VOOR HET LAATST IN AL ZIJN ONSCHULD

Wanneer en hoe rock ‘n’ roll precies is ontstaan, is nog altijd schimmig. De Fondation Cartier in Parijs probeert daar enige helderheid in te verschaffen....

Wat was het moment waarop rock ’n’ roll geboren werd? Was dat 5 juli 1954 toen Elvis Presley in de Sun Studio’s in Memphis voor Sam Phillips zijn eerste single opnam? Of was dat een jaar eerder, toen hij in de Memphis Recording Service een plaatje opnam met twee liedjes, dat hij aan zijn moeder wilde geven?

Of was het niet Elvis, maar toch Bill Haley die verantwoordelijk was voor de Big Bang van de popmuziek, toen hij 12 april 1954 zijn Rock Around The Clock opnam? Hij was immers drie maanden eerder dan Elvis met zijn That’s Allright Mama. Bovendien was de datum ook in ander opzicht historisch: het New Yorkse Atlantic label bracht Big Joe Turners Shake, Rattle And Roll uit, een liedje dat ook opgeld mag doen als de eerste rock ’n’ roll hit.

Of zijn we met 1954 al een paar jaar te laat? Moeten we niet terug naar 1951, toen in maart bandleider Ike Turner met zijn Kings Of Rhythm eveneens in de studio van Sam Phillips met zanger Jackie Brenston het nummer Rocket 88 opnam? Of naar juni van dat jaar toen in Cleveland, Ohio, Alan Freed een dagelijks radioprogramma begon, dat The Moondog Rock ’n’ Roll House Party zou gaan heten?

Er bestaat nog altijd geen overeenstemming over. Feit is dat de vooroorlogse Amerikaanse populaire muziekstijlen blues, jazz, country en gospel na de oorlog zich allemaal door elkaar lieten beïnvloeden, er in doo-wop en rhythm & blues nieuwe muziekstijlen ontstonden, en wat het belangrijkste was: de Amerikaanse (blanke) jeugd vanaf de jaren vijftig steeds gretiger radiostations afzochten naar muziek die anders, rauwer en wilder was dan de brave, vlakke muziek waar hun ouders naar luisterden. Het is uit die behoefte dat rock ’n’ roll, de hybride van blanke en zwarte muziek, kon gedijen. Maar het beeld van de precieze chronologie is nog altijd vrij schimmig. Het Franse instituut voor hedendaagse kunst Fondation Cartier in Parijs probeert daar enige helderheid in te verschaffen met een grote, over meerdere etages verspreide expositie Rock ’n’ Roll 39-59.

De eerste indruk is niet erg bemoedigend. Veel obligate expositiestukken die nu eenmaal horen bij tentoonstellingen over de Amerikaanse jaren vijftig: een Cadillac, een stel tot aan het plafond opgestapelde jukeboxen – het ontbreekt er nog maar aan dat er een diner is nagebouwd waar je hamburgers kunt bestellen. En die replica van de studio waarin Buddy Holly in 1957 en 1958 hits als That’ll Be The Day en Peggy Sue opnam, doet ook al weinig authentiek aan. Veel aardiger is al de gitaar van Holly (Gibson J-45), en nog opmerkelijker het contract uit november 1957, waaruit valt op te maken dat alle royalties rechtstreeks naar producer Norman Petty zouden vloeien.

Het A-4’tje hangt onopvallend op een speciaal aan Holly gewijde zuil, zoals veel waardevols zich gemakkelijk aan het oog onttrekt. De vitrines en zuilen die belangrijke artiesten en genres zijn toebedeeld, liggen en hangen vol met grammofoonplaten, platenhoezen, foto’s en concertaffiches. Die affiches zijn fraai en veelzeggend. Zo is het aardig een affiche te zien waarop Elvis Presley niet de belangrijkste artiest is. In december 1955 is hij nog slechts voorprogramma van countryster Hank Snow. Presley wordt hier aangekondigd als ‘new RCA Victor Recording Artist’. Die vermelding van Presleys nieuwe platenfirma geeft wel aan hoe belangrijk die transfer van het kleine Sun-label uit Memphis naar het grote RCA Victor ook toen al gevonden werd.

Nu geldt deze deal op 21 november 1955 tussen Presleys manager Colonel Tom Parker en Sun Records’ Sam Phillips – waarin RCA voor 35 duizend dollar eigenaar werd van alle Elvis-opnamen voor Sun, en er een nieuwe artiest in de stal bij heeft – als een legendarisch moment in de popgeschiedenis. Veel geld in die tijd, maar een koopje natuurlijk, al kon toen niemand dat echt bevroeden.

Want Elvis Presley was nationaal, en ook internationaal nog niet werkelijk doorgebroken, dat zou pas het komende jaar gaan gebeuren. Eind 1955 was zijn ster nog rijzende, de grote naam in de rock ’n’ roll was toen Bill Haley, wiens Rock Around The Clock in juli van dat jaar de eerste rock ’n’ roll hit was die de eerste plaats van de Amerikaanse hitlijst zou halen. Een gebeurtenis die vooral een gevolg was van het feit dat het liedje, dat Haley met zijn Comets al een jaar eerder had opgenomen, gebruikt werd aan het begin van de film Blackboard Jungle, die niet alleen in de VS maar ook in Europa voor velen de kennismaking bleek met rock ’n’ roll en er insloeg als een bom.

Wandelend langs de wanden van de benedenzaal van de Fondation Cartier is deze ontwikkeling haarfijn te volgen via een rijk met beeld (foto’s en filmpjes) en geluid (belangrijke plaatopnamen zijn met koptelefoon te horen) versierde tijdbalk. Een overdaad aan namen, data en titels wordt opgesomd in de meterslange gang die de jaren van 1939 tot 1959 behandelt. Neem alleen al de eerste week van januari 1954: de eerste single voor Atlantic van Clyde McPhatter en de Drifters, Money Honey, bereikt de eerste plaats (2 januari); Elvis neemt voor de tweede keer voor eigen gebruik een plaatje met twee liedjes op in de Mempis Recording Studios; Muddy Waters neemt in Chicago voor het Chess label Hoochie Coochie Man op. Stuk voor stuk belangrijke gebeurtenissen in de popgeschiedenis, maar de samenstellers betrekken ook andere cultuuruitingen in hun chronologie. Juist door het vermelden van de dood van kunstschilder Jackson Pollock op 11 augustus 1956, en het verschijnen van de veel opschudding veroorzakende roman van Grace Metalious, Peyton Place, een maand later, weet je een beetje in welke culturele context je het bereiken van de eerste plaats van Elvis’ Hound Dog op 18 augustus moet plaatsen.

Zo wordt elk noemenswaardig feit over de King steeds historisch geduid, en zo is de tentoonstelling – hoewel het nergens expliciet wordt vermeld – toch ook vooral een eerbetoon aan de vandaag precies dertig jaar geleden overleden Elvis Presley.

En juist dat een beetje verborgen houden van de intentie, maakt de tentoonstelling zo bijzonder. Want door het zo uitvoerig weergeven van de historische context waarin Elvis groot kon worden, begrijp je pas echt hoe uniek hij was.

Ondanks alles wat er over Elvis Presley gepubliceerd is, en alle retrospectieven die er over rock ’n’ roll in de jaren vijftig verschenen zijn, valt op de expositie pas echt goed te horen en te zien hoe groots en uniek zijn kwaliteiten waren.

Ze hadden er in Parijs ook voor kunnen kiezen een tentoonstelling als ‘Elvis in zijn tijd’ te organiseren, maar dan bekijk je alles toch met andere ogen. Nu zie je Elvis wel steeds voorbijkomen, maar wordt pas gaandeweg duidelijk hoe bijzonder hij was. Bijna hilarisch is met terugwerkende kracht bijvoorbeeld de opmerking van Sam Phillips in 1956 dat hij best zonder de King kon, omdat hij in Carl Perkins een artiest had gevonden die nog veel meer publiek zou kunnen bereiken. Door alleen al hun foto’s te vergelijken, is duidelijk hoezeer Phillips ernaast zat.

Maar het aardige is ook weer dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend was dat Elvis Presley zo enorm populair kon worden. Daaraan hebben ook de media, vooral dankzij de opkomst van televisie veel bijgedragen. En ook hier is de keuze die de samenstellers van de expositie gemaakt hebben de juiste geweest: ze hadden ook de hysterie die na Elvis’ doorbraak in 1956 ontstond kunnen benadrukken, maar heel slim tonen ze juist de momenten vlak ervoor. Iedereen weet hoe de King eind jaren vijftig uitgroeide tot een popster van ongekende allure, niet alleen dankzij zijn niet aflatende stroom hits, maar ook door zijn films. Al die beelden kunnen we er wel bij verzinnen. Veel spannender is het om de momenten te laten zien waarop Elvis nog net niet was doorgebroken.

En niemand heeft die momenten beter weten te betrappen dan de fotograaf Alfred Wertheimer in 1956. De foto’s die hij in een week maakte, tussen 29 juni en 5 juli, behoren niet alleen tot de mooiste die er van Elvis zijn afgedrukt, ze tonen hem ook voor het laatst in al zijn onschuld, gewoon als mens. In Parijs is er een speciale corridor voor dit werk gereserveerd, en alleen al deze foto’s maken een bezoek aan de tentoonstelling de moeite waard.

Wertheimer had eerder dat jaar voor RCA al publiciteitsfoto’s van Presley gemaakt, maar zijn opdrachtgever was zo in verlegenheid gebracht door de algemene woede die een wat al te wild dansende Presley had opgeroepen, dat er nu een mooie serie foto’s moest komen waarop de zanger niet als seksueel gevaarlijk beest maar als keurige familieman stond.

Wertheimer bezoekt zijn model op 29 juni, wanneer deze in New York aan het repeteren is voor de tv-show van Steve Allen. Wertheimer krijgt van Elvis toestemming bij hem in de buurt te blijven. Samen gaan ze naar een optreden in Richmond, Virginia, weer terug naar New York voor de uitzending van de Steve Allen Show, waarin een doodongelukkige Elvis om nieuwe heisa te voorkomen Hound Dog niet tot een opgehitst publiek zingt, zoals een dag eerder in Virginia, maar tot een echte hond op stoel.

Wertheimer is een dag later bij de plaatopnamen van Hound Dog en krijgt door dat hij goud in handen heeft. Hij besluit per trein mee te reizen van New York naar Memphis, een rit van 28 uur. De foto’s dan geschoten, van een rustende Elvis, een Elvis die de proefpersing van zijn nieuwe single op een pick-up afluistert, en mooist van allemaal, Elvis die een halte voor Memphis uitstapt, de weg vraagt en met plaat onder de arm nog even zwaait naar conducteur en fotograaf.

De King wil het laatste stukje naar huis liever lopen, en voor het laatst zou hij dat in zijn eentje doen. Eenmaal thuisgekomen wacht al weer een optreden. Wertheimer krijgt nog net de kans om Presley in zijn ouderlijk huis in schone onderbroek op de plaat vast te leggen.

Een maand later was Hound Dog nummer 1, weer een maand later zagen vijftig miljoen Amerikanen de King op tv bij Ed Sullivan en vanaf dat moment was er echt geen houden meer aan.

Wertheimers foto’s vormen niet alleen het hart van de tentoonstelling, maar ook van de prachtige catalogus. De vraag wanneer de rock ’n’ roll nu echt begon, wordt door beiden niet beantwoord. Uiteindelijk draaide alles om de King, is toch de indruk waarmee je Rock ’n’ Roll 39-59 achter je laat.

En zo onduidelijk als de oerknal te traceren is (nogal arbitrair beginnen de samenstellers hun overzicht in het jaar dat boogie woogie doorbrak), zo makkelijk is vast te stellen wanneer het met de eerste fase van de rock ’n’ roll gedaan is.

Op 22 september 1958, om precies te zijn. Wanneer Elvis Presley op de boot naar Duitsland gaat om zijn dienstplicht te vervullen. Als hij twee jaar later terugkomt, is zijn vuur getemperd. En ook van zijn collega’s wordt weinig meer vernomen: Buddy Holly verongelukt in 1959, Little Richard verkiest de Here boven de rock ’n’ roll, Jerry Lee Lewis raakt in opspraak door te trouwen met zijn 13-jarige nichtje en Chuck Berry moet tijdelijk het gevang in.

Popmuziek is weer even ontdaan van een angel en het zou een jaar of drie duren voor The Beatles een nieuwe revolutie ontketenden. Maar dat is een ander verhaal voor wellicht een andere tentoonstelling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden