Beschouwing

Voor altijd vastgepind op je grote neus

Expositie op het eerste gezicht

Mensen indelen op grond van hun fysiek: niet alleen wetenschappers, ook kunstenaars deden het. Dubieus?

Black Drawings, 1991-1992, Marlene Dumas. Beeld Gert Jan van Rooij/ Stedelijk Museum

Onzinnig. Racistisch. Omstreden. Verwerpelijk. Veel goeds valt er achteraf niet te zeggen over de 'wetenschappelijke' onderzoeken die in de 19de en 20ste eeuw werden verricht om 'het veronderstelde verband tussen uiterlijk en innerlijk' te bewijzen. Met schedelmetingen, het bestuderen van gelaatskenmerken, het systematisch fotograferen van naakte mensen, het afgieten van geguillotineerde hoofden.

Onderzoek waarmee wetenschappers mensen wilden indelen naar typologieën, op grond van karakteristieke kenmerken. Hoge haarinplant, doorlopende wenkbrauwen, grote neus, een al dan niet ronde schedel of de eventuele aanwezigheid van een talenknobbel. Fysionomische kenmerken die nodig waren om de oermens te traceren, raszuiverheid veilig te stellen, gezonde van zieke mensen te onderscheiden, intelligente van krankzinnige, en uiteindelijk: goede van slechte.

Tentoonstellingen
In het Teylers Museum en Het Dolhuys in Haarlem zijn hierover nu twee tentoonstellingen te zien: Op het eerste gezicht en Levenslang: het criminele brein. Ze bieden een uitgebreid en gevarieerd overzicht (grote series foto's, tekeningen en wasmodellen) van hoe decennialang de mensheid in groepen moest worden ingedeeld. Hoe men op zoek was naar de ware afstammeling van de oermens of welk uiterlijk de 'crimineel' had. Onderzoeken die (mede) dankzij de nazi's in een verdachte hoek kwamen te staan. Op grond van uiterlijke kenmerken werd mensen hun individualiteit ontnomen, ingedeeld naar ras, ziektebeeld, minderwaardigheid.

Verwerpelijk dus. Neemt niet weg dat ook in de beeldende kunst zulke series worden gemaakt. Reeksen foto's, schilderijen en tekeningen; portretten die vergelijkenderwijs een beeld geven van de zwarte mens, de blanke, de Duitse. Van bevolkingsgroepen, beroepen en generatiegenoten.

Hoe omstreden zijn die? En wat leveren ze op?

1 Thomas Ruff Portretten, 1986-1991

'Neudeutsch-arische Jugend.' Dat was het verwijt dat Thomas Ruff (1958) kreeg over de serie portretfoto's die hij halverwege de jaren tachtig maakte. Het type mens dat Ruff fotografeerde, en de manier waarop hij dat deed, riep het op: Ruffs blanke Duitse generatiegenoten deden blijkbaar denken aan het nationaalsocialistische ideaal en fascistische stereotype van blauwe ogen en blonde haren.


Ruff zelf distantieerde zich nadrukkelijk van het verkregen imago. Arisch? Dan zal je het krijgen ook! Uit de ongeveer zestig portretten koos hij er een dozijn, voorzag ze van staalblauwe ogen, en exposeerde ze opnieuw.


Ruff had met de serie iets heel anders voor ogen. Hij wilde juist een afstandelijk beeld geven van zijn generatie. Neutraal en waardevrij als op pasfoto's. 'Ik wilde niet dat je kon zien wie deze mensen waren. Hoe ze heetten. Wat ze voelden. Wat hun religie was. Hun beroep. Terwijl ik alles zo precies mogelijk wilde vastleggen.'


Door ze nadrukkelijk als groep te presenteren en de overeenkomstige manier waarop Ruff ze vastlegde - en face, witte achtergrond, bovenste knoopje dicht, haren netjes gekamd - wordt het gemeenschappelijke benadrukt: de bleke huid, de keurige kleding. Dit zijn geen individuele personen, maar leden van een groep. Het zijn varianten van een en hetzelfde type: de frisse, nieuwe generatie die Duitsland, zo'n veertig jaar na de oorlog, zou overnemen.


Niet zo neutraal en waardevrij dus als ze aanvankelijk lijken. Maar juist zeer zelfbewust. Let alleen al op de manier waarop deze jongelingen de lens in kijken - of er juist dwars doorheen. Bij elkaar opgeteld vormen ze een symbool, een archetypisch gezicht van hoe de toekomst er uitziet. Onbevreesd de wereld in kijkend, zelfbewust en niet zichtbaar gekweld door het oorlogsverleden.

Portret, 1988 Beeld Thomas Ruff
Portret, 1988 Beeld Thomas Ruff
Portret, 1987 Beeld Thomas Ruff

Marlene Dumas: Black Drawings, 1991-92

Het gegeven alleen al zet je rechtop in de stoel: blanke kunstenaar schildert 111 donkere mensen. En die blanke kunstenaar is ook nog eens afkomstig uit Zuid-Afrika, het land dat zo lang in oorlog was door de strikte scheiding tussen blank en zwart.

Dan heb je wel lef. Of mededogen.

Waar veel van dit soort series het effect hebben dat ze alle individualiteit van de afgebeelde personen minimaliseert, is de werking hier juist andersom. De serie tekeningen met Oost-Indische inkt van Marlene Dumas (1953) benadrukt de 'zwarten' niet clichématig als groep of ras, met zijn eigen karakteristieke, eenvormige uiterlijk. Er staan weliswaar enkel zwarte mensen op, mannen en vrouwen van verschillende leeftijd. Maar door alle onderlinge verschillen krijg je niet het idee dat je hier met dé zwarte mens, de Neger, van doen hebt.

De tekeningen tonen het humanisme, de menselijkheid - wat op zich een verontrustende constatering is. Het blijkbaar noodzakelijke gegeven dat ook de zwarte een mens is. Maar in die tijd, een jaar nadat Nelson Mandela als vrij man de gevangenis was uitgewandeld, was de serie niet minder dan een statement. Zeker omdat deze afkomstig was van een blanke kunstenaar (die zichzelf naar alle waarschijnlijkheid rechtsboven heeft afgebeeld, de hand uit schaamte voor het gezicht).

Door het gezicht van de zwarte Zuid-Afrikaan te tonen is de serie tegelijk een teken van optimisme. Nu wij!

Black Drawings, 1991-1992, Marlene Dumas Beeld Gert Jan van Rooij/Stedelijk Museum

August Sander: Menschen des 20. Jahrhunderts, 1924-1964

Lastige samenloop van omstandigheden. Precies in de tijd dat August Sander (1876-1964) zijn eerste fotografische inventarisatie van de bevolking rond Keulen maakte, formuleerde Hitler (in Mein Kampf) zijn eerste ideeën over raszuiverheid, over Ariërs als de echte Duitsers en Joden als gedegenereerd volk.

Sander begon halverwege de jaren '20 met het maken van portretten van boeren, notarissen, leraren, politici, schoorsteenvegers. Hij koppelde de fysionomie en lichaamstaal van de geportretteerden aan hun beroep, geslacht en status. In honderden opnamen gaf hij daarmee een overzicht, naar objectieve maatstaven, van wat de Duitse bevolking aan typologieën, zoals hij het noemde, had voortgebracht. Het was een vorm van fotografie die paste in het Nieuwe Zakelijkheid-dogma van registreren, zoals Albert Renger-Patzsch destijds industriële producten vastlegde, Karl Blossfeldt systematisch planten inventariseerde en Eugène Atget alle Parijse arrondissementen.

Door zijn zakelijke benadering en de standaardisering van opnametechnieken en compositie, geldt Sander als de vader van dit soort kunst. Veel fotografen die methodisch en vergelijkend te werk zijn gegaan, zijn schatplichtig aan Sander. Zoals Hilla en Bernd Becher, Thomas Ruff en Richard Avedon. Of denk aan de manier waarop Stephan Vanfleteren in zijn portrettenreeks Hollandse Koppen de 'Nederlander' heeft vastgelegd (nu in het Rijksmuseum te zien).

Objectief was Sanders onderzoek niet. Het boek dat hij publiceerde, Menschen des 20. Jahrhunderts, laat zich namelijk ook lezen als een fotografische stamboom, licht moralistisch geordend vanaf de oorspronkelijke, hardwerkende boeren tot de wat meer flamboyante stedelingen (en alle armoelijders die daarbij hoorden). Eindigend in het hoofdstuk Die letzte Mensen: blinden en oorlogsslachtoffers. Met als allerlaatste foto een opgebaarde boerin, als teken dat een tijdperk voorbij is.

Sander wilde met zijn boek de 'ware psychologie van onze tijd en ons volk geven.' Een zin die in het licht van wat Hitler met zulke woorden bedoelde behoorlijk griezelig klinkt. Toch had Sander geen aspiraties bepaalde bevolkingsgroepen te veroordelen of te vernietigen. Hij was fotograaf, iemand die de bevolking uit zijn geboortestreek wilde vastleggen. En waarschijnlijk ook uit sentimentele overwegingen: in de vaststelling dat de agrarische wereld aan het verdwijnen was en de stedelijke maatschappij in opkomst.

Het was zijn drijfveer om die verandering in kaart te brengen, inclusief alle nieuwe inwoners en beroepen. Dus ook de opkomst van de nazi's, waarbij Sander, om 'objectieve' redenen, ook Joden ging portretteren. Het was een gewaagde combinatie, die er toe leidde dat een deel van zijn archief door de nazi's werd vernietigd.

Jonge natonaal-socialist, 1941, August Sander Beeld DACS, London, 2014.
Nazi-officier, 1944, August Sander Beeld DACS, London, 2014.
Slachtoffer van vervolging, 1938, August Sander Beeld Tate and National Galleries of Scotland

Op het eerste gezicht. Teylers Museum, Haarlem. T/m 8/2.

Levenslang: het criminele brein. Het Dolhuys, Haarlem. T/m 29/3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.