Voor een geborgen stad

Het structuralisme had lang een slechte naam. Een nieuwe dubbeltentoonstelling roept de vraag op hoe waardevol de nalatenschap van deze bouwstijl is.

Kubussen op palen: een bewoond stedelijk dak boven de drukte in Rotterdam; ook van Piet Blom. Beeld -
Kubussen op palen: een bewoond stedelijk dak boven de drukte in Rotterdam; ook van Piet Blom.Beeld -

'Een historische vergissing' heette het ­jarenlang in ­Nederland: het structuralisme. De architectuurstijl uit de jaren zestig en zeventig zou de oorzaak zijn van veel lelijkheid. Neem de stadsvernieuwing uit die tijd en al die 'bloemkoolwijken': aaneengeregen gezinshuizen rond kronkelende woonerven waar iedere vreemdeling verdwaalt.

In het buitenland wordt dat anders gezien. Daar vindt men dat juist deze stroming ons land 'tot gidsland van humane bouwkunst' maakte. In ­Nederland werd als eerste een alternatief getoond voor de kille modernistische nieuwbouwwijken die over de hele wereld opgang maakten.

Wie heeft gelijk? Daarover kan ­iedereen nu een eigen oordeel vormen. Het Nieuwe Instituut in Rotterdam opent morgen een dubbel­tentoonstelling over het Nederlands structuralisme. Curator is de laatste, nog ­levende structuralist Herman Hertzberger, de vitale grand old man van wie onlangs nog zijn meesterwerk, het Utrechtse Muziekcentrum ­Vredenburg, in ere is hersteld. Hertzberger kreeg in Het Nieuwe Instituut ruim de kans om tekeningen en ­maquettes van zijn werk te tonen, naast materiaal van vroegere geestverwanten: Aldo van Eyck, Jaap ­Bakema, Joop van Stigt en Piet Blom.


Wat hebben we aan deze dubbeltentoonstelling?
Misschien wel veel. Het tijdstip voor deze expositie is goed gekozen. Door de financiële crisis is voor architecten een tijdperk van bezinning aangebroken. Tot voor kort zette spektakelarchitectuur de toon, architecten verwierven wereldfaam met fotogenieke iconen. Bij die ontwerpen verloor men, zo luidt de kritiek, de leefbaarheid voor gebruikers en bewoners nog wel eens uit het oog.

Dat lijkt op de situatie eind jaren vijftig, toen jonge architecten van de Forum-groep de basis voor het structuralisme legden. Het vak was op een dood spoor beland, vonden zij. De dominante architectuurstijl, het modernisme, liep op zijn laatste benen: de functionalistische woonwijken bleken - hoe ruim opgezet ook, tussen lucht, licht en groen zo onpersoonlijk als de pest. De Forum-architecten kwamen met een tegenreactie: ze wilden de verbeelding terugbrengen in de architectuur, ­beter letten op de gebruikers van gebouwen en meer aandacht besteden aan de alledaagse details. Deze structuralisten hadden jarenlang grote impact, maar daarna zijn ze verguisd. Nu in de architectuur ­opnieuw grootheidswaan is ontmaskerd, blijken hun standpunten weer erg actueel.

De Kasbah in Hengelo, van Piet Blom. Beeld Dirk Verwoerd
De Kasbah in Hengelo, van Piet Blom.Beeld Dirk Verwoerd

Wat betekent structuralisme?

Eigenlijk is het een misleidend woord, pas in 1976 geïntroduceerd door de Duitse architect-schrijver Arnulf ­Lüchinger. Hij leende het van sociale wetenschappers en linguïsten, die al sinds 1900 naar 'verborgen structuren' zochten in menselijke uitingen. In de architectuur lag dat iets anders. Grote gebouwen werden door architecten vertaald in composities van gelijkwaardige, kleine elementen. Er werd gezocht naar een nieuw evenwicht. Een stad zou, volgens Forum, de samenhang en geborgenheid van een huis moeten bieden, en een huis zou de ruimtelijke rijkdom van een stad moeten hebben. Mooi voorbeeld is kantoorgebouw Centraal Beheer van Hertzberger in Apeldoorn, dat rijk is aan zithoeken, werkplekken en balkons. Het was ook de eerste kantoortuin waar één ononderbroken ruimte al die eenheden met elkaar verbond.

Hoe begon de beweging?
In 1959 verscheen het septembernummer van Forum, maandblad voor architectuur en gebonden kunsten. Voorheen stonden in dat blad alleen frisse presentaties van bouwwerken: moderne panden met veel staal, beton en glas. Maar dit nummer was anders. Veel foto's waren in Afrika genomen. Ze toonden zwarte mannen die een rieten dak naar zijn bestemming droegen, lemen huizen die een hecht dorpje vormden. Andere foto's toonden straatschoffies onder een viaduct in Parijs, of een landloper die op een monumentale stoep sliep. In de begeleidende tekst maakte de nieuwe redactie duidelijk: een rieten dak en een stoep in een oude stad bieden meer geborgenheid dan alle moderne architecten bij elkaar kunnen verzinnen. 'Nederland wordt onbewoonbaar', schreven ze. 'De architect en stedenbouwer hebben daar een zeer groot aandeel aan. Zelden waren de mogelijkheden ruimer, zelden heeft een vak zo gefaald.'

Hoe moest het dan wel? Dat werd in 1961 duidelijk, toen Aldo van Eyck zijn eerste grote gebouw, het Amsterdamse Burgerweeshuis presenteerde. Een grotere breuk met kille blokkendozen was niet denkbaar. Een tehuis voor weeskinderen, de kwetsbaarste groep die je kunt bedenken. Gebruikelijk was om grote slaapzalen en lange rechte gangen te maken, maar Van Eycks weeshuis was een stadje op zich. Als basiselement ontwierp hij een vierkant blok met koepeldak, losjes verwijzend naar Afrikaanse kashba's, maar uitgevoerd in geprefabriceerd beton. Andere grote elementen waren huiskamers en ontmoetingsruimten, de kleinere dienden als slaapkamers of regen zich aaneen tot binnenstraat.

Ook de presentatie van dit gebouw in tijdschrift Forum was revolutionair. Tot dan ging het alleen om esthetiek: mooie foto's van glimmende gebouwen zonder mensen. In opdracht van zijn vriend Van Eyck had fotograaf ­Johan van der Keuken het perspectief van kinderen ­gezocht. Zijn foto's sleepten je hun belevingswereld in. Hier ontdekte je, als het ware met de kinderen, alles wat de architect daar voor hun plezier had bedacht: spiegeltjes in de vloeren, vijvers op de plein­tjes, drempels die ook banken waren, ­nissen waarin je je kon verstoppen.

Doosjes

Acht lucifersdoosjes maken het verschil tussen menselijk en onmenselijk bouwen zichtbaar. ­Onmenselijk: twee rijen van vier doosjes, recht op elkaar. Menselijk: ook gestapeld, maar dan twee aan twee of elk apart, met ­beschutte plekken. Nog beter: de laadjes uitgeschoven als balkon. Herman Hertzberger verzon dit sprekende voorbeeld voor het eerste nummer van architectuurtijdschrift Forum, dat in 1959 in nieuwe stijl verscheen.

Werd het Burgerweeshuis een voorbeeld voor andere structuralisten?
Nee. Het laatste wat de gangmakers van Forum wilden, was een nieuwe bouwstijl in het leven roepen. Daarvoor waren het te uitgesproken karakters met eigen fascinaties. Bakema vertaalde deze ideeënwereld in stoere betonnen gebouwen waar de variatie aan woonsoorten van buitenaf al zichtbaar was. Hertzberger was vooral gecharmeerd van de complexe composities die ontstaan uit stapeling van gelijke elementen - met verschuivingen en overlappingen daarin. Zijn bekendste gebouw, naast Centraal Beheer, was Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht. Vol trappen en hoekjes, ­leuningen en balkons, die niet afdoen aan de grootsheid van de zaal.

En dan was er Piet Blom, door Van Eyck op de Amsterdamse Academie voor Bouwkunst ontdekt als zijn briljantste student, een volksjongen uit de Jordaan met rijke fantasie en fabelachtig ruimtelijk inzicht. Blom bedacht plannen voor wijken die qua gezelligheid, afwisseling en intimiteit zijn ­geliefde oud-Amsterdam naar de kroon zouden steken. Hij bedacht ­woningen in de vorm van gekantelde kubussen op hoge palen. En ontwierp een hele wijk gebouwd op palen: de Kasbah in Hengelo, bedoeld als een ­'bewoond ­stedelijk dak' boven de ­levendige binnenstadsdrukte. Helaas is het idee slechts op kleine schaal en in een stille buitenwijk uitgevoerd.

Waarom riepen die structuralisten toch zoveel weerstand op?
Er was, eerlijk gezegd, ook iets aan te merken op de structuralistische gebouwen. Muziekcentrum Vredenburg en Centraal Beheer zijn typerend: de buitenkanten waren lelijkheid troef. Binnen waren ze wel erg overdadig, met een wirwar aan trapjes en knusse details.

Daar kwam iets bij. In de jaren zestig en zeventig was de bouwwereld geheel afgestemd op massabouw: de materialen waren simpelweg niet meer op detailrijke bouwkunst toegesneden. Dakpannen en bakstenen waren in het algemeen foeilelijk, en als plaatmateriaal was alleen trespa in gebruik. ­Vervolgens werden de ideeën van de ­Forum-architecten overgenomen door beroepsgenoten die, onzeker door de grotere veranderingen in hun vakgebied, alleen nog precies durfden te ­tekenen wat de bewoners als wensen opgaven. Dat gaf de stroming een slechte naam.

Hierdoor keerde de volgende generatie zich tegen Forum. Zij zochten ­aansluiting in het buitenland, waar vakgenoten zich ongegeneerd aan grootse dromen waagden, aan blitse vormgeving en fraaie iconen. Ze wilden terug naar Mooie Architectuur.

Het Burgerweeshuis in Amsterdam, van Aldo van Eyck. Beeld Violet Cornelius / Nederlands Fotomuseum
Het Burgerweeshuis in Amsterdam, van Aldo van Eyck.Beeld Violet Cornelius / Nederlands Fotomuseum

Precies waarmee Nederland succesvol werd, met Super Dutch-sterren als Rem Koolhaas en MVRDV. Waarom ziet men in het buitenland vooral het structuralisme als typisch Nederlandse kwaliteit?
Zeker, die sterren staan in het buitenland bekend als grensverleggend. Maar worden ze ook beschouwd als typisch Nederlands? Nee. Voor de Forum-groep gold dat wel. Wat Nederlanders niet goed zagen maar in het buitenland wel goed werd aangevoeld: menselijke maatvoering, ruimte voor individualiteit en aandacht voor details die het alledaagse leven prettiger maken - die kwaliteiten worden al sinds het begin van de 16de eeuw aan de Lage Landen toegeschreven. Grootse paleizen kent Nederlands nauwelijks, wel zijn hier van oudsher mooie kleine steden waar particuliere huizen, schouder aan schouder, een zeer behaaglijke omgeving vormen.

Vanuit diezelfde ingesleten zorg voor 'het menselijke' viel Nederland een paar eeuwen later wereldwijd op door zijn prachtige volkshuisvesting. Neem de stralend witte woningen van J.J.P. Oud in Rotterdam, of de kloeke woonblokken van de Amsterdamse School die Michel de Klerk in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt heeft ontworpen. Of anders de woningbouw in het Rotterdamse Spangen, die architect Michel Brinkman vormgaf als een hechte, besloten gemeenschap rond een gezamenlijk badhuis en tuinen.

Om die bouwkunst was Nederland wereldberoemd. De Forum-architecten bouwden voort op die traditie en voegden er eigentijdse fantasie aan toe.

Kantoorgebouw Centraal Beheer. Beeld -
Kantoorgebouw Centraal Beheer.Beeld -

Kan deze nieuwe tentoonstelling invloedrijk worden?
Dat zit er wel in. De vaak handgemaakte, onaffe maquettes en vlotte schetsen nodigen uit om er in gedachten naar binnen te kruipen, ruimten te verkennen, te onderzoeken wat die gebouwen 'doen'. Dat zal inspirerend zijn, net nu een periode van glamour ten einde is gekomen en veel architecten op zoek zijn naar de essentie van hun vak. Dat laatste is eigenlijk heel simpel. Wat architectuur mensen moet bieden, is overal en altijd gelijk: prettige huizen om in te wonen, fijne straten om doorheen te gaan, steden met variatie en samenhang. De Forum-architecten toonden, meer dan alle designarchitecten, wat daarvan de geheimen zijn. Dat is hun nalatenschap.

Het fijne is: architecten van nu ­hebben wat streepjes voor op die ­pioniers. Mooie buitenkanten zijn niet meer verdacht en de bouw­materialen zijn tegenwoordig prachtig. Zij kunnen het beste van twee ­werelden combineren. Heerlijke ­binnenwerelden, prachtige buitenkanten. Een gouden kans.

Dubbeltentoonstelling Structuralisme, t/m 11/1 in Het Nieuwe ­Instituut, Rotterdam. De exposities worden gecombineerd met lezingen, discussies en workshops. hetnieuweinstituut.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden