Volkskrant Leesclub over ‘Bies’: Het derde korte verhaal van Maarten Biesheuvel

Wat is het beste verhaal van Maarten Biesheuvel? Over die vraag wordt gediscussieerd in de Volkskrant Leesclub onder begeleiding van criticus Onno Blom, die de schrijver goed heeft gekend en de biografische schets schreef in Biesheuvels driedelige Verzameld Werk.

Leesclub Beeld Sophia Twigt
LeesclubBeeld Sophia Twigt

Als eerbetoon aan de afgelopen zomer overleden schrijver gaat uitgeverij Van Oorschot een ‘eredundruk’ uitgeven, Schip in dok, een bloemlezing van Biesheuvels meest geliefde verhalen. Lezers kunnen tot 10 januari 2021 suggesties doen en zo de bundel helpen samenstellen. Bovendien publiceert Van Oorschot elke week een evergreen van ‘Bies’ op onze website. Dit is het derde verhaal, getiteld ‘Mijn grootste schrik’, uit De Weg naar het Licht (1977). Moet dit verhaal worden opgenomen in de ‘eredundruk’?

Zegt u het maar. Aanmelden via Facebook

Mijn grootste schrik

Door: J.M.A. Biesheuvel 

Ik denk dat ik zestien jaar was toen er op de avond voor Kerstmis een muziekavond bij ons thuis werd gehouden. Meneer Korevaar was er met zijn vrouw, meneer Bakker met zijn vrouw, meneer Jongeneel met zijn vrouw en twee zoons van achttien, meneer Van der Zande met zijn vrouw en twee dochters van zeventien, mevrouw Van de Berg, wier man het afgelopen jaar bij een scheepsongeluk om het leven was gekomen, ze bracht haar dochter Sjaan van zes- tien mee en dan was er ook nog mevrouw Otto die nogal muf geur- de omdat ze zich te weinig verschoonde. Mevrouw Otto woonde aan de andere kant van de rimboe op de Vlaardingerdijk, ze hield onnoemelijk veel katten en twee honden en maakte nooit haar huisje schoon, bakken voor de poezen waren er niet en als de beesten het niet in de tuin deden, deden ze het gewoon in huis. Volgens mijn moeder zou haar ondergoed ook vervuild zijn; mevrouw Otto had geen wasmachine, geen teil en een wasman kwam er nooit langs. Daarom werd ze gemeden. Mijn moeder echter had een groot hart en nodigde haar uit. Tijdens het zingen zat mevrouw Otto te stralen. Ze trok een gezicht van: ‘Kijk nu toch eens eventjes, ik hoor er echt bij.’ Meneer Bakker speelde op de viool, mijn moe- der op de piano, meneer Korevaar speelde op de klarinet, meneer Jongeneel plukte aan de snaren van zijn gitaar en de dochters van meneer Van der Zande speelden op de blokfluit. De rest van de gas- ten zong. Alle bestaande Kerstliederen werden doorgenomen. Tussendoor was er gebak, puddingbroodjes en koffie. Ik heb in de boekenkast een foto staan van mijn broer Arie aan de piano, terwijl hij mij begeleidt, ik speelde toen niet eens onaardig viool, alleen het positiespel was niet je dat en de flageoletten wilden ook niet erg lukken. Maar voor wie eenvoudige melodieën speelt, of alleen maar Psalmen en gezangen, is dat niet het minste bezwaar. De foto is een herinnering aan een gelukkige tijd, je ziet er zelfs, zij het vaag, het huis van mevrouw Otto nog op. Ach, nou vergeet ik één ding te vertellen: de dominee was ook op bezoek, een zeer belezen en wij- ze man met een hoornen bril. Hij droeg een leuk pak en vrolijke schoenen. Hij praatte vaak met mij over Sartre, Hegel, Nietzsche, Kierkegaard en Andersen. Als eerste heeft hij mij in contact ge- bracht met Winnie-the-Pooh. De dominee vond mij een aardige jongen en ik mocht hem ook wel. De dominee schreef in zijn vrije tijd gedichten en soms las hij ze aan me voor. Ze gingen haast altijd over de herfst en de dood. Hij heeft me voor het eerst op een plaat de muziek van ‘Der Tod und das Mädchen’ laten horen en dat vind ik nog steeds de mooiste muziek. Hij had een donkere, gezellige studeerkamer, propvol met boeken en een bureau vol met paperassen, hij verveelde zich nooit en was altijd aan iets bezig. Ik was er heel trots op dat we de dominee in ons midden hadden. Steeds dacht ik er maar over na hoe hij onze schilderijen zou vinden, en de piano, en het vloerkleed, en de gebakjes. Ik keek naar hem, steels. Hij zat er toch deftig bij, een beetje in een hoekje. We zaten alle- maal in de voorkamer, de mooie kamer die alleen ’s zondags werd gebruikt. Wat had mijn moeder gestofzuigd, gepoetst en gestoft. Na een heel jaar sloven, boodschappen doen, de was schrobben en het gemor van mijn vader aanhoren was dit de avond van haar leven. Ze had een zwarte jurk aan met een tamelijk lage hals en op die hals hing een gouden horloge aan een gouden kettinkje. Ze straal- de. Het ‘Gloria’ en ‘Hosannah’ was niet van de lucht. De heerlijkste klanken stegen op uit onze gezellige, gevulde burgermanswoning. Het was warm en benauwd in de kamer en daarom stond er zelfs in deze vriesnacht nog een bovenlicht flink open. De kachel stond te gloeien. We lieten het breed hangen. De dominee zong niet zo erg hard. Ik dacht: ‘Hij doet het om zijn stem te sparen, straks moet hij de nachtdienst nog doen.’ Mijn vader, die altijd verlegen is geweest en er altijd moeite mee heeft gehad om zich in het openbaar gelukkig en opgetogen te tonen, zat in een achterkamer een krant te lezen. Een opengeslagen Bijbeltje lag midden op de tafel vóór hem. In de kerk heb ik hem ook nooit echt horen zingen. Veel verder dan meeneuriën en ‘pompompom’ zingen kwam hij niet. Het ergerde mijn moeder. ‘Doe toch eens gezellig mee,’ zei ze vaak. Als het mooi weer was en mijn vader en moeder fietsten, Ada bij Moe en ik bij Pa achterop, dan keek hij steeds naar zijn voorwiel al reden we door het prachtigste landschap of langs de leukste molens. ‘Geniet nou toch eens een keertje,’ zei mijn moeder dan, ‘kijk toch eens voor je uit.’ Dat kon hij niet. Hij zat ook altijd op het puntje van zijn stoel, opgejaagd, net of hij ieder ogenblik als een hert het bos zou in- springen om te vluchten voor de jager. Meestal stond hij midden in de kamer. Met zijn rug naar het vuur. Zo staan ook inboorlingen, zo hebben ’s nachts altijd de patres familias in het oerwoud gestaan om hun gezin en het vuur tegen de wilde beesten te beschermen. Af en toe liep mijn vader naar de fles. Hij schonk zichzelf een neut- je in en de dominee kreeg er ook een. Maar op zo’n manier dat niemand het in de gaten had. De man van God zat in een hoekje bij de schuifdeuren half tussen de gordijnen. Er was een pauze en toen kwam er koffie met cognac. Nu dronk de dominee in het openbaar. Het begon me te verontrusten, dat verschijnsel. Een dominee die drinkt als een paard? Dat kon er bij mij niet in. Ik drukte de ver- moeiende en bezwarende gedachte weg en wilde er niets mee te maken hebben. Misschien dronk hij het als water en had hij er niet de minste last van. Ik luisterde naar de verhalen van meneer Bakker. Nog maar een paar dagen geleden was een kameraad van hem on- der zijn eigen ogen van een balk in het ruim van een groot schip ge- stort. Hij was meteen morsdood geweest. Het geval greep meneer Bakker zo grondig aan omdat hij al jaren probeerde hem te bekeren. ‘En het zou me zijn gelukt,’ zei meneer Bakker, ‘als ik nog maar een jaar de tijd had gehad.’ We waren allemaal droevig. Mochten we eigenlijk wel zo gelukkig zijn? ‘Hij laat een vrouw en drie kinderen achter, ’zei Bakker, ‘die hebben vanavond ook geen prettige tijd. La- ten we toch hopen dat er geen hel bestaat en dat hij gewoon dood is. Gewoon dood en daarmee basta. Hij heeft rust, laten we het zo zeggen.’ ‘Zo mag ik het horen,’ zei de dominee vanuit zijn hoekje, hij legde zijn ene been over het andere en ik zag zijn vrolijke schoenen, ze waren eigenlijk te frivool. Mijn moeder keek op alsof ze door een horzel gestoken was. ‘Laten we nu vanavond de gedachte aan de dood eens even laten varen,’ zei de dominee nogmaals, ‘en zeker de gedachte aan de hel. We zijn hier op een heerlijke avond bij elkaar en alles is goed. Altijd piekeren over hel en verdoemenis, dat is niet goed, zo kan God het niet met ons voor hebben gehad.’ Mijn vader knikte op de punt van zijn stoel. Hij zat zo ver bij ons vandaan dat het wel leek of hij op het balkon zat, in de kou. De hele avond heeft hij op de punt van zijn stoel gezeten en af en toe geknikt. Natuurlijk heeft hij ook geneuried. En ja hoor!, na de pauze ging hij midden in de kamer staan, vlak bij de kachel, met zijn rug ernaartoe. Hij was altijd als een brombeer die onzegbare problemen had. Ik geloof dat hij zoals Waasdorp het zegt iemand was die niet ‘met ons, maar ook niet zonder ons kon leven’. Het was een heerlijke avond. Want mijn broers Kor en Arie en mijn zusjes Ada en Ko waren er ook. Er werd heel wat afgebabbeld in de pauze, geroddeld werd er niet, geen wanklank werd gehoord. Alles was mooi. Hier hadden we naartoe geleefd. De gezelligste avond van het jaar. Ja, het is jammer dat ik me alle gesprekken niet herinneren kan, maar het was toch net of we er allemaal moed uit konden putten, moed om weer een heel jaar verder te gaan. Na de pauze begon mijn moeder weer op de piano. Ze speelde: ‘Op U mijn Heiland blijf ik hopen, verlos mij van mijn bange pijn.’ Ik wist dat ze dat voor mij speelde. De bezoekers speelden mee en niemand speelde vals. De volwassenen, de jongens en de meisjes zongen dat het een aard had. Schuin door de ruit kijkend zag ik mensen op straat in het lantaarnlicht staan. Ze stonden stil in de sneeuw en luisterden mee. Mijn vader wilde de dominee weer een glaasje geven, maar hij weigerde. Het lied was al veel verder, maar ik zag hem de beginregels mompelen: ‘Verlos mij van mijn bange pijn.’ Uit ieder van zijn ogen kwam een traan biggelen. Ik geloof dat niemand het in de gaten had dat hij even zijn hoornen bril afzette en zijn ogen afwiste. Hoe kon ik ook weten dat wat wij deden voor hem niets anders was dan een ont- roerende uiting geven van ‘la paix des braves gens’ waar Sartre het over heeft? De dominee dronk niet meer en wij zongen door. Na nog een mooi halfuurtje was de avond afgelopen. De mensen drom- den door het huis. De kapstok puilde uit van de kleren en ook op het grote bed van mijn vader en moeder lagen jassen, bonthoeden, herenhoeden en sjaals in alle kleuren. De mensen namen allemaal gelukkig afscheid en velen van hen hoorde ik zeggen: ‘Tot straks in de kerk.’ Van mijn moeder mocht ik met de dominee meewandelen. Hij moest nog even naar huis voor hij naar de kerk ging. Ik keek naar het uitspansel, het was een heldere sterrenhemel. Samen met God was die hele zaak voor mij nog net te begrijpen, hoewel ik altijd al bang was als ik omhoog keek. Net of je in een grenzeloze doodkist keek. Zonder dat ik het echt wilde kreeg ik het met de dominee (die licht waggelend liep – af en toe bonkte hij met zijn zware lichaam tegen mijn tengere gestalte aan) over de grootheid van het heelal, over de eeuwigheid, over het onbegrijpelijke en het griezelige van het bestaan, en dat het toch een grote genade was te mogen geloven in een God die ons allen ziet en alle melkwegstelsels en spiraalnevels houdt in het holle van zijn hand. De dominee liep zwijgend naast mij voort. Hij hikte als een dronken man, als ie- mand die is vol zoeten wijns. Toen sprak hij, en het zijn de ver- schrikkelijkste woorden die ooit van iemand tot mijn oren zijn ge- komen: ‘Beste jongen, je weet dat ik je aardig vind en ik wil je niet beduvelen. De plek waar ik het liefste preek, dat is Ouderkerk aan den IJssel. Ik preek omdat het mijn werk is. Toen ik dominee werd als jongeman, toen geloofde ik nog. Ik geloofde alles wat jij nu ook gelooft. Maar allengs begon ik te lezen, ik las alles wat er los- en vastzat en niet alleen dat wat mij de professoren in Kampen en Amsterdam hadden voorgeschreven. Langzamerhand begonnen de stemmen van de ongelovigen mij tamelijk plausibel in de oren te klinken en ik begon te twijfelen. En op een dag, waarom het uitgerekend Kerstmis moest wezen mag Joost weten, was ik ongelukkig en ongelovig. Lieve jongen, ik heb misschien een paar borrels te veel op. Maar als ik dat niet doe kan ik vanavond niet eens preken. Daarom was ik zo ontroerd toen jullie zongen van “het verlossen van mijn bange pijn”. En weet je, als ik dan gepreekt heb in Ouder- kerk aan den IJssel, in dat mooie kerkje hoog aan de dijk, dan moet ik de zegen geven bij het afscheid, bij het einde van de dienst. Dan zie ik al die mensen met gebogen hoofden in de banken voor me zitten, ik houd dan mijn ogen open en denk: “Ach gelukkige sukkels, wat is het toch vreemd dat jullie naar mij geluisterd hebben en alles geloven.” Zelf kijk ik dan door de ruiten aan de overkant van de preekstoel naar buiten. Ik zie het lage zonlicht glinsteren op de donkere IJssel, en door die lichtbaan op de rivier gaan de aken. Ter- wijl ik daarvan geniet, voor mij bestaat toch alleen het tastbare en het mooie van de natuur, geef ik de zegen aan die boeren die de IJssel niet kunnen zien, maar mij wel, op die dwaze preekstoel, als ze hun ogen tenminste openhielden. Ik geloof net zoveel als een kiezelsteen. Ik zal het je nog gekker vertellen: gisteren zat ik in het park met een kiezelsteen in mijn hand. Een paar bankjes verderop zat een man een boekje te lezen. Ik keek weer naar die steen en dacht: “Waarom is alles toch zo hard, absurd en onbegrijpelijk? Ik wil die steen lezen, ik wil weten wat die steen met zijn miljoenen jaren oude geschiedenis mij te vertellen heeft. Alles heeft zijn zin.” Maar de steen opende zich natuurlijk niet en ik moet verder gaan. Ik kan toch niet nu ineens, nu ik vijftig ben, metselaar worden? Ik ben nu eenmaal dominee en zal het tot mijn dood moeten blijven.’ Al voortlopend keek ik hem met een geschrokken gezicht aan. ‘Verschrikkelijk is het,’ mompelde hij, ‘ik kan niet geloven en ik moet de stervende troosten, ik moet de zieken bijstaan, aan het graf moet ik troost geven en van Zijn Genade spreken, terwijl op het kerkhof een koude, holle wind, als kwam die regelrecht uit de regionen des doods, mij de hoge hoed van het hoofd doet waaien, preken moet ik voor volle kerken en ik kan het zo goed dat ik soms de schone zakdoeken te voorschijn zie komen en achter de brillen verdwijnen, het is met mij nog erger dan met de man die last heeft van pleinvrees terwijl onverlaten hem op het onmogelijk grote en indrukwekkende Sint-Pietersplein op een stoeltje vastgebonden heb- ben en hem precies in het midden van het plein hebben achtergelaten.’ Terwijl hij sprak begon hij te struikelen, zijn vaste tred was er niet meer, voor een dronken man had hij nog aardig gelopen, hij begon meer dan voorheen te hikken, nu ja, ik schaamde me weliswaar niet dat ik met hem over straat moest, maar jammerlijk vond ik het toch. ‘Dominee,’ stamelde ik, ‘het is toch niet waar wat u zegt, zo iets kunt u me toch niet aandoen?’ Onwillekeurig greep ik zijn hand die nat was van het zweet. De dominee zag klaarblijkelijk dat ik geestelijk volledig van mijn voetstuk was gevallen en nu in zak en as zat. En inderdaad ben ik, op een paar andere ogenblikken na, nooit zo ongelukkig geweest als toen. De dominee schudde mijn hand uit de zijne, hield op met hikken, rechtte zijn rug als een man die naar de paal wordt geleid aan welke hij zal worden gefusilleerd, hij begon te stappen als een soldaat, een twee, een twee, regelmatig kwamen zijn voeten nu, ze hadden niets tastends meer, op de grond neer. ‘Ach jongen,’ zei hij, ‘je weet toch hoe ik ben. Een echte romanticus, een beetje melancholiek en vanavond heb ik misschien iets te veel gedronken. God zij dank geloof ik net zoveel als jij. Als ik de genade van de Almachtige niet op mijn leven voelde rusten, kon ik toch beter sterven. Wat dacht jij nou? We leven op de wereld immers niet in een gekkenhuis? Dominees die niet kunnen geloven, chirurgen die niet kunnen snijden, chauffeurs die nog nooit in een auto hebben gezeten, zeelui die nog nooit van navigatie heb- ben gehoord, vliegeniers met alleen maar een opleiding voor typo- graaf, verpleegsters die moeten stenograferen..., nee dat is allemaal malligheid, dat zijn dingen die niet kunnen en niet horen. Neem jij nou een ding aan van mij, lieve jongen..., een dominee is een Godvruchtig en gelovig man net zo zeker als tweemaal twee vier is en een mens niet naar de maan kan vliegen, erop lopen en weer terug- komen.’ Ik keek hem aan, we waren nu vlak bij zijn huis en ik begon te twijfelen. ‘Hij heeft het maar gezegd om me de schrik op het lijf te jagen,’ dacht ik. Maar diep in mijn hart wist ik wel beter. ‘Ja dominee,’ zei ik, ‘en wat zou het verschrikkelijk zijn als wij moesten leven als in de Walging van Sartre, wij zouden met ons verstand dolen aan de uiterste einden van het heelal, altijd zouden we op zoek zijn, altijd ongerust en onzeker, nooit zouden we iets vinden.’ ‘Ridi Paljasso,’ zong de dominee, ‘ik heb jou geen pijn willen doen, jon- gen, ik heb nooit kinderen pijn gedaan en ik ben van plan het nooit te doen. Kinderen zijn onschuldig en goed als Heiligen, ze ver- wachten alles van het leven... ach, wat klets ik toch? Je gelooft toch wat ik je heb verteld? “Boven de sterren, daar zal het eens lichten.” “God ziet de waarheid, maar wacht.” Dat is een sprookje en ik zal het je te lezen geven.’ Hij gaf me een geweldige dreun op mijn schouders en verdween in de pastorie. Hier en daar gingen lichten aan en uit. Ik kon precies zien waar hij liep. Ik, een mannetje van zestien jaar die altijd gelukkig was geweest, en verwend, midden in een gelukkige avond, stond met mijn al tamelijk grote kinder- schoenen op de koude straat, al wachtend mompelde ik: ‘Hij ge- looft natuurlijk niet.’ Ik kon dat niet begrijpen en kan het nu nog niet. Tien minuten heb ik op hem staan wachten. Toen ging het laatste licht in de pastorie uit en kwam hij weer naar buiten. Hij wees op een pakje. ‘Hier heb ik mijn preek,’ zei hij, ‘ik heb hem maar heel globaal en in trefwoorden opgezet. De rest komt vanzelf. Ik denk dat de preek wel een aardig halfuurtje zal gaan duren.’ In de kerk scheidden zich onze wegen. Ik ging tamelijk voorin zitten zo- dat ik hem goed kon zien. ‘Dat loopt fout af,’ dacht ik. Maar hij kwam heel zeker van zichzelf de preekstoel op en liet de dienst beginnen. Weer zong ik de liederen die ik thuis ook al gezongen had. Toen kwam de preek. De dominee sprak ons gloedvol van de genade van de Almachtige, over het Kindeke, over de heerser van het heelal zo eenvoudig in zijn stal of Nietzsche en Sartre eenvoudig- weg niet bestonden. Het was de aangrijpendste Kerstpreek die ik ooit gehoord heb. Na de dienst liet hij zingen: ‘Op U mijn Heiland blijf ik hopen, verlos mij van mijn bange pijn.’ Terwijl wij zongen ging hij zitten. Ik wist dat hij verscholen achter de balustrade zat te huilen en vermoedde dat alleen maar een ongelovige zo mooi pre- ken kon. De dominee probeerde immers zijn eigen verstand te overschreeuwen en in de hoek te drukken. Dat is de grootste in- spanning en het allermooiste misschien waartoe een mens in staat is. Na de dienst heb ik de dominee niet meer gezien. Ik liep met mijn ouders naar huis. Ik vroeg me af of de ouderlingen hadden kunnen ruiken dat hij zo gedronken had. Thuis kroop ik in bed en rilde. Ik rilde met mijn lichaam en met mijn verstand. Het kwade zaad van de twijfel was in mijn ziel gelegd. Mijn grootste schrik is op dat moment door me heen gegaan. Ik wilde bidden maar kon het niet. Na een halfuur woelen, het bestaan kan soms heel genadig zijn, viel ik echter in een droomloze en lange slaap.

J.M.A. Biesheuvel Uit: De Weg naar het Licht (1977)

Lees hier de twee eerdere korte verhalen van Maarten Biesheuvel die we op Volkskrant.nl hebben gepubliceerd: Reisavonturen en Handwerk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden