Volkskrant Leesclub over ‘Bies’: Het eerste korte verhaal van Maarten Biesheuvel

Wat is het beste verhaal van Maarten Biesheuvel? Over die vraag zal vanaf vandaag de komende maand worden gediscussieerd in de Volkskrant Leesclub onder begeleiding van criticus Onno Blom, die de schrijver goed heeft gekend en de biografische schets schreef in Biesheuvels driedelige Verzameld Werk.

null Beeld

Als eerbetoon aan de afgelopen zomer overleden schrijver gaat uitgeverij Van Oorschot een ‘eredundruk’ uitgeven, Schip in dok, een bloemlezing van Biesheuvels meest geliefde verhalen. Lezers kunnen tot 10 januari 2021 suggesties doen en zo de bundel helpen samenstellen. Bovendien publiceert Van Oorschot elke week een evergreen van ‘Bies’ op onze website. Dit is het eerste verhaal, getiteld ‘Reisavonturen’, uit Duizend vlinders, 1981. Moet dit verhaal worden opgenomen in de ‘eredundruk’? 

Zegt u het maar.  Aanmelden via Facebook

Reisavonturen. Uit: Duizend vlinders, 1981.

door Maarten Biesheuvel

Een paar weken geleden, in de maand juli, zou ik met mijn vrouw en hond gaan zeilen met mijn zwager, die een comfortabel en prachtig zeiljacht heeft. We zouden drie dagen wegblijven. Een van de reismogelijkheden was om van Leiden naar Roosendaal met de trein te gaan en daar de bus te nemen naar Willemstad, waar het jacht in de haven lag. Ik had het gevoel dat ik al eens diezelfde rit met de bus had gemaakt en dat die wel twee uur duurde. Na langdurige bestudering van een landkaart kwam ik met een ander plan op de proppen. We zouden in Lage Zwaluwe, vlak over het Hol‐ lands Diep, achter de Moerdijkbrug uitstappen en daar proberen een taxi te krijgen die ons naar het achttien kilometer verderop ge‐ legen Willemstad kon brengen. We hadden maar één tas bij ons. In de trein filosofeerde ik over allerlei onderwerpen, ik was blij te bestaan en van alles mee te maken. Ik dacht ook na over de ondeugende dromen die ik de voorafgaande nacht had gehad. Ineens schoot mij een verhaal van Rein Dool te binnen: ‘Kippen hebben geen gebitje. Nou zou je je afvragen hoe ze dan zo goed die harde maïskorrels en het graan kunnen verteren. Het is zo dat een goede kip ook af en toe kleine ronde steentjes oppikt, ik heb wel eens een kippemaag opengemaakt en die zat vol met steentjes. Biologen hebben uitgevonden dat de maag van een kip tijdens de spijsverte‐ ring een draaiende beweging maakt, tegelijk krimpt hij beurtelings in en zet weer uit. Dat graan en maïs zitten dus eigenlijk als tussen molenstenen in een molen. Dat gaat allemaal goed. Het zijn maar van die kleine dingen, maar op school leren ze je het niet. En, Maar‐ ten, bijen paren op twee kilometer hoogte, dat leer je ook niet op school. Daar schiet me nog iets te binnen. In Frankrijk heb je in sommige vijvers plompeblaren, op het ene blad zit een rupsmannetje, op het andere een rupsvrouwtje. Hoe die daar komen is weer een ander vraagstuk. Maar hoe komen die rupsen nou bij elkaar voor de voortplanting? Ze knagen heel kleine vlotjes uit het plompeblad, gaan daar op zitten en drijven of peddelen dan naar een mannetje of een vrouwtje. Ik heb eens in zo’n vijver tijdens de paringstijd honderden van die vlotjes verzameld en ze waren allemaal precies twee centimeter in doorsnee. Je kon ze boven op elkaar leg‐ gen en dan had je gewoon een lijnrecht stokje. Ze pasten precies op elkaar. Aan dat soort dingen zie je maar hoe groot en wijs God is en hoe mooi de natuur in elkaar zit.’ ‘Lage Zwaluwe,’ zei de conducteur en wij stapten uit. Ik zag alleen maar een café en liep erop af. Ik was van plan om daar een taxi te bellen. Het café lag heel vriendelijk en rustig in het stille landschap. Het was de eerste keer van mijn leven dat ik in Lage Zwaluwe uitstapte. Eva dacht dat er hier in de buurt wel helemaal geen taxi’s zouden zijn. Ik zag tot mijn verba‐ zing in grote rode letters boven de ingang van het café het woord taxi staan. Ik ging door de deur en zag daar een man met zijn twee zusters praten. Aan de binnenkant van de deur stond: ‘Café van VictorBuis.’ Het was daarbinnen net een gezellige huiskamer. Misschien waren de twee vrouwen ook wel bezoeksters, maar een van hen zei: ‘Straks maar eens stof afnemen.’ ‘Ik wil een taxi naar Wil‐ lemstad,’ zei ik. ‘Meneer is zeeman!’ riep Victor, die er meer als een boer dan als een kastelein of restauranthouder uitzag. Eva stond buiten met de hond. ‘Ik ben zeeman geweest,’ zei ik bescheiden, ‘maar niet zo lang.’ ‘Meneer is stuurman geweest op de grote vaart,’ zei Victor en zijn zusters beaamden het. ‘Ik zie dat aan de manier van lopen en de blik in de ogen,’ merkte Victor op. ‘Maar tegenwoordig werk ik als jurist in een ziekenhuis,’ zei ik. ‘Wat doet een jurist daar?’ vroeg Victor zich af. ‘Ik lees er Sartre en Dostojevski,’ legde ik uit. ‘Eerst koffie drinken,’ zei Victor,‘ik zie dat u uw vrouw buiten hebt laten staan. Roep die eens binnen. Zonder koffie gaat het niet.’ Eva kwam binnen en we dronken koffie met zijn allen. ‘Wilt u weten wie hier in de buurt wonen?’ vroeg Victor. Hij noem‐ de wat namen en beroepen. Voor een zekere Brands moest ik op‐ passen, dat was een aartszwendelaar. ‘Wij komen hier misschien nooit meer,’ zei Eva, ‘die Brands kan ons geen kwaad doen.’ We wilden de koffie betalen, maar dat mocht niet: passagiers voor de taxi moesten gesterkt de reis ondernemen. ‘Loop even mee,’ zei Victor geheimzinnig tegen mij. Ik volgde hem en zag achter het huis een nieuwe garage die Victor zelf gebouwd had. Hij vertelde me hoe hij dat had aangelegd. Toen zwaaide hij de deuren open en liet me de auto zien. ‘De beste taxi van heel Brabant,’ zei Victor trots. Hij reed de wagen tot voor de ingang van het café. Eva kwam eraan en de vrouwtjes volgden haar met de armen vol kussentjes. ‘Mevrouw gaat lekker voorin,’ zeiden de dames, die toch wel zusters van Vic‐ tor moesten zijn en mede‐eigenaressen van het café en taxibedrijf. Eva kreeg een kussentje voor onder haar voeten en twee kussentjes in de rug. Een babbelaar kreeg ze ook nog toegestopt voor onder‐ weg. Ik ging achterin zitten en kreeg ook kussentjes. Er was een heel groot kussen waar Mikkie op kon zitten. ‘Zullen we dan maar vertrekken?’ riep Victor als uit de cockpit van een supervliegtuig. Een van de dames controleerde de luchtdruk van de banden en een ander bekeek het oliepeil. Daarna vertrokken we met een gangetje van twintig kilometer per uur. ‘Ik zal u de mooiste weg laten zien,’ zei Victor. Er was geen radio in de auto en ook hoorde ik niet voort‐ durend: ‘Biebelebiep! Joop, er staan hier twee mensen die hun jas‐ sen in het ziekenhuis hebben laten liggen, zal ik dat vrachtje maar even nemen, ik bedoel dat Jan even naar de Morsweg gaat? Biebelebiep, goed, doe dat maar. I love you baby, please don’t leave me alone, kadoeng kadoeng, kadoeng. Biebelebiep, Joop, ik moet op de Hoge Rijndijk nummer 44 zijn maar ik kan dat nummer hele‐ maal niet vinden of het bestaat helemaal niet, wat moet ik nou doen? Biebelebiep, dan ga je achter in dat steegje tot bij de wasserij en dan moet je door een tuin rijden, zo kom je er, begrepen? Ja, biebelebiep. Hier volgt het weerbericht: weinig zon, afgewisseld door regenbuien, matige tot sterke wind, overvliegende zwanen kunnen een gevaar opleveren voor laagvliegende jet‐toestellen. Biep de biep, God ziet de wereld als het centrum van het heelal en op die wereld weer is de mens Zijn oogappel, voor ons heeft Hij Zijn enige zoon gegeven. U hoort nu solospel op sambaballen, het lied heet “Looft den Heer”.’ Nee, al die onzin was niet op de radio. Het was stil en we genoten van het landschap. ‘Woda is water in het Rus‐ sisch,’ zei Victor. ‘Wodka is watertje of jenever, most is brug, pont is brug in het Frans, Brücke in het Duits, bridge in het Engels. Do swidanija is tot ziens in het Russisch en do zwiedjenieje is tot ziens in het Pools. Ik had eens drie Sloboden in de auto en die taal heb ik ook opgepikt van de gastarbeiders. Die Sloboden waren onbeleefd, het waren een man en een vrouw met een klein kind. Ze zaten maar ruzie te maken en te schelden op het landschap en mijn auto die te langzaam reed. Op een gegeven moment vraagt dat jongetje: “Kak hoor tjiep faktuaalniej?” dat betekent: “Hoe laat is het eigen‐ lijk?” Ik zei meteen daarop, me omdraaiend: “Est hoor odien!” Dat betekent: “Het is één uur.” Ze waren met zijn allen meteen stil want ze dachten dat ik nu alles verstond. Mooie wei is het hier langs de dijk, vindt u niet? Ik heb hier trouwens schapen lopen. Op dit stuk tussen de weg en de sloot, van hier tot een kilometer verderop, moeten er dertien lopen. Telt u even mee?’ We reden zeer langzaam een kilometer, maar telden maar twaalf schapen. ‘Voor de donder,’ zei Victor, ‘maar twaalf schapen? Dan rijd ik even een kilometer achteruit, heel langzaam want ze moeten er toch allemaal zijn, ik maak me altijd zorgen om die beesten.’ We begonnen achteruit te rijden en telden weer slechts twaalf schapen, maar plotseling zag Eva een oortje achter een dikke boomstam. Het dertiende schaap was gevonden. Victor reed nu opgelucht met een rustig gangetje weer door. De politici deden het niet goed volgens hem. Alle werkelozen die steun trekken moesten aan het werk worden gezet. De dammen in Zeeland kostten te veel geld. Af en toe een overstroming was niet zo erg als het verkwisten van miljarden aan ophoging van alle dijken en het dichten van de Oosterschelde. ‘Onlangs had ik een Estlander bij mij in de taxi,’ zei hij, ‘en die wilde hier naar een tandarts. “Waarom gaat u niet gewoon in Estland?” vroeg ik hem. “Daar mag je je mond niet opendoen,” was het antwoord van de Estlander.’ We waren nu al een aardig eindje op weg. Victor zag een sproeivliegtuigje aan het werk. ‘Even stoppen,’ zei hij, ‘dat gaan we eens goed bekijken, zoiets zie je niet al te vaak.’ Het vliegtuigje kwam steeds uit een grote bocht aanvliegen en sproeide dan een baan koren die door vlaggetjes was aangegeven. Precies aan het be‐ gin van het veld zette hij de sproeier aan en precies aan het eind van het veld gooide hij de installatie dicht. Dan vloog hij recht omhoog, vlak over de taxi heen, wij stonden op een dijk. Ik had het gevoel dat we de vliegenier in de weg stonden, want Victor ging steeds zo staan dat het vliegtuigje precies over de wagen heen moest. Ik zei er wat van. ‘Daar heeft hij helemaal geen last van,’ zei Victor, ‘dat is Pieter de Perelaar, een oude oorlogsvlieger, in de oorlog heeft hij het geleerd. Hij zat bij de Royal Air Force en haalde de gekste stunts uit.’ Toen we lang genoeg gekeken hadden, reden we weer rustig verder. Ik genoot van het landschap. Je zag veel zwaluwen hier. Ik zakte weg in een mijmering, heerlijk als ik was gezeten met de kussentjes in mijn rug en ik lachte omdat we net zo goed een fiets had‐ den kunnen huren en dan nog eerder uit Lage Zwaluwe in Willem‐ stad zouden zijn aangekomen dan met deze wijze van vervoer. (Ik heb eens een jongen, wijzend op zijn motorfiets horen zeggen: ‘Op deze machine kun je je razendsnel voortplanten.’ Na een rit in een limousine door Maine heb ik eens een Duitse passagier tegen de Amerikaanse chauffeur horen zeggen: ‘Dear Bob, thank you for the very interesting fahrt’ en hij begreep niet waarom iedereen zo lach‐ te.) ‘Mag ik u eens een mopje vertellen?’ vroeg Victor, onze chauf‐ feur.‘Ja leuk,’ lachten Eva en ik tegelijk. ‘Drie mannen krijgen twintig jaar gevangenisstraf, maar voor ze de cel ingaan mogen ze een verzoek doen met betrekking tot wat ze bij zich willen hebben tijdens hun eenzame opsluiting. De eerste zegt: “Geef mij maar drie vrouwen van tussen de zestien en twintig.” De tweede oppert: “Geef mij maar drieduizend flessen echte Schotse whisky, mout moet het zijn, mout‐whisky.” De derde vraagt om vierhonderd kis‐ ten goede havannasigaren. Het liefste heeft hij Upmann‐sigaren van vijfentwintig tubetjes met elk een sigaar erin in een doos. Twintig jaar gaan voorbij en de eerste cel gaat open. De man en zijn drie vrouwen komen naar buiten en de man zegt: “Jammer dat het nu al voorbij is.” De tweede gevangene komt dronken naar buiten en zegt: “Wacht even, ik heb nog een halve fles over, die moet nog op, maar dat is in een minuut gebeurd.” Dan gaan de bewakers voor het raampje in de deur van de cel van de derde gevangene staan. Ze zien hoe hij zenuwachtig door zijn cel ijsbeert. De deur gaat open en de gevangene vraagt gejaagd: “Hebt u misschien een vuurtje voor mij, heren?’” Ik lachte door mijn neus (stootjes lucht uitblazend), Eva vond het een raar mopje, hoewel ze voor de beleefdheid even meelachte. De taxi stopte, wij betaalden en onderdehand kon ik al naar Joop op zijn jacht zwaaien. Ik zag dat hij de koffie al klaar had. Terwijl de taxi, nadat we betaald hadden, wegreed, rolden we zo in de kuip van het jacht en werden vriendelijk ontvangen. Het was de leukste taxirit die ik ooit heb meegemaakt en het kostte maar twintig gulden, voor dat geld koop ik anders wel eens een boek dat je na vier bladzijden te hebben gelezen vol walging in een hoek van de kamer smijt, of zie ik een film in een bioscoop die zo humorloos is dat ik na tien minuten weer op straat sta!

Uit Duizend vlinders, 1981

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden