Voor gek versleten en tegengewerkt

'Hierbij verklaar ik', schreef Hans Arp in 1921, 'dat Tzara het woord Dada heeft uitgevonden en wel op 6 februari 1916 om zes uur 's avonds....

Van onze verslaggeefster

Karin Veraart

BOCHUM

Ze zouden het er nooit over eens worden. Een gangbaarder verhaal is dat de Roemeen Tristan Tzara en zijn landgenoot Marcel Janco urenlang zaten te bomen in hun moedertaal, waarvan hun mede-Dadaïsten nauwelijks meer verstonden dan het steeds terugkerende 'da, da', oftewel 'ja, ja'. Zo zou het zijn gekomen.

Vanaf het moment dat zij het Cabaret Voltaire van Hugo Ball betraden ('een oosters-uitziend groepje mannetjes met portfolio's en posters onder hun arm diende zich aan', aldus Ball) speelden Tzara en Janco een belangrijke rol in de Zürcher Dada-beweging. Diezelfde avond nog ging er een poster van Janco tegen de muur van Cabaret Voltaire en droeg Tzara er zijn gedichten voor. De jaren erop waren nauw betrokken bij tentoonstellingen, voordrachten en de oprichting van het tijdschrift Dada.

Wat Tzara en Janco precies deden voordat ze zich aan de deur van Balls 'nachtclub' meldden, is minder bekend. Van de mannetjes over wie Ball rept in zijn dagboekaantekeningen, geeft hij toe dat alleen Tzara en Janco hem zijn bijgebleven. Dat ze afkomstig waren uit een groep avantgarde-kunstenaars die op dat moment in Roemenië actief was, blijft onvermeld. Aan deze groep, hun werk en hun banden met de 'grotere' namen, is in Museum Bochum een tentoonstelling gewijd, die komend najaar ook in de Kunsthal in Rotterdam te zien zal zijn.

Brancusi, Tzara en de Roemeense avantgarde, heet de expositie en zij is grotendeels het werk van Michael Ilk. Tien jaar lang werkte Ilk aan zijn 'hobby', zoals hij het zelf noemt, om de in het westen relatief onbekende werken en hun makers een plaats te geven. 'Er zal een dag komen', zo hoopten de Roemenen Bogza en Pana in 1932, 'misschien over dertig of vijftig jaar, dat onze beweging met geëigende aandacht bestudeerd en onderzocht zal worden'. 65 Jaar na dato is het zover, meent Ilk. De afgelopen jaren reisde hij, een in Duitsland woonachtige architect van Roemeense origine, op en neer naar zijn geboorteland om het materiaal boven water te krijgen. Geduld was het sleutelwoord. In de vrije verkoop was nauwelijks iets te vinden en wat er al was, bevond zich in deplorabele staat of was incompleet. Met hulp van nazaten van de kunstenaars, of vrienden en bekenden van hen die vermoedden dat er iemand een stuk in privébezit had, is het uiteindelijk gelukt. Ilk is inmiddels blut, maar zijn ideaal is verwezenlijkt, zegt hij.

Het eerste zaaltje in Museum Bochum is gewijd aan Constantin Brancusi, die weliswaar feitelijk niet behoort tot de groep die Ilk wil belichten, maar die niettemin, net als Segal voor hem, de kunstenaars de weg bereidde naar het buitenland en, de roerige tijden ten spijt, van invloed bleef op collega's en leerlingen. Er zijn foto's van de hand van de beeldhouwer zelf, die de toeschouwer 'de mogelijkheid bieden de sculpturen zo te zien als hij (Brancusi) ze zien wilde': zijn Gouden Vogel in een tuin, zijn glanzende Prinses X en zijn Oneindige Zuil, die de wolken in priemt.

Brancusi in een luie stoel op een bordes (autoportret dans chaise-longue), Brancusi die zijn ogen dichtknijpt tegen de rook (autoportret avec cigarette) hangen er, benevens danseres Lizica Codreanu in het atelier van de kunstenaar in een kostuum dat hij ontwierp.

En voor de liefhebber: het lotto-spel, fiche-achtige houten rondjes met nummers, compleet met invulformulieren in een vitrine. De catalogus meldt: 1896 - Brancusi schept het lotto-spel.

Brancusi zal door de hele tentoonstelling heen steeds terugkeren, zij het grotendeels via het werk van anderen. In de volgende zaal vinden we Tzara en Janco; omslagen van Simbolul (Het Symbool) hangen er, het tijdschrift dat ze samen in Boekarest uitgaven in 1912 en dat maar vier nummers heeft gekend; ernaast een kiekje van de medewerkers van het tijdschrift, onder wie Ion Vinea, de enige naam uit dit clubje die nog vaker opduikt.

De expositie is voor zover mogelijk chronologisch opgebouwd; tegenover tekeningen en teksten van Janco en Tzara hangt werk van Hans Mattis-Teutsch, Max Herman Maxy. Ook deze laatste twee reisden eens in de zoveel tijd naar het buitenland, om terug te keren naar Boekarest en hun ervaringen met zielsverwanten te delen. Er ontstonden contacten met kunstenaars in Parijs, Berlijn, New York; in vitrines liggen boekjes met aantekeningen, kattebelletjes aan vrienden over de grens. Aan het eind van de tweede zaal worden Viktor Brauner en Ilarie Voronca geïntroduceerd, en loopt het langzaam maar zeker richting surrealisme.

Grote delen van de wanden worden in beslag genomen door felle posters, plakkaten en omslagen van een reeks tijdschriften die vaak stuk voor stuk maar een kort leven beschoren was: 75HP werd een keer uitgegeven, Punct telde zestien nummers, Integral vijftien, Discontinuité, jawel, maar één, Urmuz vijf. Het tijdschrift Unu (Eén) verscheen vanaf 1928 51 maal en bleef ondanks eerdere plannen om ieder nummer een nieuwe naam te geven, gekoppeld aan zijn rangorde, toch steeds Eén heten. Samen met het vier jaar eerder opgerichte Contimporanul, was Unu het langst verschijnende tijdschrift: in 1932 hielden beide op te bestaan.

In de jaren twintig werden de avantgardisten in Roemenië gewoon voor gek uitgemaakt, maar begin jaren dertig sloeg de censuur toe. Het groepje van zo'n twintig kunstenaars dat Ilk opvoert, behoorde grotendeels tot de (joodse) elite die in goede tijden hecht verbonden was, maar uiteindelijk niet bestand bleek tegen de tegenwerking van bovenaf. Ze waaierden uiteen.

De samensteller heeft minutieus bijgehouden waar iedereen is terechtgekomen, zoals hij ook door de hele catalogus heen soms maand voor maand vermeldt wie wat deed, wie wie ontmoette en wanneer. Alleen een antwoord op het waarom ontbreekt vaak en dat is een beetje jammer. Uiteraard hoeft er, zoals Ilk ter zijner verdediging aanvoert, geen roman van vijfhonderd pagina's worden bijgevoegd, maar hier en daar wat uitleg bij de data zou niet misstaan. Niettemin ademt de expositie het enthousiasme van de tijd, een periode van optimisme, van het gevoel van herwonnen vrijheid, zoals Dadaïst Hans Richter het beschreef. 'En niets drukte dit gevoel beter uit dan die vrolijke Slavische bevestiging, die krachtige herhaling, ''da,da''. We zeiden ja, ja tegen het leven'.

Brancusi, Tzara und die Rumänische avantgarde. Museum Bochum, Bochum, t/m 15 juni. De Kunsthal, Rotterdam, van 6 september tot en met 16 november.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden