Voor altijd Betjeman-tijd

28 augustus was het een eeuw geleden dat de Engelse dichter en beroeps-Engelsman en -Anglicaan John Betjeman werd geboren. Zijn tijd zou voorbij moeten zijn, maar voor vele Engelsen zal het altijd Betjeman-tijd blijven zo lang de kerkklokken luiden, de Victoriaanse kerken en kerkjes de troost van geur en gezang...

Misschien ook zo lang zijn gedichten gelezen blijven, – ik weet niet of er nog gevoelens voor zijn. Weg is in elk geval zijn lange autobiografische Summoned by Bells, een waterig gedicht. (Al in de titel zijn daar de klokken en bellen.) Zijn vriend Evelyn Waugh schreef er bij verschijnen in zijn dagboek over:

‘John laat zien hoe veel moeilijker het is blanke verzen te schrijven dan versjes; het gedicht roept de vraag op: waarom ging hij niet in de zaak van zijn vader? Het zou veel eervoller zijn geweest (en nuttiger) om kostbare asbakken te maken dan op de televisie te komen.’ Hier spreekt ook de schijn-adel. (De firma Betjeman maakte heel dure kitsch; een vergelijking tussen die kitsch en Betjemans werk is bij mijn weten nooit gemaakt.)

Helemaal verdwenen is het ongelooflijk populaire fenomeen dat Betjeman was. Dat stierf op 19 mei 1983, een lichaam uitgeput door jarenlange liefkozingen van het hele volk. Wie het eenzaamst van allen achterbleef was zijn teddybeer Archibald (ik herinner mij de Engelse kranten van de dag na zijn dood: een en al zorg om Archi). Voor de charme van Betjeman en de onnozelheid van Archibald bezweek bijna iedereen.

Alleen Betjeman kon niet lang voor zijn dood – hij zat al in een rolstoel – op de televisie verklaren dat hij in zijn leven te weinig seks had gehad. Het is typerend: hij heeft vele jaren zichzelf, zijn gevoelens, zijn privéleven in de uitverkoop gezet, niet alleen in zijn gedichten die beschamend dicht bij zijn stem en sentimenten komen, maar in al zijn uitingen.

Zijn te openlijke religiositeit – hij vereerde de God van Engeland, in diens vele woningen en in de hymnen en raakte er niet over uit gepraat en geschreven – zou koket aandoen als hij niet ook zo naïef was. Hij had de theologische kennis van een kind. (Hij was natuurlijk een gemakkelijke prooi voor de duivelse Waugh.) Zijn gelukkig makende naïveteit was, dat hij per dag vier keer verliefd werd en een keer in de maand heel intens, zijn noodlot was zijn huwelijk met Penelope Chetwode, die scherpzinniger en rationeler was dan hij. Vijftig jaar was hij met haar getrouwd, een groot aantal jaren daarvan had hij een adellijke vriendin, die hofdame was van prinses Margaret. Tot overmaat van ramp werd Penelope ook nog rooms-katholiek.

Twee goden in één huis, dat was onmogelijk. Naar de woorden van een vriend was Betjeman de enige Engelsman die tegelijk getrouwd, overspelig en vrijgezel kon zijn. Met die drievuldigheid heeft hij nooit raad geweten. Hij heeft een minder gelukkig leven gehad dan zijn uitbundig genieten van alles kon den vermoeden.

Zijn honderdste geboortedag is gevierd met een nieuwe biografie. De auteur is A.N. Wilson, die een aantal sterk ironische romans heeft geschreven naast enkele heel goede biografieën. Ik herinner mij die van C.S. Lewis en van Hilaire Belloc, stevige boeken.

In zijn biografie van Betjeman blijkt hij een romanfiguur van zichzelf: hij is lichtzinnig, een grootmeester in het roddelen, beweegt zich fluitend tussen de vele homo- en biseksuelen, schrijft een haast loszinnige stijl en is geestig als geen ander (ik heb in jaren niet zo hard bij een biografie moeten lachen). Kortom: hij dringt zich in de wereld van Betjeman, hij lijkt iedereen persoonlijk te hebben gekend en in de verschillende werelden – de adel, de kunstenaars, de Anglicaanse priesters – helemaal thuis te zijn.

Niemand wordt echter het slachtoffer van zo veel soms vileine opgewektheid. Wilson bewondert Betjeman oprecht, zijn poëzie en ander werk, zijn humor, zijn vermogen ieder voor zich in te nemen en ook nog de tijd waarin hij leefde, de Betjeman-tijd, die ver uitgelopen negentiende eeuw. Niet minder het speelgoedland dat Engeland bij Betjeman soms wordt. De biografie heeft één plaats van handeling: de kinderkamer. Betjeman is daar nooit uitgekomen.

De nadruk in deze biografie ligt op de talrijke relaties uit Betjemans leven, van zijn ouders tot zijn kinderen, van zijn leraren (op de lagere school even T.S. Eliot) tot zijn tutor in Oxford (daar trof hij tot zijn ongeluk C.S.Lewis, die Betjeman niet mocht, hij liet zich door de charme van de student niet verleiden), van zijn zijn ontelbare vrienden tot zijn weinige vijanden (dat waren bij zijn poëzie de critici; alleen Philip Larkin is een oprechte bewonderaar).

De biografie is ook een boek over de liefde die vriendschap heet. Van Oxford – daar ligt de basis van veel vriendschappen – tot in zijn laatste dagen in Cornwall wordt de vriendschap beoefend: er wordt heel druk gecorrespondeerd, men logeert bij elkaar, men ontmoet elkaar ook veelvuldig. Men raakt elkaar ook veel aan, vermoed ik. Het bijhouden van alle relaties moet welhaast een dagtaak zijn geweest. Betjeman heeft van jongs af aan een zwak – ook een vorm van vriendschap – gehad voor de priesters in zijn leven. Hij had vele vrienden onder de al of niet excentrieke bedienaren van de kerk van Engeland. Misschien is dit wel het allerhoogste in de vriendschap: bij een enkele priester-vriend biechtte Betjeman geregeld (hij was een drukke sacramentenontvanger).

Al die relatieverhalen geven de gossip-kant van Wilson alle kansen. Zijn boek is ook een verzameling portretten en in het tekenen daarvan is hij vaak een zeer geestige meester, ook door zijn ijzeren geheugen voor krankzinnige anekdoten. Met deze biografie is Betjesmans honderdste verjaardag een feest geworden. Of de slingers niet te talrijk zijn? In 1982 publiceerde de historicus Patrick Taylor-Martin een beknopte biografie. Die is schoolser dan die van Wilson, ze is ook ernstiger en in een aantal opzichte gedegener.

Betjeman is hier een serieuze entertainer. Naar inzichten is het boek soms ook scherper. Maar Wilson wint het ruim in stijl, in amusementwaarde, in de beschrijving van een tijdperk, in waardering van de poëzie. (Van de tweehonderd gedichten acht hij er dertig goed; voor de andere had de dichter nog minstens twee keer moeten passen, zoals Wilson het wat Saville-Rowachtig uitdrukt.)

Betjemans vrouw was de dochter van een veldmaarschalk. Zij trouwde beneden haar stand (mensen als Betjeman ontvangt men, maar trouwt men niet, zei haar moeder). Na het huwelijk zei de vader tegen zijn schoonzoon: ‘Je kunt me geen Philip (zijn voornaam) noemen, dat doet men niet, ook geen vader, want ik ben je vader niet. Noem mij maar veldmaarschalk.’ Betjeman is altijd de iedereen en alles veroverende onderofficier gebleven.

A.N. Wilson: BetjemanHutchinson, import Van Ditmar375 pagina’seuro 34,75ISBN 0 09 179702 0Hutchinson, import Van Ditmar375 pagina’seuro 34,75ISBN 0 09 179702 0

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden