Beschouwing Picturalisme: Een vergeten stroming

Voor picturalisten hoefde een foto niet slechts slaafs de werkelijkheid weer te geven, het kon ook kunst zijn

Het picturalisme, nu te zien in het Fotomuseum Den Haag, gold lange tijd als een vergeten Nederlandse fotografiestroming. Hoe is dit zo gekomen? En is het terecht?

Emmy Andriesse, Fietsers over de treinrails, Den Haag, ca. 1935-1937. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

Een spelletje. Ik zeg ‘picturalisme’ en dan zegt u? Er zijn grofweg twee mogelijkheden: a) u zegt helemaal niets, of b) u mompelt iets in de trant van ‘vaseline op de lens’. Ziedaar in een notendop het imagoprobleem van een vergeten Nederlandse fotografiestroming uit eind 19de, begin 20ste eeuw.

Daar moet maar eens verandering in komen, vindt Maartje van den Heuvel (51), de opgeruimde conservator fotografie bij de Bijzondere Collecties van Universitaire Bibliotheken Leiden, waar de belangrijkste verzameling van Nederlandse picturalistische fotografie is ondergebracht. In Fotomuseum Den Haag stelde Van den Heuvel de tentoonstelling Fotografie wordt Kunst. Photo-Secession in Holland 1890-1937 samen. Het is een klein, maar fijn historisch overzicht van het picturalisme, onderdeel van een internationale beweging die vaak Photo-Secession wordt genoemd, zoals ze in het toen belangrijke Wenen en in de Verenigde Staten heette. Op allerlei manieren, met behulp van ingewikkelde afdruktechnieken, ‘schilderachtige’ filters en dik, aquarelachtig fotopapier, poogden de picturalisten de fotografie los te weken uit de toegepaste hoek. Een foto hoefde niet slechts slaafs de zichtbare werkelijkheid weer te geven, vond men. Een foto kon ook kunst zijn.

Dat klinkt in deze tijd helemaal niet raar. Voor veel hedendaagse fotografen uit allerlei hoeken (Erwin Olaf, Machiel Botman, Satijn Panyigay, om er een paar te noemen) is een foto eerder een kunstwerk of een autonoom object dan een documentair beeld van de tijd. Een foto kan geënsceneerd worden, onscherp gemaakt of beschilderd. En ook niet-fotografen, u, ik en vooral onze kinderen, gebruiken Instagramfilters bij de vleet om onze zelfportretten er toch vooral zo expressief mogelijk uit te laten zien. Wij zijn allen picturalisten, zonder het zelf te weten.

Want wie kent de allereerste kunstfoto’s van Nederland? De romantische boerentaferelen van Berend Zweers, de kooldrukken van C. Lous en Abraham Weinberg, de fotografische experimenten van Henri Berssenbrugge? Juist. Het picturalisme is heel lang (‘te lang’, volgens Van den Heuvel) onbekend gebleven. En onbemind. Want werd de stroming weleens aangehaald, dan was dat vaak in negatieve zin: je weet wel, van die tuttige fotografen die schilders nadeden en expres onscherpe beelden maakten. De aanstellers.

Hoe is dit zo gekomen? En belangrijker: is het terecht? Loopt u even mee.

Adriaan Boer, zonder titel, ca. 1900-1920. Collectie: Universitaire Bibliotheken Leiden Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden
Johan Huijsser, Molen in besneeuwd landschap, ca. 1920. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit zijn twee voorbeelden van hardcore klassiek picturalisme. Wie denkt dat de fotografiebeweging vooral bestond uit fotografen die schilderijen ‘namaakten’ met de fotocamera, zal nu tevreden ‘zie je wel’ roepen. Want kijk: aan de ene kant iemand die een 17de-eeuwse Vermeer vertaalde in een foto, en aan de andere kant een fotograaf die zo nodig de camera moest gebruiken om een typisch schilderkunstig genrestuk (‘Molen in besneeuwd landschap’) op kitscherige wijze vast te leggen, alsof het ook echt een schilderij is en geen foto.

Die reactie snapt Van den Heuvel wel een beetje. Echt vernieuwend ziet dit er niet uit. Toch zijn Adriaan Boer en Johan Huijsser, vertelt ze, belangrijk geweest voor de groei van het picturalisme en de ontwikkeling van de foto als autonome kunstvorm. Boer was de oprichter van de tijdschriften Camera (1908) en Focus (1914, een fotoblad dat nog steeds bestaat), en voorzitter van de Nederlandsche Club voor Fotokunst. En bovendien, zegt Van den Heuvel, kijk eens even hoe mooi hij het tafereel belichtte, waardoor zijn foto meteen een geheel wordt. En kijk vooral ook wat langer naar de foto van Huijsser. Die wilde met zijn broomolieoverdruk, een zeer bewerkelijke afdruktechniek, benadrukken dat het maken van een foto geen kwestie was van klikken en gewoon weer doorgaan. Nee: fotografie was, net als schilderkunst, een ambachtelijke kunstvorm waarin ‘stemming’ en ‘sfeer’ twee sleutelbegrippen waren.

George H. Breitner, Liggend naakt met zwarte kousen, ca. 1895. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

Wat, behoort schilder George Hendrik Breitner ook tot het picturalisme? Nee hoor, zegt Van den Heuvel. Maar stiekem maakte de schilder met dit abstract ogende naakt een van de eerste kunstfoto’s van Nederland. Dat zat zo. De chroniqueur van het Amsterdamse stadsleven gebruikte graag foto’s als studiemateriaal voor zijn beweeglijke, impressionistische werk en was geïnteresseerd in de visuele effecten die fotografie met zich meebracht. Maar in zijn tijd werd schilderkunst nog altijd gezien als de hoogste vorm van kunst. Vandaar dat Breitner zijn foto’s niet als kunstobjecten presenteerde (bij het afdrukken prikte hij ook gewoon punaises in het papier, je ziet de omtrekken nog zitten) en de meeste braaf vertaalde naar schilderijen.

‘Maar’, zegt Van den Heuvel, ‘het schilderij dat hij van dit liggende naakt maakte, háált het niet bij de foto.’ Deze foto, zegt ze, ‘oogt abstract, bijna surrealistisch. Het gaat hier niet, zoals in de klassieke schilderkunst, over het aannemen van een mooie pose, maar over het spel van lijnen en vormen op het platte vlak, over compositie en het contrast tussen licht en donker.’ Stuk voor stuk modernistische overwegingen die maakten dat de foto niet langer in dienst stond van de zichtbare werkelijkheid, maar dat de zichtbare werkelijkheid diende als speelveld voor de foto.

Henri Berssenbrugge, Bleekveld, 1914. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

Ook voor Henri Berssenbrugge werd de fotografie een steeds belangrijker medium. Net als Breitner was hij geschoold als beeldend kunstenaar. En hoewel hij later in zijn fotografische carrière steeds experimenteler werd, liet hij zich in het begin nog inspireren door de traditionele Nederlandse schilderkunst. Dat betekende vooral: kleine, alledaagse onderwerpen. ‘Geen koningen en goden’, zegt Van den Heuvel, ‘maar de koeienstal en de keuken.’ Wat dat betreft is deze foto van een vrouw die de was uitspreidt op het gras een klassiek picturalistisch werk, net als de foto’s van Adriaan Boer en Johan Huijsser dat waren. Toch zijn er, met dat eerdere modern ogende naakt van Breitner in het achterhoofd, ook elementen te ontdekken die erop wijzen dat Berssenbrugge al voorzichtig de vernieuwende mogelijkheden van de fotografie aan het verkennen was. Hij was duidelijk gefascineerd door het contrast van de witte was op het donkere gras en reserveerde een belangrijk deel van de foto voor het abstracte vlakkenspel op de voorgrond.

Henri Berssenbrugge, Fotogram, 1928. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

We maken een sprong in de tijd. Dit is een foto van de Amerikaanse fotograaf Man Ray, zou je zeggen, of van de Nederlandse fotograaf en typograaf Piet Zwart – in elk geval van iemand die duidelijk beïnvloed was door de moderne experimenten van het Russische constructivisme, dat in de jaren twintig populair werd en zich bediende van gekke hoeken, abrupte afsneden, fotocollages, fotogrammen, et cetera. En nou ja, daar wérd deze fotograaf ook door beïnvloed – alleen: die fotograaf is Henri Berssenbrugge. Dezelfde man die veertien jaar eerder het schilderachtige bleekveld vastlegde, de picturalist in hart en nieren. Blijkbaar maakte die in ruim tien jaar een enorme ontwikkeling door. Deze duizelingwekkende foto van zwierend glaswerk heeft nauwelijks meer iets te maken met klassieke schilderkunst, maar alles met een moderne, frisse nieuwe blik op de werkelijkheid. Het is de blik van... 

Piet Zwart, Radio Mast Kootwijk, 1932. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden
Emmy Andriesse, Fietsers over de treinrails, Den Haag, ca. 1935-1937. Beeld Universitaire Bibliotheken Leiden

...Piet Zwart. En daarmee zijn we bij het pijnpunt van dit verhaal gekomen. Zwart is de man die na de Tweede Wereldoorlog korte metten maakte met het picturalisme ten faveure van de Nieuwe Fotografie. Dat is de avant-gardistische beweging die na de oorlog uitgroeide tot dé fotografiestroming van Nederland: zwart-wit, grafisch, met radicale standpunten (heel hoog of juist heel laag) en met een uitgesproken journalistieke en sociaal-maatschappelijke blik. Voorbeelden zijn Emmy Andriesse, Eva Besnyö en Piet Zwart zelf. Fotografen als Adriaan Boer hadden het nakijken.

Maartje van den Heuvel drukt zich diplomatieker uit. Zij zegt dat de geschiedenis, dus ook die van de fotografie, nu eenmaal in golven gaat en dat in Nederland de Nieuwe Fotografie het picturalisme heeft overspoeld. Maar feit is dat de zeer invloedrijke Zwart, om redenen die nooit helemaal duidelijk zijn geworden, meende het picturalisme te moeten afdoen als een ondergeschikte kunstvorm die zich bediende van ‘vodden in de lens’, destijds blijkbaar het equivalent van vaseline. En dat terwijl de scheiding tussen de twee fotografiestromingen, zo blijkt uit de tentoonstelling in het Haagse Fotomuseum, helemaal niet zo hard was als Zwart beweerde.

Sterker nog, schrijft Van den Heuvel in de tentoonstellingscatalogus: het werk van Henri Berssenbrugge, en zelfs dat van Johan Huijsser, mag dan conventioneel van onderwerp zijn geweest, in hun foto’s zijn ook veel ‘aanzetten tot een modernistische vormentaal’ te vinden. En de Nieuwe Fotografen bedienden zich op hun beurt ondanks hun hypermoderne blik nog dikwijls van oude, schilderkunstige onderwerpen, zoals het boerenleven en het stadsgezicht.

Kijk nog maar eens naar die molen van Huijsser. Anders dan een schilder van de Haagse School had gedaan, legde de fotograaf zijn onderwerp van de zijkant vast, zodat de wieken onzichtbaar bleven. Als een ‘buitenaards, onwezenlijk element’ staat het ding in het duistere, besneeuwde landschap‘Verrassend’, vindt Van den Heuvel. ‘Deze foto is heel duidelijk een tussenvorm, een overgang van de klassieke, op de schilderkunst geïnspireerde fotografie naar een modernistische vorm.’ 

Met het terzijde schuiven van het picturalisme en het brandmerken van de picturalisten als fotografen die alleen maar goed waren in het na-apen van schilders, werd het begin van de kunstfotografie in Nederland zomaar uitgewist. ‘Zo gaat dat met de avant-garde’, zegt Van den Heuvel. ‘Je gooit het oude weg en begint aan iets nieuws. Ik heb veel waardering voor Piet Zwart en voor wat hij heeft betekend voor de Nederlandse fotografie. Als hij niet zo’n extreme positie had ingenomen, was veel vernieuwing waarschijnlijk niet van de grond gekomen. Maar laat ik het zo zeggen: we kunnen nu de geschiedenis nuanceren en de mensen die in de vergetelheid zijn geraakt weer boven water halen. Al is het alleen maar zodat de kunstfotografen van nu kunnen zien wie hun voorgangers waren.’

Fotografie wordt Kunst. Photo-Secession in Holland 1890-1937, t/m 8/12 in Fotomuseum Den Haag. 
Catalogus (uitgeverij W Books) € 24,95.

Totaal onbekend

Veruit de mooiste foto’s op de tentoonstelling Fotografie wordt Kunst in Fotomuseum Den Haag werden gemaakt door de totaal onbekende C. Lous en Abraham Weinberg. Beiden waren bedreven in de kooldruk, een fototechniek die ontstaat wanneer een laag met koolstof gepigmenteerde gelatine op lichtgevoelig papier wordt aangebracht en na diverse waterspoelingen een beeltenis achterlaat die de tand des tijds moeiteloos doorstaat. ‘We weten zo weinig over het werk van deze fotografen’, zegt conservator Maartje van den Heuvel. ‘Misschien mag ik een oproep doen? Is er nog een familie Lous, een familie Weinberg, en hebben die misschien nog van deze fantastische afdrukken in huis? Er moet nog zo veel meer kennis en informatie zijn.’ Bij dezen.

Een eerste tentoonstelling

In 1908 mocht de kunstfotografie het museum in. In dat jaar vond in het Stedelijk Museum in Amsterdam de eerste grote Internationale Tentoonstelling van Foto-Kunst plaats. Dat was een grote stap voor de picturalisten, ook al werd hun tentoonstelling dan niet georganiseerd door het museum zelf, maar door de Amsterdamse amateurfotografenvereniging. Op overzichtsfoto’s van die expositie is te zien hoe internationaal actief de fotokunstbeweging was; er waren deelnemers uit onder meer Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Oostenrijk-Hongarije, Australië en Rusland. Nederland werd vertegenwoordigd door 39 fotografen: 37 mannen en twee vrouwen, onder wie koningin Wilhelmina.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden