Voor herbergier en bitteraar

Tot de stamgasten van café Oldenburg in Bergen behoorden A. Roland Holst en J.C. Bloem. Beiden eerden het etablissement met een gedicht – dat van Bloem blijkt ook voor diens biograaf een ontdekking....

Op het mooiste plein van het Noord-Hollandse kustdorp Bergen, op de hoek van de Raadhuisstraat en de Oude Prinsweg, staat hij nog steeds te staren, in brons, al een beetje krom. Zo werd hij vereeuwigd door beeldhouwer Mari Andriessen. De meeste Bergenaren weten wie hij is, ook al overleed de dichtervorst 31 jaar geleden. Uit zijn linkerooghoek zou hij zijn stamcafé kunnen zien, het Huis met de Vier Pilaren. Helaas staat hij met zijn rug naar de Ruïnekerk, waarop hij achter zijn cafétafeltje aan het raam tientallen jaren goed zicht had.

Zee en ruïnes, daar hield Holst van. In beide klonk het gefluister van oude zielen. Daarom was Bergen zijn ideale woonplaats. Hij bracht er het grootste deel van zijn leven door, aan de Nesdijk, in een villaatje dat zijn ouders voor hun zorgenkind hadden laten bouwen.

Lo de Ruiter was zestien jaar lang zeer goed bevriend met Holst. Ook hij kwam geregeld in ‘de pilaren’. Hij was burgemeester van Bergen van 1960 tot 1970, daarna was hij er vijftien jaar dijkgraaf. Eerder was hij burgemeester van het Overijsselse Kuinre, niet ver van Kalenberg, waar de dichter J.C. Bloem begraven ligt.

Achtentachtig is De Ruiter nu. Nog even en hij heeft zijn oude vriend Adriaan, die 88 werd, ingehaald. Hij brengt zijn dagen door in een bungalow achter de Bree-laan, alleen, in zijn studeerkamer vol boeken. Veel poëzie, en monografieën van kunstenaars.

Dat Bergen bekend stond als hét kunstenaarsdorp, was voor De Ruiter bij zijn aantreden ‘een pre’. Zo’n dorp had tenminste een behoorlijke boekhandel, en je kon er nog eens een leuk gesprek voeren. In de Eerste Bergense Boekhandel ontmoette hij Lucebert. ‘Een vriendelijke man, maar reuze gesloten. Schitterend wat die man met taal kon doen.’ De dichter en beeldend kunstenaar liet zich zelden verleiden om naar het café te gaan. ‘Hij zat altijd maar in zijn atelier. Een geweldige werker.’ Luceberts weduwe Tony komt De Ruiter nog wel eens opzoeken.

Jacques Bloem, die liet zich maar al te graag overhalen iets te drinken. Bloem woonde niet in Bergen, maar de logeerpartijen bij Holst aan de Nesdijk waren een rustpunt in zijn leven. Regelmatig kwam hij met Clara Eggink – zijn vrouw, later ex-vrouw, maar altijd zijn verzorgster – bij De Ruiter thuis op bezoek. De Ruiter bewondert Bloems werk nog meer dan van dat van Holst. ‘Bloem leefde in een eigen wereld,’ merkte hij. ‘Een aardige, stille man met een groot gevoel voor humor.’ Ook met Clara kon hij overweg, wat een prestatie heette: ‘Ze was een interessante vrouw, en een goed mens. Maar ze kon wel bits uit de hoek komen.’

’s Avonds gingen de dichters niet naar ‘de pilaren’ maar naar café Oldenburg, in de Fransche Steeg. IJsbrand Oldenburg (74), die als kleine jongen in het café van zijn ouders rondliep, begrijpt wel waarom. ‘Oldenburg’ lag achteraf, aan het eind van een steeg. ‘De kunstenaars konden zich bij ons meer laten gaan. Als zij midden in het dorp, na flink wat gedronken te hebben, in een taxi stapten, hadden ze veel bekijks. Maar het bleef in het nette, hoor. Nooit last gehad.’

De vaste kern, dat waren toch de kunstenaarsvrienden: onder anderen de schilders en tekenaars Germ de Jong, Piet Worm, Piet en Matthieu Wiegman, David Kouwenaar, Jaap de Carpentier en Jaap Min. Zij lieten hun sporen na in het café. Oude foto’s laten wanden zien vol muurschilderingen: een versierde speelkaart van Matthieu Wiegman, een vrolijk dambord van Piet Worm en een boeket bloemen van Germ de Jong. Oldenburg herinnert zich nog hoe die schilder aan het werk was; het maakte grote indruk. ‘Menéér De Jong’, moesten wij zeggen’.

Aan de wanden hing ook ingelijste kunst van de beroemde stamgasten. De schilder Jaap Mooy maakte een langwerpig schilderij met een zwevend masker, dat precies de meterkast aan het zicht onttrok. Helaas bleken de muurschilderingen niet bestand tegen de tijd en het opkruipend vocht.

De schilderijen zijn bewaard gebleven, samen met twee andere ingelijste geschenken: handgeschreven gedichten. Het ene is een titelloos, ongedateerd gedicht ondertekend door J.C. Bloem, het ander, ‘Aan Piet Oldenburg’ is van A. Roland Holst, gedateerd ‘maart 1942’. Holsts biograaf, Jan van der Vegt, nam diens cafégedicht op in zijn in 2000 verschenen biografie. Het gedicht van Bloem is nergens gepubliceerd. Bloems biograaf Bart Slijper herkent het aan handschrift en stijlkenmerken onmiddellijk als ‘een echte Bloem’.

Het was beslist géén ‘afloskunst’ zoals wel werd beweerd, zegt Oldenburg. ‘De schilders en dichters schonken hun werk uit dank voor de gezelligheid, niet om hun rekening te betalen.’ Het gedicht van Bloem, weet hij, is net als dat van Holst in 1942 geschreven, in de ‘sombre tijden’:

De vreemdeling, die Bergen’s drevenEen enkle maal slechts komt doorzwevenEn weer vertrekt met grooten spoed,Hij weet niet waar hij wezen moet.Maar zij, die lang in Bergen wonen, Of zich er steeds opnieuw vertoonen, Zij kennen wel de Fransche steegEn al wat men daar krijgt of kreeg.Zij kunnen zich nu gaan verblijden,Ja zelfs in deze sombre tijdenIn Tijden, gelijkelijk droef en zwaarVoor herbergier en bitteraar – ;Zij zullen de oogen zich uitkijken Als ze Oldenburg’s café zien prijken,Opnieuw versierd door kunstenaarshand.Daarom zegt elk in ’t Bergensch land:Moge ’t geluk dit huis bewarenTot heil van alle Bergenaren!

Roland Holst schetst in zijn gedicht het gezelschap drinkbroeders. Blijkbaar had hij café niet lang tevoren ontdekt:

Waar Worm de muren fleurig maakte,waar Bloem zijn dorst op rijm beleed,waar Wiegman “’t Daaglijksch Brood” verzaaktewijl ook hij liever drinkt dan eet,waar Germ de Jong in teedre kleurenvan zijn onleschbaar leven spreekt,daar mag het zeker niet gebeurendat mijn gerijmde woord ontbreekt.

Al jaren waren zij hier gastenvan de onvolprezen Kastelein;en ik leg het mijzelf ten lastedat ik hier pas zoo laat moest zijn.Maar ben ik jaren weggebleven,ik heb mijzelven slechts geschaad – wellicht komt éénmaal in mijn leven Berouw nu nét nog niet te laat!

In de Fransche Steeg is er weinig wat nog aan de dierbare ‘sombre tijden’ herinnert. Het geluk bewaarde dit huis niet. Nadat zijn beide ouders waren overleden runde IJsbrand Oldenburg nog korte tijd het café; in 1954 werd het verkocht. Er kwam een wijnlokaal in en later de discotheek Palermo. In het dichtgetimmerde krot is het lieflijke dorpscafé nauwelijks nog te herkennen. Binnenkort maakt de sloophamer er korte metten mee.

De herinneringen blijven bewaard in het geheugen van enkele Bergenaren. Toen Roland Holst in 1966 niet meer zelfstandig in zijn huis aan de Nesdijk kon blijven, zorgde Lo de Ruiter ervoor dat hij terecht kon in Frankenstate, een flat met ouderenwoningen pal tegenover De Ruiters huis, die dat jaar werd gebouwd. De vrienden zagen elkaar vrijwel dagelijks. De mannen praatten vooral over vroeger – over dichters, en over vrouwen natuurlijk. Soms over Holsts depressies. ‘Holst was eenzaam. Hij kon zich moeilijk binden aan één persoon.’

Bijna alle vrienden van weleer zijn overleden. ‘Ach’, zegt de oud-burgemeester berustend, ‘mensen gaan dood. Ik ben er zelf ook aan toe.’ Hij maakt een weids gebaar naar zijn boekenwanden. ‘Maar het is zo moeilijk afscheid nemen van dit alles.’ Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden