VOGELVRIJ AAN DE WAND

‘Lelijke’ naoorlogse gebouwen vallen vaak ten prooi aan de slopershamer en daarmee ook de reliëfs, mozaïeken, glaswerken waarmee ze zijn versierd....

Dit had de Rotterdamse kunstenaar Ger van Iersel zo’n beetje in gedachten, toen hij in 1960 zijn crucifix voor de zogeheten ‘aandachtswand’ in de Pauluskerk ontwierp.

Als ware het op de oevers van de rivier de Jordaan, zo daal je af over de hellende vloer, en, beneden in het liturgisch centrum, word je besprenkeld met water, en herrijs je uit de dood, waarna zich vanuit het oosten het licht openbaart dat door het veelkleurige glas boven de dopeling naar binnen flonkert: het zicht op Gods glorie.

Als iemand er wat anders in wil zien: ook goed.

Maar de symboliek van zijn 16 duizend kilo wegende roosvenster van glas in beton – wie het wil zien, moet zich eerst een weg banen door de rookdampen in de ontmoetingsruimte waar de knikkebollende verslaafden van dominee Hans Visser zich ophouden – zal binnenkort nog moeilijker te doorgronden zijn. Plannen voorzien in de sloop van de kerk, tegelijkertijd met de aanpalende oude bioscoop Calypso en het gewezen Rijnhotel. Projectontwikkelaar De Wilgen Vastgoed gaat er een complex neerzetten van woningen, kantoren en winkels, tot 70 meter hoog, en, inpandig, een kerkzaal. Daarin zou ook Van Iersels kruisbeeld kunnen worden geplaatst.

Maar de kunstenaar (84) gruwt al van de gedachte. Op een verdieping, als een apart object in een te kleine zaal; het beeld zal volledig uit de context zijn gehaald – destijds zo zorgvuldig vastgelegd in samenspraak met de architect, Barend van Veen. Een stiltecentrum moest de kerk zijn, waar – uniek voor die tijd – ook doordeweeks hervormde gelovigen terecht konden. Maar zo zonder lichtval van buitenaf, in een hypermodern complex, valt er, zo verwacht hij, weinig inspiratie voor religieuze mijmering te halen.

De kunstenaar loopt buiten naar de achterzijde van de kerk, waar zijn schepping ook in volle glorie zichtbaar is. ‘Dit is een teken van de stad. Vroeger hadden kerken torens. Nu is er dit: zie, hier is de kerk.’

Het crucifix is niet het enige naoorlogse monumentale wandkunstwerk in gevaar. De afgelopen jaren zijn er al veel gesloopt, verwaarloosd of weggekalkt. Niet elke projectontwikkelaar, vastgoedonderneming of woningbouwvereniging is even onder de indruk van al die reliëfs in beton of natuursteen, mozaïeken, beglazingen, tegelwanden, sgraffito’s, muurschilderingen en wandkleden.

Het gros is gemaakt tijdens de bouwwoede in de jaren vijftig en zestig, toen de overheid met percentages van de bouwsom voor nieuwbouw en renovatie kunstenaars aan de gang hield en tegelijkertijd het gemene volk met cultuur in contact bracht. De Stichting Kunst & Bedrijf stimuleerde ondernemingen om niet achter te blijven. Nieuwe kerken, scholen, schouwburgen, verzorgingstehuizen, postkantoren; in het kielzog van timmerman en metselaar verschenen de schilder, de beeldhouwer, de glazenier – niet zelden leden van de Vereniging van Beoefenaars van de Monumentale Kunst.

Het leidde tot een bont decor voor de generatie babyboomers: naast traditionele kunstenaars positioneerden zich nieuwlichters die hun inspiratie bij Picasso en Cobra zochten. De verscheidenheid ten spijt, met de vaak maar matig gewaardeerde architectuur uit die periode, taande ook de betekenis van al die versieringen. Al vanaf de jaren zeventig ging de beeldende kunst steeds meer op in, zoals het toen heette, ‘omgevingsvormgeving’. Op aparte mozaïekjes zat niemand meer te wachten.

Het Instituut Collectie Nederland, de beheerder van het culturele erfgoed, begint zich wel zorgen te maken over de kaalslag aan de gevels. De wederopbouwkunst is vogelvrij: van een beschermde monumentenstatus is geen sprake. De organisatie is onlangs het project Monumentale Wandschilderkunst begonnen. Van tien kunstenaars, onder wie Lex Horn, Louis van Roode, Albert Muis en Wally Elenbaas, wordt als pilot het oeuvre in kaart gebracht.

Adviseur Frans van Burkom van het ICN: ‘Er is nog veel onwetendheid. De werken worden vaak niet eens gezien als kunst. Het is in jaren nog te dichtbij. Als het wel als kunst wordt gezien, is dikwijls de opvatting dat al dat figuratieve werk toch een beetje truttig is. Het valt buiten de canon.’ Dat de panelen kunnen schuiven, heeft het werk Vragende kinderen van Karel Appel wel aangetoond. Zijn muurschildering uit 1949 in het voormalige stadhuis van Amsterdam kreeg na voltooiing zoveel kritiek van ambtenaren, dat het voor tien jaar achter behang verdween. Nu is het een attractie.

Van Burkom trof soms ‘totale desolaatheid’ aan. Muurschilderingen en ramen in enkele Amsterdamse scholen zijn spoorloos verdwenen. Op locaties waar werk nog wel intact is, wordt hij niet altijd met open armen ontvangen. ‘Ik probeer te voorkomen dat eigenaren het idee krijgen dat ze een actiegroep op hun dak krijgen. Maar velen zien de bui al hangen: dit gaat me geld kosten.’

Het lijkt toch ook wel wat veel gevraagd alles te behouden? ‘Het probleem is dat je nu geen afweging kunt maken. Je weet niet wat er is. Natuurlijk: als iemand vijftien muurschilderingen heeft gemaakt, volstaan misschien wel de twee of drie beste ervan. Als een gebouw vol zit met kunst en van functie verandert, kan er best wat weg, maar moet er ook iets blijven zitten. Als ICN kunnen we niks opleggen, maar we mogen ons er wel in mengen, in de hoop dat men voorzichtiger wordt en bijvoorbeeld nadenkt over ander gebruik.’

Soms is er succes. Een muurschildering uit 1955 van Dolf Henkes (1903-1989) in de kantine van de voormalige Caltex-raffinaderij in Pernis, is vorig jaar in stukken gezaagd en in het atrium van de Hogeschool Rotterdam herplaatst. Het is een passende bestemming: stadschroniqueur Henkes schilderde de eerste Nobelprijswinnaar voor de Chemie, de Nederlander J.H. van ’t Hoff.

Vermoedelijk nog deze maand wordt een sgraffito van Lex Horn (1916-1968) van 3 bij 7 meter en een gewicht van 12 duizend kilo het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam binnengetakeld. Het is afkomstig uit het gesloopte Jan Swammerdam-instituut in Oud-West, waar het met twee andere werken de trapomgangen sierde. Horn had de gevolgen van een verkeersongeluk uitgebeeld; het werk dat een ziekenhuisbezoek voorstelt, gaat naar het AMC. De gevaartes hadden anderhalf jaar verpakt in steenwol op de bouwplaats gelegen – op de plek van het instituut verrijzen woningen en een psychiatrisch ziekenhuis. Hoofd kunstcollecties van het AMC Sabrina Kamstra zegt dat de instelling het kunstwerk graag heeft geadopteerd. Een ambtenaar had haar gewezen op het treurige bestaan tussen de bouwkranen. De sgraffito geldt als een welkome aanvulling op de eigen collectie Nederlandse hedendaagse kunst van het AMC.

Stof wolkt door de vertrekken, drilboren splijten met geweld granieten vloeren open. De voormalige LTS-school aan het Timorplein in Amsterdam ondergaat binnen een metamorfose. Woningbouwvereniging Ymere maakt er een multifunctioneel complex van: bedrijfsruimten, horeca, een bioscoop, een theater en een hotel.

Martijn Roos, een helm op het hoofd, beklimt de trappen. ‘Dit had niet veel gescheeld’, zegt de zoon van kunstenaar Aart Roos (1919), abstract expressionist, studiegenoot van Appel en Corneille. Op de tweede verdieping strekt zich een muurschildering in dynamische verfstreken uit, 15 meter breed, 4 meter hoog. Bloemen en Vogels; de signatuur van zijn vader en de datum staan er nog op, links beneden: Aart Roos, 1961. Maar aan de onderzijde lopen ook strepen en cirkels van vetkrijt: een elektricien had alvast uitgezet waar de holtes voor leidingen en stopcontacten moesten worden uitgefreesd.

Roos was zich een ongeluk geschrokken toen hij afgelopen juni langs deze plek fietste. Vorig jaar was hij nog euforisch, toen hij voor het eerst het werk zag. ‘Er oefende een tai chi-groep, gekleed in het wit, en dan daarachter dat blauw, dat groen, dat rood. Ik kreeg er koude rillingen van.’ Het was eindelijk een opsteker tijdens een speurtocht naar het oeuvre van zijn vader, aan de hand van dia’s die hij thuis had aangetroffen. ‘Vrijwel alles is weg!’ Hij heeft het zijn vader, kampend met zijn gezondheid, niet durven vertellen.

Over Bloemen en Vogels is het touwtrekken inmiddels begonnen. Het lot is niet zo apocalyptisch als het geluid van de drilboren doet veronderstellen: Ymere heeft besloten de schildering te handhaven op de oorspronkelijke plek. Over de kunsthistorische waarde bestaat geen verschil van mening: ingeschakelde deskundigen omschrijven het werk als ‘een hoogtepunt in het oeuvre’. ‘Qua kleurstelling en formaat voegt het zich prachtig in de sobere architectuur, en tegenover de strenge ritmiek van de ruimte, inrichting en verlichting stelt het een gevoel van vrijheid.’ Durf daar nog maar eens de slopers op los te laten.

Maar Martijn Roos, eendrachtig optrekkend met de Stichting Aart Roos die de kunstenaar promoot, vindt handhaving ontoereikend. De ruimte is al verkleind: in de aula komen drie kantoren. ‘Het werk komt pas goed tot zijn recht als je er van enige afstand naar kunt kijken.’ Zeker zo erg: Bloemen en Vogels zal niet langer openbaar zijn. Verplaatsing – het liefst binnen het gebouw – is een betere optie, menen zoon en stichting. Onlangs overhandigden ze een petitie aan de gemeenteraad van Amsterdam, met handtekeningen van culturele en politieke zwaargewichten als Rudi Fuchs, Remco Campert, Jan Dibbets, Jeroen Henneman en Hans van Mierlo. Voorzitter Aart Snieders van de stichting Aart Roos: ‘Dit is een lakmoesproef voor de manier waarop Amsterdam met deze kunstuitingen omgaat.’

Wat Ymere betreft is de proef al achter de rug. Directeur projectontwikkeling Emile Spek geeft toe dat de vereniging het bijzondere karakter van Roos’ schildering niet onmiddellijk onderkende – ‘we hebben even gedacht dat studenten het hadden gemaakt’. Maar nadat onderzoek de waarde had bevestigd, ‘hebben we onze verantwoordelijkheid genomen’. Zo komt Bloemen en Vogels te rusten op een stalen constructie: een verdieping lager verdwijnt een draagmuur. Schade wordt hersteld. Beneden in de hal komt een replica. De nieuwe huurder krijgt de verplichting de wand vrij te houden en moet rondleidingen toestaan. Het is volgens Spek te verkiezen boven verplaatsing. ‘Wij denken dat de schildering dat niet zal overleven. Het zit op een oude buitenmuur, de kans op verbrokkeling is groot. Laat duidelijk zijn: het hoort op deze plek. We zijn er trots op.’

Thuis, aan tafel, bladert kunstenaar Ger van Iersel in een map met zijn werk. Van zijn eerste opdracht, een muurschildering in de consistoriekamer van de Andreaskerk in Rotterdam-Noord, tot aan een paukenslag, het reusachtige glasappliqué in het ANWB-hoofdkantoor in Den Haag. Soms houdt hij de bladzijden wat langer stil. Hier, het object van geappliqueerd glas in de hal van het verpleeghuis Rustenburg. Weg. Gebouw gesloopt. Lijnen in gekleurd keramiek in de gangen van de metro onder het Centraal Station. Verdwenen.

Zijn vrouw zegt: ‘Het zijn net zijn kinderen.’ Van Iersel: ‘Als je ze maakt, dan denk je er niet aan dat ze ooit zullen verdwijnen.’

Soms begrijpt hij dat het niet anders kan. Maar dat crucifix van de Pauluskerk? ‘Het is een historische plek. Een tijdsbeeld. Er was optimisme, toen. Elan! Met mekaar er tegenaan. Dit mag je niet afbreken.’ Van Iersel voelt zich niet gesteund door cruciale partijen. De diaconie, eigenaar van het pand, schaart zich niet aan zijn zijde. Dominee Visser, hoorde hij, noemde hem ‘een moeilijke man’.

Projectontwikkelaar De Wilgen ziet geen alternatief. De sloopvergunningen zijn verleend. In april zwaait de sloperskogel. Projectleider Ben van Vuuren wil het roosvenster graag behouden. ‘Het is een ontzettend mooi ding.’ Hij heeft impressies van de kerkzaal gezien. ‘Dat is toch echt aanvaardbaar.’ Maar als Van Iersel het niet wil? ‘Als het niet ergens anders mag, gaat het verloren.’

Mevrouw Van Iersel slaat de map dicht. ‘Laten we bidden om een wonder.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden