoek geweest naar mensen die het antwoord hebben. Mijn vader kon in elk geval goed voorwenden dat hij het had. Die houding was zijn manier om in het leven te staan. Nu realiseer ik me dat hij zeker niet op alles een antwoord had. Zijn moeder overleed toen hij 2 was, in de oorlog. Hij werd opgevoed door zijn vader en een stiefmoeder die niet zo verschrikkelijk aardig was voor die kindertjes. Mijn vader was dus al jong zijn veiligheid kwijt. Daar kwam zijn vechtlust vandaan. Hij heeft zo veel verdriet gehad als jongetje dat hij alles deed om mijn zussen en mij te behoeden voor verdriet.’

Terwijl je kinderen niet overal tegen kunt beschermen. ‘En een groter verdriet dan dit kon ons niet overkomen.’

Dan: ‘Hij is gegaan als een vent, zou je kunnen zeggen. Het leek soms of hij boven de materie stond. Ik weet nog dat ik sigaretten mee smokkelde naar het ziekenhuis, en cognac. ‘We moeten dit maar als mannen bekijken’, zei hij, terwijl ik met mijn benen over hem heen op bed stond en mijn leren jasje voor de rookmelder hield.

‘Mijn vader zei altijd dat mijn moeder als een leeuwin over haar welpen waakte, maar hij schiep de omstandigheden. ‘Binnen, in het hutje bij Bruidje, moet het veilig zijn, ik jungle wel naar buiten.’ Hij bracht dat heel mannelijk, bijna macho – hij was dan ook een groot liefhebber van Hemingway. Mijn vader kon paniekerig raken als ik hem op kwetsbaarheden durfde te wijzen, als ik zei: ‘Hou nou eens op met dat harde gedoe.’ Misschien zat die houding van hem me ook wel dwars. Was het een obstakel voor me als acteur. Ik heb moeten leren figuren te spelen die mijn vader geen helden zou hebben gevonden.’

Je wilde onbewust personages spelen tegen wie je vader zou opkijken. ‘Mijn zusje Charlotte, die later psycholoog is geworden, zei in die tijd: ‘Het lijkt wel alsof je het estafettestokje hebt overgenomen.’ Ik heb jaren voor hem geleefd – die magie moest doorgaan. Hij was natuurlijk een moedige man. Maar er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Dat was iets wat hij niet helemaal Hij vond: je moet het zo doen, anders gaat het fout. Erg zwart-wit. Als ik even in de put zat, wat een functie heeft, zei hij meteen: ‘Niet zo edgy doen, niet zo piekeren. Pas later heb ik me gerealiseerd dat in dat piekeren hele hoofdstukken zaten, die ik heb moeten overslaan.

‘Hij stuwde me op in de vaart der volkeren. Ik tenniste vrij redelijk en dan zat hij langs de kant te kijken. We moesten altijd lachen om de jongens die arriveerden met vijf rackets en allerlei verzorgers. Ik kwam aan met één racket zonder hoesje eromheen. En ik won die partijen. Hij hoefde van tevoren maar een paar dingen te zeggen, een kleine aanwijzing te geven. Dan hoorde ik hem kuchen, terwijl ik een tennisser stond te imiteren. Want ik stond natuurlijk niet op baan 7 van OLTC te spelen, maar ik stond daar als John McEnroe op het Centre Court Wimbledon te winnen, het zweet gutsend van mijn voorhoofd.’

Je speelde – ook in het dagelijkse leven. ‘Ik denk dat zelfs mijn columns daarvan een voortvloeisel waren.’

Hij doelt op de stukjes die hij tweeënhalf jaar lang schreef voor Televizier en die opvielen door zijn niet-politiek correcte standpunten. Daan Schuurmans ergerde zich aan vredesactivisten en vroeg ze om met een alternatief te komen voor oorlog; nadat Al Qaida zijn ‘grotere broer’ Amerika had aangevallen schaarde hij zich achter de troepen in Afghanistan en toen Volkert van der G. klaagde dat het licht in zijn cel altijd aanbleef, schreef de columnist dat hij weleens stiekem wenste dat de moordenaar van Fortuyn de rest van zijn leven zou doorbrengen in een donkere kerker.

‘Dat onschuldige blaadje had me gevraagd stukjes te schrijven over de feestjes waar ik allemaal naartoe ging. Maar ik ga nooit naar feestjes, hè. Dus ik maakte er een politieke column van.’

Je betrok standpunten die bij links-cultureel Nederland weinig populair zijn. ‘Ik denk niet in links of rechts. Achteraf gezien kwamen die uitspraken vooral voort uit angst. Primitieve verontwaardiging. Die verminking van New York, een gerichte aanval op burgers, op onze vrije, westerse wereld, vond ik een verschrikkelijk beeld.’

Ineens: ‘Ik blijf het ongelooflijk vinden dat iemand een pistool pakt en Pim Fortuyn doodschiet. Echt ongelooflijk. En ik snapte de verontwaardiging niet over wat ik had geschreven, begrijp je? Kennelijk was het erg kort door de bocht van me.’

Er zat ook wel iets recalcitrants in. ‘Vooral maar het tegenovergestelde roepen. Heb ik altijd gehad. Als mensen zeggen: je mag niet aan die steentjes komen, ging ik juist aan die steentjes zitten.’

Hoe slijt dat? ‘Uiteindelijk kom je erachter dat je het allemaal niet zo goed weet – de waardevolste ontdekking die ik de afgelopen jaren heb gedaan.

‘Ik speelde de tennisser. Ik speelde de harde columnist. En dat spelen in het gewone leven kanaliseer ik nu langzaam naar het theater en de filmset. Naar mijn echte werk.’

Iemand zei: ‘Daan Schuurmans is een poseur.’ ‘Dat denk ik wel, een beetje, ja. Tenminste dat moet je nooit over jezelf zeggen, eigenlijk. Maar we zijn allemaal poseurs. Allemaal.’

De een meer dan de ander. ‘De een doet het beter, uitvoeriger, dan de ander. Of onopvallender – het is maar hoe je het bekijkt.’

Maar het begint er dus af te raken, bij jou. ‘Misschien. Ik heb ook moeten leren omgaan met al die aandacht, natuurlijk.’

Hij vertelt over een nieuwe film, waarvoor hij is benaderd – nog even wachten wat ervan komt. En hij heeft een speelfilm gedraaid in Duitsland – kijken wat dat oplevert. ‘Die Duitsers maken toch wel heel mooie films.’

En Amerika? Lichte blos. ‘Nou ja, elke dag sta ik’

Ja? ‘Open voor een telefoontje uit Amerika. Alleen al die stad, Los Angeles. Al die mensen die zeggen: ‘Ik moet er niet aan denken in LA te wonen.’ Ik vind het daar heerlijk. Maar om green cards en visa te krijgen moet ik geloof ik zestien beroemde acteurs strikken die zeggen dat ik iets voor het land kan betekenen. Dus ik hoop maar dat er een film langskomt die het op een festival goed doet en dat Francis Ford Coppola’ Lacht: ‘Het is een jongensdroom, natuurlijk.’

Dan: ‘Mijn vader dacht misschien dat hij me een short cut kon laten zien, een snellere, makkelijkere route. Mijn moeder zegt: ‘Je moet een lange weg bewandelen.’ En daarin heeft ze volkomen gelijk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden