Vlootvoogden en zeereporters

Het is aan de schilders Willem van de Velde de Oude en de Jonge te danken dat de beelden van 17de-eeuwse zeeslagen voor het nageslacht zijn bewaard....

Willem van de Velde de Oude (1611-1693) hoefde niet eerst dood te gaan om beroemd te worden. Zijn tekeningen en penschilderijen van zeeslagen werden al tijdens zijn leven in brede kring bewonderd om hun artistieke en informatieve waarde. Maar hoe zou de Republiek der Nederlanden tegen hem hebben aangekeken toen hij samen met zijn schilderende zoon Willem de Jonge (1633-1707) in 1672 naar Engeland vertrok, nota bene midden in de Derde Engelse Oorlog (1672-1674), dus toen de Engelsen voor de derde keer achter elkaar onze vijand waren? Maakten zij zich schuldig aan landverraad? ‘Sommigen neigen in die richting’, schrijft de maritiem historicus Ronald Prud’homme van Reine in Opkomst en ondergang van Nederlands gouden vloot – Door de ogen van de zeeschilders Willem van de Velde de Oude en de Jonge, ‘anderen pleiten de kunstenaars geheel vrij’.

Oude Willem was volgens Prud’homme eigenlijk de eerste oorlogsverslaggever van Nederland, ‘de eerste journalist en oorlogskunstenaar’ die in opdracht van de admiraliteit, de marine, met tekeningen verslag deed van de Nederlandse militaire successen en nederlagen op zee. Zijn eerste tekeningen en penschilderijen van zeeslagen maakte hij nog met informatie uit de tweede hand, dus hij verzon er ook weleens wat bij. Maar op 10 augustus 1653 begaf hij zich voor het eerst per galjoot op zee om achter de Hollandse linies voor de kust van Zuid-Holland tijdens de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) de oorlogshandelingen van vurende en brandende zeebodems vast te leggen in de slag bij Ter Heide (waar Maerten Harpertsz. Tromp dodelijk werd getroffen). Hij zou dat daarna blijven doen, ook nog even in zijn Engelse periode: kunst bedrijven op de golven.

Toen hij in Engeland aankwam, wist hij zich verzekerd van een veilig bestaan onder de vleugels van de Engelse koning Karel II, die een groot bewonderaar van hem was en hem als nieuwkomer in de watten legde met privileges waarop menig edelman jaloers moet zijn geweest. In juni 1673 ging de kunstenaar met een kits van de Engelse admiraliteit de zee op om met evenveel enthousiasme als in zijn Hollandse periode – maar nu dus van Engelse kant – tekeningen te maken van de twee roemruchte slagen bij Schooneveld voor de kust van Oostende, waar Michiel de Ruyter de verenigde Engels-Franse vloot versloeg en zo een buitenlandse invasie wist te voorkomen.

Zouden de Nederlanders toen niet hebben gedacht: landverrader? Prud’homme zeilt een beetje om de vraag heen en volstaat met een impliciet antwoord: veel Nederlandse emigranten hadden zich al sinds het begin van de 17de eeuw in Londen gevestigd, net als andersom een groot aantal Engelsen in de Republiek. ‘Het belangrijkste argument pro de Van de Veldes is echter hun beroep’, schrijft hij. ‘Als kunstenaars konden zij in 1672 onvoldoende verdienen in de Republiek om in hun levensonderhoud te voorzien en lag het voor de hand dat zij hun heil elders zochten. Zij berokkenden hun vaderland daarmee geen concrete schade.’

Het thema van Prud’hommes boek – een gecombineerde geschiedschrijving van de Nederlandse ‘gouden vloot’, de rijkdom en teloorgang van de Gouden Eeuw, en de Van de Veldes – is een weldoordachte keus. De 17de eeuw was de tijd van hoogtij in de Nederlandse schilderkunst, dat samenviel met de drie Engelse oorlogen, waar zo’n beetje de grootste Nederlandse zeehelden uit voortkwamen: Maerten Harpertsz. Tromp, Witte de With, Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp. Hun portretten en daden werden vereeuwigd door ‘de beste kunstschilders’ die Nederland in huis had. ‘Het belang daarvan kan nauwelijks worden onderschat’, schrijft Prud’homme. ‘Zonder de prachtige afbeeldingen van vlootvoogden en hun zeeslagen zou de Nederlandse maritieme geschiedenis van de zeventiende eeuw in later tijd nooit zo populair zijn gebleven.’

De maritiem historicus besloot het werk en leven van de twee zeeschilders te boekstaven toen hij voor archiefonderzoek in de buurt van Piccadilly Circus in Londen logeerde en tot de ontdekking kwam dat beide Van de Veldes waren begraven in St James Church, een onopvallend kerkje in de buurt. De vader en de zoon waren beroemd in binnen- en buitenland, in Groot-Brittannië werden ze zelfs als de grondleggers van de Britse zeeschilderkunst beschouwd. ‘Maar over hun leven’, schrijft Prud’homme, ‘weet bijna niemand iets.’

Veel in zijn boek, met name over de Engelse oorlogen, zal hij hebben ontleend aan zijn archiefwerk voor zijn bejubelde biografieën van Piet Hein, vader en zoon Tromp, en Michiel de Ruyter. Maar zijn historische verhandeling over de gouden vloot begint iets vóór hun tijd, namelijk tegen het einde van de 16de eeuw, toen Nederlandse zeevaarders probeerden boven Siberië langs een noordoostelijke route naar China te vinden. In die geschiedenis zien we de namen opduiken van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck, van wie de laatste eeuwige roem zou verwerven door in 1607 als Nederlands admiraal de Spaanse vloot te vernietigen in de Slag bij Gibraltar, waar hij het leven liet.

Van die befaamde zeeslag is in 1622 een schilderij gemaakt door Cornelis Claesz. van Wieringen. Hij was door de admiraliteit van Amsterdam daarvoor aangezocht nadat Nederlands eerste grote zeeschilder Hendrick Cornelisz. Vroom (aldus de auteur) woedend voor de eer had bedankt omdat hij niet kreeg wat hij vroeg, namelijk ‘de exorbitante som’ (idem) van zesduizend gulden. Van Wieringen ontving voor zijn werk het ‘respectabele bedrag’ van 2.400 gulden. Zijn kolossale doek – 180 bij 490 cm – werd aangeboden aan prins Maurits en hangt nu in het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam.

Prud’homme heeft zijn intrigerende geschiedschrijving in afwisselende hoofdstukken ondergebracht. Dat gaat dan ongeveer zo: na de zeeheld Jacob Heemskerck komt Piet Hein, na de schilder Hendrick Cornelisz. Vroom komt Willem van de Velde de Oude, en na Maerten Harpertsz. Tromp blijven de samenwerkende Van de Veldes de zeeschilderkunst in Nederland domineren, zo’n beetje – nieuw hoofdstuk – tot de gouden vloot eind jaren tachtig ten onder gaat. Een enkele keer verliest de historicus zich in een perfectionisme dat in saaiheid dreigt om te slaan, zoals in zijn exposé over de provinciale admiraliteiten, hun autonomie en onderlinge competentiestrijd. Maar daar staat een rijkdom aan interessant historisch materiaal uit nationale en buitenlandse archieven tegenover.

Een vermakelijk voorbeeld van Prud’hommes degelijke archiefwerk – en oog voor het fijne detail – staat in het hoofdstukje ‘Geestelijke en medische verzorging’, waar hij schrijft over de vergoedingen die een zeeman of soldaat van de oorlogsvloot werden toegekend in geval van blijvend letsel: voor het verlies van beide ogen 800 gulden, één oog 180, beide armen 800, rechterarm 250, linkerarm 200, beide handen 700, rechterhand 200, linkerhand 180, beide benen 400, één been 180, beide voeten 250, één voet 120.

Met eenzelfde precisie schrijft hij over het materiaal, de bouw en vaardigheden van schepen, de soldij, de admiraalsbonussen, de zeeslagen (Lowestoft, Chatham), hun precieze verloop (‘Het was zaak de loef van de vijand te hebben’) en hun context – de koloniale rijkdom en de macht van de Nederlanders, de afgunst van de Engelsen en hun onderlinge rivaliteit op zee. Elders belicht hij, ook in artistieke zin, het werk en het leven van de oude en jonge Van de Velde, zonder zich in biografische ambities te verliezen – want daar is het bestek van dit boek te smal voor.

Beide kunstenaars waren begeesterd door zeeslagen en -helden, maar er was een groot onderling verschil in benadering en techniek. Willem de Oude zocht steeds het water op en ‘beleefde het hellevuur van de zeeslag van zeer nabij’. Zoon Willem bleef veilig aan de kant, waar hij aanvankelijk delen van vaders werk kopieerde voor zijn olieverfdoeken – want dat werd uiteindelijk de specialiteit die hem beroemd zou maken: olieverfschilderijen met de lichtval van een Jacob van Ruisdael of Ferdinand Bol. Willem de Oude was vooral tekenaar, eerst op perkament, later op doek en op houten panelen; hij was de meester van de krassende pen, de techniek van het zogeheten penschilderen, die Prud’homme gedetailleerd uit de doeken doet.

Met dezelfde neiging tot volledigheid beschrijft hij het privéleven van beide schilders. Zoals de echtscheiding van oude Willem, zijn minnares, zijn jaloerse ex, de echtscheiding van zoon Willem (die zijn vrouw ervan beschuldigde dat zij ‘met een ander geslapen hebbe, ende dat hij ’t selffs gesien heeft’), en hun huis aan de East Lane (‘nu Eastney Street’) in Greenwich, dat zij net als hun riante atelier in het naburige Queen’s House dank zij koning Karel II konden betrekken.

Vader en zoon Van de Velde waren in goeden doen toen zij stierven. Zoon Willem kwam pal naast zijn vader te liggen, ‘vermoedelijk onder dezelfde grafzerk’, in die onopvallende protestantse St James Church, waar ze in 1929 een gedenkteken kregen met een 17de-eeuws oorlogsschip erop. Honderden toeristen komen er dagelijks langs als ze de grote kunsttentoonstellingen bezoeken in de National Gallery of de Royal Academy of Arts. Maar ze gaan er zelden of nooit naar binnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden