Bericht uit Zuid-KoreaJeroen Visser

Voor relativering is in Seoul even geen ruimte

Desinfecterend middel in de metro van Seoul.Beeld AP

Een beetje onwennig nog sta ik met mijn mondkapje op bij de bushalte. Nee, comfortabel zou ik het niet willen noemen. Het ademt zwaar en het wordt eronder al snel een beetje klef warm. Maar het is vooral niet fijn om de hele tijd een stukje stof over je mond en neus te hebben.

Om geen paria te worden in Zuid-Korea heb je dezer dagen eigenlijk geen keus. Als je geen mondkapje draagt ben je asociaal, want dan ben je een gevaar voor anderen. ‘Dit keer wel een mondkapje opdoen, hè’, sms’t mijn fotograaf voorafgaand aan een interviewafspraak. Tijdens een vorige reportage werden we aangesproken door een oudere mevrouw: of die buitenlander alsjeblieft de Koreanen niet in gevaar wilde brengen.

Dat de mondkapjes maar weinig zin hebben – omdat ze niet helemaal aansluiten op je gezicht kan het virus er gemakkelijk langsglippen – daar hoef je hier niet mee aan te komen. De regering vaardigde deze week zelfs een exportverbod af. En inwoners van de stad Daegu, het epicentrum van de Koreaanse coronabesmetting, stonden deze week uren in de rij voor een supermarkt, omdat de mondkapjes daar voor de helft van de prijs werden verkocht. Voor de duidelijkheid: dit zijn dezelfde mensen die al een week zo veel mogelijk binnenblijven uit angst om besmet te worden.

Ook in de hoofdstad Seoul wordt geen enkel risico genomen. De scholen zijn gesloten, net als musea en overdekte speelplaatsen. In de stadsbussen hangen al weken flesjes met desinfecterende gel. Thuiswerken wordt aangemoedigd, de gebruikelijke files zijn verdwenen. Als ik met mijn kinderen in de speeltuin ben, verschijnen twee gemeentewerkers die de schommel en de wipwap beginnen te desinfecteren. De eerste man spuit een goedje op de toestellen, de tweede veegt ze af met een doekje.

Je kunt je afvragen of al die maatregelen wel even zinvol zijn. Tot dusver zijn rond de vijftig inwoners van Seoul besmet geraakt, dat is niet veel op een inwonersaantal van tien miljoen. Meer dan twintig coronapatiënten zijn inmiddels gezond verklaard.

Maar voor dit soort relativering is nu weinig ruimte. Als ik een andere ouder voorstel een speelafspraak te maken, zegt ze dat haar man wil dat hun kinderen nu ‘zo weinig mogelijk contact’ met anderen hebben. Die moeten dus nog een paar weken (of maanden) binnenblijven, ben ik bang.

Toegegeven, het ís soms ook eng. Anderhalve week geleden stond de teller in Zuid-Korea op vijftig besmettingen, nu zijn het er meer dan tweeduizend. Een groot deel van de patiënten is lid van een religieuze gemeenschap met sektarische elementen die verspreid over Zuid-Korea zeker 210 duizend leden heeft. Misschien is het huidige aantal dus slechts het topje van de ijsberg. En wie hebben de kerkleden op hun beurt allemaal besmet?

Toen ik woensdag aankwam op het perscentrum in Seoul, bleek een deel van de begane grond afgezet met waarschuwingslint. Alle bezoekers werden langs een tafel geleid waaraan een man met een infraroodcamera controleerde of niemand koorts had. De reden: de dag ervoor had een coronapatiënt, vlak voordat het virus bij hem ontdekt werd, op de dertiende verdieping een vergadering bijgewoond. ‘Het is oorlog’, zei een bekende van me die ik tegenkwam in de lift. En, zonder ironie: ‘Een nieuw tijdperk is begonnen.’

Die dag aarzelde ik nog wel een paar keer voordat ik de liftknopjes indrukte. En vond ik het ineens erg ongemakkelijk om naast een rochelende oude man in de lift te staan. Toen ik naar huis ging, was ik zelfs even blij dat ik een mondkapje bij me had.

Jeroen Visser is Volkskrant-correspondent in Seoul. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden