Achter het boek Oek de Jong

Voor Oek de Jong is elke roman een afdaling in zijn onderbewuste

Hoe schrijft de schrijver? Oek de Jong (66), wiens nieuwe roman Zwarte schuur deze maand verschijnt: ‘Elke roman is uiteindelijk een afdaling in je onderbewuste, een peiling van wat er spookt en leeft in de black box.’

Oek de Jong Beeld Ivo van der Bent

Oek de Jong schrijft al meer dan veertig jaar over Oek de Jong, maar als ‘beelddenker’ transformeert hij zijn ervaringen zodat er een nieuw, eigen universum ontstaat. Van het gereformeerde geloof van zijn ouders nam hij afstand, het verlangen naar bevrijding bleef. Al op zijn 15de wist hij dat hij wilde schrijven, vanaf zijn 18de stortte hij zich daarop. Met zijn romandebuut Opwaaiende zomerjurken brak hij in 1979 meteen door. Na een tweede succes belandde hij in een diepe depressie. Het isolement en de wens om dat te doorbreken is een terugkerend thema in zijn werk. De zee is daarin altijd aanwezig. Komende week verschijnt zijn nieuwe roman, Zwarte schuur.

Hij ontvangt zijn bezoek in een grachtenpand midden in het drukke centrum van Amsterdam. Maar in zijn schrijfkamer in het achterhuis, dat uitkijkt op een dichtbegroeide binnentuin, heerst een serene rust. Met zijn grote, sterke lichaam beent De Jong (66) kwiek de trap op. Hij had het talent om volleyballer te worden, maar de drang om te schrijven was sterker.

Waarom wilde u dit boek schrijven?

‘Ik liep al jaren rond met het beeld van een jongen die door andere jongens in elkaar wordt geslagen. In mijn vorige roman, Pier en oceaan, kon ik het niet verwerken omdat dat trauma dan het hele boek zou zijn gaan beheersen.’

Hoe kwam u bij dat trauma?

‘Het gaat terug op een dreiging die ik als jongetje op Zuid-Beveland heb gevoeld. Wij kwamen uit Friesland en waren in Zeeland allochtonen. Mijn moeder weerde de buitenwereld af, ze vond geen aansluiting. Die onmacht droeg ze over op haar kinderen. Wij waren een in onszelf gekeerd gezin.

‘Tot mijn 12de was ik klein en verlegen. Als ik tijdens mijn fietstochten over het eiland in de dorpen groepjes jongens passeerde, voelde ik altijd spanning. Ze zagen aan mij dat ik een vreemde was. Die afranseling is niet autobiografisch. Ik heb een kleine ervaring getransformeerd tot een drama.’

Wanneer wist u dat u schrijver wilde worden?

‘Rond mijn 15de. De drang om te schrijven was enorm, maar ik wist niet of het realiseerbaar was. Toen ik op mijn 18de naar Amsterdam verhuisde om kunstgeschiedenis te studeren, ben ik het serieus gaan aanpakken. Ik heb mezelf zeven jaar gegeven. Mijn vakanties heb ik eraan opgeofferd. In retraite in een koud huis in de Ardèche heb ik op mijn 22ste een soort oerverhaal geschreven, De onbeweeglijke, waarin een belangrijk thema van mijn werk zich meteen openbaarde.’

Wie is Oek de Jong?

Oek de Jong (1952) debuteerde in 1975 met ‘De onbeweeglijke Tze’ in Hollands Maandblad. In 1979 brak hij door met Opwaaiende zomerjurken en in 1985 boekte hij een tweede succes met Cirkel in het gras. Door een depressie kon hij jarenlang niet schrijven, maar in 1993 publiceerde hij een bundel mystieke verhalen, De inktvis. Na een bundel essays keerde hij in 2002 terug met de roman Hokwerda’s kind en in 2012 volgde het veelgeprezen Pier en oceaan. Na enkele essays, onder meer over de kunst van het schrijven, verschijnt deze maand de roman Zwarte schuur.

Thuis bij Oek de Jong in Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

Wat was dat thema?

‘Het verhaal ging over een man die naar onbeweeglijkheid streeft, omdat het leven hem verwart en beangstigt. Hij laat zich vastbinden in een stoel. Hoe hij eet en drinkt, blijft in het midden. Het andere personage is een jongeman die met hem hierover debatteert en hem uitdaagt.’

Die twee personages vertegenwoordigden uzelf?

‘Ja. Ik had mezelf opgesplitst. Maar in die tijd snapte ik dat nog niet.’

Is het schrijven een onderzoek naar uzelf?

‘Elke roman is uiteindelijk een afdaling in je onderbewuste, een peiling van wat er spookt en leeft in de black box. In autobiografisch schrijven ben ik niet geïnteresseerd. De anekdote beperkt mij, ik schrijf vanuit de verbeelding. Het laatste wat mij interesseert, is vertellen hoe iets werkelijk is gegaan. Als ik op die manier over mijn verleden schrijf, ben ik na vijftig pagina’s klaar. Als je ervaringen transformeert, gebeurt er iets heel anders. Dan kom je in een donker en tragisch gebied terecht, waar alles loskomt wat in mensen woelt.’

De autobiografie is de laatste jaren juist populair.

‘Omdat die een beroep doet op de nieuwsgierigheid en het voyeurisme van de lezer. Mensen houden ervan te gruwelen bij of troost te vinden in andermans ellende. Maar iemand die een traumatische gebeurtenis op papier zet, is nog geen schrijver. Meestal blijft het ook bij één boek.’

Hoe schrijft u?

‘Met een vulpen. De laatste versie op de computer.’

Wat is uw stijl?

‘Ik wil helder en licht schrijven en ben gesteld op ogenschijnlijke eenvoud.’

Hoe begint het schrijven voor u?

‘Meestal met een beeld. Daarin zit een cluster van gevoelens. Ik denk in beelden, begrijp dingen door beelden. In beelden zit van alles opgesloten. Dat is aangewakkerd door mijn gereformeerde opvoeding. Het Oude Testament vond ik als kind fantastisch. Een gedachte kun je overbrengen, maar een beeld komt – rang! – in één keer binnen. Het laat je iets voelen wat niet gezegd kan worden. Zo werkt het ook bij verliefdheid. Je ziet een vrouw, weet nog niets, maar valt voor haar. Pas later ga je begrijpen waarom dat is gebeurd.’

Als schrijver probeert u de betovering te rationaliseren door dat beeld?

‘Dat spreek ik tegen. Rationaliteit speelt bij het schrijven een ondergeschikte rol. In de eerste plaats beschouw ik schrijven als een daad. Een handeling, net als musiceren. Ik rommel eerst wat aan mijn werktafel en raak geconcentreerd, in een soort trance. Dan ontstaat er iets wat ik absoluut niet kan voorzien.’

Waarmee worstelt uw hoofdpersoon, Maris?

‘Met het feit dat hij op zijn 14de de dood van een meisje heeft veroorzaakt.’

Toch lijkt het geweld dat hij gebruikt voor hem ook bevrijdend.

‘Natuurlijk. Geweld ís bevrijdend. Hij kan de complexe erotische situatie met dat meisje niet aan en zit nog vol woede over de mishandeling die hij eerder zelf heeft ondergaan. Als je dingen te lang onderdrukt, spuiten ze er op een gegeven moment uit. Als kind had ik driftaanvallen, dat is een eigenschap van binnenvetters. Isolement is een rode draad, het hoort bij het dna van mijn werk, net als de zee en het water. Dit verhaal is ook weer aan alle kanten door de zee omgeven.’

De moeder van Maris is een boosaardig wezen.

‘Veel lijntjes in zijn leven beginnen bij haar. Zij is een harde, boerse vrouw die haar zoon slaat. Aan de ene kant maakt ze een prins van hem, aan de andere kant vernedert ze hem, omdat hij niet is zoals zij wil.’

In de werkkamer van Oek de Jong. Beeld Ivo van der Bent

Hoe kwam u bij die wrede moeder?

‘Die dingen stijgen op uit de diepte. Toen ik voor me zag dat zij Maris sloeg, dacht ik: o ja, dit is het. Nadat hij de dood van dat meisje heeft veroorzaakt, laat ze hem vallen. Hij wordt door haar niet gezien zoals hij is. Ze kan hem als verlegen kind niet accepteren, wil met harde hand een kerel van hem maken.’

Uw eerste boek, Opwaaiende zomerjurken, ging over het verlangen naar bevrijding.

‘Dat is een universeel menselijk gegeven. Net als de behoefte aan rust en schoonheid. Iedereen kent het verlangen zich helemaal los te maken. Van conventies, van remmingen, van de melancholie.’

Met dat debuut maakte u op uw 26ste meteen een wervelende entree in de literaire wereld.

‘Ik heb daar alles voor gedaan. Een enorme culturele achterstand ingehaald, keihard gewerkt. Maar mijn leven was te smal. Ik leefde geïsoleerd. Als een topsporter, heel strak: schrijven, schrijven, schrijven.’

Was het succes niet bevrijdend?

‘Literair succes verandert niets aan de problemen in je leven. Het maakt alles juist ingewikkelder. De buitenwereld legde een enorme druk op mij. Ik leefde in een kleine vriendenkring en opeens was ik top of the bill als schrijver. Na mijn tweede roman, Cirkel in het gras, hield het op.’

Wat hield op?

‘Het schrijven. Zelfs een briefkaart vond ik al moeilijk. Tegenwoordig zou je het een burn-out noemen. Ik had veel te hard gewerkt, had een rommelig liefdesleven, belandde aan de zelfkant van de samenleving. De episode in Zwarte schuur waarin Maris een verhouding heeft met een heroïnehoertje, gaat terug op die tijd. Ik heb nooit helemaal kunnen doorgronden wat er met me aan de hand was. Het was alsof mijn ziel was gestold.’

U heeft twee jaar in een tuinderij gewerkt met verstandelijk beperkten. Hoe heeft dat u uit het dal geholpen?

‘Iedereen die depressief is, raad ik aan om fysiek werk te doen. De beuk erin, dat helpt echt. Contact met de aarde doet wonderen. Door de omgang met verstandelijk beperkten heb ik in mezelf iets nieuws aangeboord. Iets in hen was verstoord geraakt, waardoor verbaal contact moeilijk was. De communicatie moest op een andere manier. Omdat deze mensen vaak zeer sensitief waren, werd ik gedwongen iets in mezelf open te maken.’

Daarna schreef u twee spirituele novellen.

‘Ik was geïnteresseerd geraakt in mystiek, vooral in het taoïsme, en zocht naar een vorm om dat te laten zien. Iedereen kent het fenomeen van de bevrijdende ervaring. Die kan worden opgeroepen door van alles. Door de natuur, drugs, een dans. Het heeft voor mij verder geen metafysische betekenis, maar ik beschouw het wel als onderdeel van het leven.’

Wat deed u tijdens het schrijven van dit mystieke werk dat u daarvoor niet deed?

‘O, dat is moeilijk.’ (Lange stilte)

Was u minder streng voor u zelf?

‘Een positief gevolg van het overwinnen van ellende is dat je meer empathie ontwikkelt. Dat je de pijn van anderen beter kunt zien en navoelen. De grote verandering in mijn leven was waarschijnlijk dat ik meer mededogen had, ook met mezelf.’

Die bundel kreeg vernietigende kritiek.

‘Ik kwam naar buiten met het gevoeligste wat ik had, en dat werd keihard de grond in getrapt. Dat was een pijnlijke ervaring. Het spirituele paste toen niet in de tijd. Tegenwoordig is de belangstelling daarvoor veel groter. De reactie op godsdienst is in Nederland hevig geweest. Begrijpelijk en terecht, maar je kunt tweeduizend jaar christelijke beschaving niet zomaar overboord gooien.’

Hoe rijmt u uw hang naar mystiek met het rationele, onderzoekende in uw werk?

‘Het zijn twee bewegingen in mijn brein. Je kunt opgaan in een dans, maar die even later ook analyseren. Erbuiten gaan staan en je afvragen: wat voor bewegingen zijn dit precies? Je kunt beide personen zijn. Ik verlies mezelf nooit helemaal. Daar ben ik te kritisch voor. Het enige waarin ik me verlies, is het schrijven.’

Ervaart u schrijven als bevrijdend?

‘Je hoort schrijvers zelden over het geluksgevoel dat schrijven geeft, het gaat meestal over de moeite die het kost. Maar als er aan mijn werktafel iets ontstaat wat ik totaal niet had kunnen voorzien, ervaar ik dat als een groot cadeau. Dat is geluk.’

Kon u na die publieke vernedering nog wel schrijven?

‘Mijn geluk is dat ik in die tijd mijn grote liefde ben tegengekomen. Dankzij haar zijn er deuren naar de wereld geopend en ben ik een gelukkiger mens geworden. In die periode heb ik essays geschreven om mezelf opnieuw op de rails te zetten. Aan de hand van het werk van schilders als Vermeer en Caravaggio heb ik, met inachtneming van mijn religieuze opvoeding, onderzocht wat mijn plaats in de wereld was, waar ik stond als schrijver.’

Wat leerde Vermeer u over uw schrijverschap?

‘Door mijn liefde voor de beelden van Vermeer ontdekte ik dat intimiteit een van mijn thema’s is.’

Heeft u nooit de behoefte gevoeld te schrijven over onderwerpen buiten uzelf? Het milieu, politiek, onrecht?

‘Daar ben ik niet voor, dat moeten journalisten en intellectuelen doen. Een politieke stellingname levert zelden een goede roman op. Het vingertje heffen over Syrië in een roman, dat heeft geen zin. Als schrijver ben ik geëngageerd met het menselijk bestaan, een groter engagement kun je niet hebben. Ik lees drie kranten per dag. Maar ik vertaal mijn visie naar de lotgevallen van mijn personages. Elk boek weerspiegelt een fase in mijn leven. In Pier en oceaan verbeeld ik het leven van drie generaties. Zwarte schuur gaat over trauma, geweten, een huwelijk, doods- en levensdrift. Dat vind ik geen kleine onderwerpen.’

Welke fase in uw leven vertegenwoordigt Zwarte schuur?

‘Het eerste woord dat in me opkomt, is verzoening.’

Welke tegenstellingen in u zijn verzoend?

‘O, ik wou dat ik dit niet had gezegd. Isolement, bevrijding…’ (Peinst) ‘Het conflict is er altijd. Ik zal me nooit helemaal met het leven kunnen verzoenen. Ik moet hier nog een beter woord voor vinden.’

Is uw boek een ode aan de liefde?

‘Zo kun je het zien. Rond de hoofdpersoon Maris staan vijf vrouwenfiguren. Zij fungeren als spiegels, confronteren hem met zichzelf. Zijn huwelijk gaat door een crisis, maar in het laatste deel komt de warmte terug.’

Heeft Maris zijn trauma overwonnen?

‘Ik zou dat niet zo in één zin willen zeggen, maar hij en zijn geliefde weten hun trauma’s wel achter zich te laten.’

Wat is de ergste kritiek die u op dit boek zou kunnen krijgen?

‘Om bij het publiek te komen, wil ik natuurlijk graag dat mijn boek de hemel in geprezen wordt. Maar mijn belangstelling voor recensies is een beetje aan het afsterven. Critici hebben steeds minder ruimte om een afgewogen oordeel te geven. Recensies zijn voor lezers. Als schrijver heb je er niets aan.’

In de werkkamer van Oek de Jong. Beeld Ivo van der Bent

Oek de Jong: Zwarte schuur. Atlas Contact; 496 pagina’s; € 34,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden