Volkskrant Leesclub over ‘Bies’: Het tweede korte verhaal van Maarten Biesheuvel

Wat is het beste verhaal van Maarten Biesheuvel? Over die vraag wordt gediscussieerd in de Volkskrant Leesclub onder begeleiding van criticus Onno Blom, die de schrijver goed heeft gekend en de biografische schets schreef in Biesheuvels driedelige Verzameld Werk.

null Beeld Sophia Twigt
Beeld Sophia Twigt

Als eerbetoon aan de afgelopen zomer overleden schrijver gaat uitgeverij Van Oorschot een ‘eredundruk’ uitgeven, Schip in dok, een bloemlezing van Biesheuvels meest geliefde verhalen. Lezers kunnen tot 10 januari 2021 suggesties doen en zo de bundel helpen samenstellen. Bovendien publiceert Van Oorschot elke week een evergreen van ‘Bies’ op onze website. Dit is het tweede verhaal, getiteld ‘Handwerk’, uit Duizend vlinders, 1981. Moet dit verhaal worden opgenomen in de ‘eredundruk’?

Zegt u het maar. Aanmelden via Facebook.

‘Handwerk’ Uit: Duizend Vlinders, 1981

Door: J.M.A. Biesheuvel

De professor zat op zijn leren bureaustoel in zijn grote kamer. Het was een geweldig vertrek en rondom het bureau stonden ruim tweeduizend boeken in hoge kasten. Hij zat gebogen over een proefschrift waar hij niets van begreep. Hij was een kenner op het gebied van de antropologie, hij had er zelf wel twaalf boeken over geschreven, lijvige delen. Tot nog toe had hij alle proefschriften over het onderwerp waarin hij thuis was gesnapt, hij had er met gemak over mee kunnen praten. Dit keer echter hadden ze hem vanuit Parijs iets opgestuurd. Het was een geweldige eer voor hem: in de lichtstad hadden ze niet goed begrepen waar dit werk over ging en men kon toch moeilijk zeggen tegen de promovendus: ‘Nous n’avons rien compris de votre thèse, maintenant nous sommes dûs de vous donner le summa cum laude.’ Daarom hadden de heren professoren uit Parijs een exemplaar van het proefschrift naar hem gezonden en ook hij, dr. Peters, kon er geen touw aan vastknopen. Dit was wetenschappelijke wartaal of het was een geniaal werkstuk. Het regende buiten en hij had de ramen openstaan. Hij ging bij het venster staan en hoorde de regen vallen. Hier en daar zong aangenaam een vogel. Er kwam een dame met boodschappen in haar tas voorbij, er passeerde een luxeauto. De zon was niet te zien, vandaag begraven in grijze sluiers. Ongeveer een kwartier bleef de professor zo staan. Hij floot deuntjes uit opera’s die hij goed kende. Tenslotte ging hij weer aan zijn bureau zitten en krabbelde zich op zijn haast kale hoofd. Hij zette de radio aan, er kwam heel duidelijk een strijksextet van Brahms door. Vijf minuten zat hij daarnaar te luisteren, maar zo kon hij zich niet concentreren. Hij draaide de knop weer om met het doel zich weer aan het vreemde werkstuk te wijden. Het motto van het proefschrift was: ‘Als men maar lang genoeg trommelt, verdwijnt op den duur vanzelf de zonsverduistering.’ Het werk ging over begrafenisriten bij de Egyptenaren en over de rol die de zon daarin speelt. Het proefschrift was vierhonderd bladzijden dik en telde maar weinig noten. Het was in een krankzinnig moeilijk Frans geschreven. Dr. Peters zat te zweten en te zwoegen, hij sloeg er andere boeken op na maar kon niets vinden over dit onderwerp. Hij begon door zijn kamer te ijsberen en mopperde: ‘Sakkerloot, voor de donder, allemachtig, wat is er nu toch eigenlijk aan de hand? Tot nu toe is een proefschrift altijd een fluitje van een cent voor mij geweest en nu ineens dit, nom de Dieu!’ Op dat ogenblik ging de bel. Zijn vrouw en kinderen waren niet thuis, een dienstbode was er ook niet. De professor keek uit het raam en zag een oud kereltje met een mand op zijn rug voor de deur staan. De oude was klaarblijkelijk komen lopen want hij was drijfnat. Onze geleerde, die maar al te graag gestoord wilde worden, riep naar beneden: ‘Wat is er van uw dienst, meneer?’ ‘Ik ben de matter,’ riep de oude op straat voor de deur terwijl hij naar boven keek. De professor zag een oud, verweerd, gerimpeld gezicht, flink bruin met flaporen en in dat gezicht glinsterden twee blauwe, slimme oogjes. ‘De matter?’ riep de geleerde, die er nog niets van begreep. ‘Jawel,’ zei de oude, ‘ik kom immers de stoelen maken.’ ‘Oh, ik begrijp het al, ik weet het alweer,’ riep de geleerde, ‘ik kom onmiddellijk naar beneden.’ Hij sloot het raam en liep snel de trappen af. Hij opende de deur en de oude met zijn spullen kwam binnen. De geleerde bracht de werkman naar de huiskamer. Daar stonden vier stoelen om de tafel waarvan de bematting geheel stuk was gegaan. De werkman liet er glimlachend zijn blik over glijden. ‘Dat zijn nog puike stoeltjes,’ zei hij. ‘Inderdaad prachtige stoelen,’ antwoordde Peters, ‘ze zijn al meer dan honderd jaar in de familie, het houtwerk is nog helemaal goed, maar de zittingen zijn door en door versleten.’ De werkman zette zijn mand neer en haalde zijn spullen eruit. Hij pakte een van de stoelen en ging op de grond zitten. Hij legde de stoel op zijn knieën. Hij keek om zich heen. ‘Prachtig huis hebt u anders, meneer,’ zei hij, ‘het ligt hier zo rustig. Wat hebt u een fraaie schilderijen aan de wand en wat een boeken in de kasten hier, en dan tel ik wel vier katten. Zijn die allemaal van u?’ ‘We hebben zes katten, maar twee katers zijn op het ogenblik al een paar dagen weg. Die zijn op de vrouwtjesjacht,’ zei Peters. Hij nam een fauteuil en ging voor de afleiding en de gezelligheid zo zitten dat hij precies kon zien wat de werkman deed. Behendig rukte die met behulp van een scherp mes en een tang de oude biezen van de stoelen. ‘Spaanse biezen,’ mompelde hij, ‘dat is altijd rotzooi, je moet biezen uit de Biesbos hebben meneer, die gaan gegarandeerd eeuwen mee.’ ‘Hoe komt u eigenlijk aan die biezen?’ vroeg Peters. ‘Die snij ik zelf,’ zei de oude, ‘ik ga met mijn bootje de plas op en zoek de beste biezen uit. Biezen zijn alleen geschikt als ze in brak water groeien. Thuis leg ik ze te drogen in de zon en als ze eenmaal een grijs-groene kleur hebben zijn ze klaar voor verwerking. Ik heb dit werk mijn hele leven gedaan.’ De professor ging er eens voor zitten en vroeg, nu niet meer denkend aan het vreemde en moeilijke proefschrift: ‘Vertelt u me eens wat meer van dat snijden. U hebt wel een heel romantisch beroep, geloof ik, in onze geheel vertechnologiseerde en gecomputeriseerde wereld. We leven in de tijd van de snelle communicatie, bent u wel eens in het buitenland geweest?’ De matter begon te lachen. ‘Wat zou ik daar moeten zoeken meneer?’ vroeg hij, ‘ik ben geheel tevreden met Nederland, ik ben nog nooit over de grens geweest.’ ‘Vertelt u me alstublieft eens wat meer over de Biesbos, in welke tijd van het jaar gaat u nu biezen snijden en verzamelen?’ vroeg de professor. En de matter begon, terwijl hij vlocht, niet opkijkend van zijn werk dat hij heel secuur deed, een heel verhaal te vertellen van roeiboten, eb en vloed, eenden die hij ving, vreemde vissen die hij was tegengekomen, mooie zonsopgangen, hij vertelde ook dat hij een keer een uurtje in het gras had liggen slapen en dat een dief toen al zijn spullen had gepakt, de roeiboot ook. Een paar dagen later had hij de dief gevonden en hem een blauw oog geslagen. Al zijn spullen had de matter teruggevonden. Hij vertelde hoe heerlijk het was om ’s morgens vroeg op het water te zijn, hoe stil het kon zijn in de kreken, hoe aardig het was om er de nachtegaal te horen, soms overstemd door het gekrijs van de meeuwen. ‘Alles is er groen en stil, meneer,’ zei hij, ‘het enige dat je hoort is het gekabbel van de golfjes tegen de boot.’ Toen begon hij verhalen te vertellen die hij nog van vroeger kende en die hij van reeds gestorven matters had gehoord. Twee uur lang was hij bezig en zijn werk vlotte aardig. De professor moest even naar het toilet en bleef vijf minuten weg. Toen hij weer in de kamer kwam zat de matter daar met een rood hoofd. ‘Wat is uw hoofd plotseling rood,’ zei Peters. ‘Dat komt van de inspanning,’ antwoordde de matter, maar Peters meende dat hij er iets anders achter moest zoeken. ‘Het werk is klaar,’ zei de oude, ‘wilt u misschien meteen betalen, dat is dan honderdentwintig gulden.’ Peters haalde zijn portefeuille en betaalde de man, die vriendelijk groetend vertrok. ‘Mocht u me ooit nog eens nodig hebben,’ zei hij, ‘hier is mijn adres, ik heb zelfs telefoon.’ Hij zwaaide gedag en verdween om de hoek van de straat. Een week later begonnen de poezen vaak aan één stoel te ruiken en vervolgens rukten ze die helemaal open. Peters en zijn vrouw begrepen er niets van. ‘Wat doen die vermaledijde katten toch met die stoel?’ vroeg de geleerde, ‘je kunt die beesten eenvoudig niet op een afstand houden.’ Op dat ogenblik was de stoel geheel door en kwam er een half verrotte haringkop uit de biezen vallen die de katten snel oppeuzelden. Het was waarschijnlijk de bedoeling van de matter geweest dat die kop ongezien uit de stoel was gekomen! Mevrouw Peters begon te lachen. ‘Dat is mijn grootmoeder ook een keer overkomen,’ giechelde ze, ‘dat doen de matters expres, ze verstoppen in een huis waar katten zijn een stuk vis in de zitting van een stoel opdat ze nog een keer terug kunnen komen.’ Peters begreep nu waarom de oude met zo’n blozend, rood gezicht de laatste stoel had afgemaakt toen hij van het toilet de kamer weer binnenkwam. ‘Doen ze dat maar één keer, die truc?’ vroeg Peters zijn vrouw. ‘Ja,’ zei ze, ‘beslist, en je moet clementie met die matters hebben, ze verdienen toch al zo weinig en veel werk hebben ze niet meer te doen nu het de gewoonte van de mensen in hun welvaart is geworden om oude stoelen maar meteen weg te gooien.’ Peters haalde zijn schouders op en begon in zijn studeerkamer te zoeken naar het adres dat de oude had achtergelaten. Daarbij viel zijn blik op het proefschrift waarin hij nog steeds niet verder was gekomen. Tenslotte vond hij het vergeelde papiertje. Hij belde op en kreeg een oude mannenstem aan de lijn. ‘Met Van Waning,’ zei deze. De professor legde uit dat om onverklaarbare redenen de poezen een van de stoelen hadden kapotgemaakt. ‘Dan hebben de wortels van die biezen bij een vissenest gestaan,’ zei Van Waning, ‘dat komt wel meer voor, de poezen ruiken dat en maken de boel kapot, dekselse beesten zijn het, maar over een week kan ik bij u zijn om de zaak te repareren. Het adres weet ik nog precies, goedenavond meneer.’

J.M.A. Biesheuvel Uit: Duizend Vlinders, 1981

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden