Vlakke vertelling over Du Jardin

Het lijkt wel of de kunstgeschiedenis in de mixer is gegooid. In een blender vol met typische oude meester-motieven. Het schilderij dat Een weide met vee en een herder en herderin die een roodbruine koe melken heet, als om niets aan de verbeelding over te laten heet, ziet eruit als...

Een koe, die veel weg heeft van de beroemde stieren van Paulus Potter, wordt gemolken door een herderinnetje. Haar vieze voeten staan lekker voor in het beeld, alsof ze zo zijn geplukt van een Italiaans barokschilderij waarin vuige straathoeren als model voor Madonna staan. De herder staat er, voor een herder, wel heel klassiek bij. Zou zo een standbeeld van een Renaissancemeester kunnen zijn. En dan is er het typisch Hollandse wolkendek. Dat lijkt weliswaar meer op een set decorpanelen dan op een werkelijk dreigende lucht, maar toch. Voilà de kunsthistorische collage.

Karel du Jardin was een schilder die veel kon, zegt het Rijksmuseum over de zeventiende-eeuwse schilder. Het doelt daarbij overigens niet op zijn gave om meerdere motieven in een schilderij te verwerken, maar op zijn vakkundigheid in drie genres. Du Jardin schilderde portretten, landschappen en historiestukken – verhalende schilderijen.

Daarom zijn er zo divers mogelijke werken bij elkaar gehangen. Statige portretten die doen denken aan de Vlaamse schilder Anthony van Dyck, zoals het grote Portret van Johan Reynst (circa 1670), met een chique hazewindhond aan zijn zijde. Klassiek-renaissancistische werken zoals Allegorie op de vergankelijkheid (1663), waarin een kind à la Botticelli’s Venus op een schelp uit de zee komt aandrijven. Het kind is omgeven door zeepbellen en houdt een gevaarlijk stokje in zijn hand, waarmee maar gezegd wordt: die bellen kunnen zomaar vernietigd worden. Elders hangen er landschapjes die baden in warm, ‘zuidelijk’ licht.

Karel du Jardin was een Hollandse schilder die veel reisde en een voorbeeld nam aan diverse internationale kunstenaars. Hij werkte vooral in Amsterdam voor rijke burgers, maar ook in Parijs, Rome, Venetië en Den Haag. Hij werd rijk genoeg om twee panden in de Amsterdamse grachtengordel te kunnen kopen.

Als je de schilderijen ziet, lijkt het vreemd dat hij op hetzelfde moment, in dezelfde plaats als Rembrandt werkte. Ons huidige beeld van de schilderkunst uit de Gouden Eeuw is zó bepaald door grote meesters als Rembrandt, Vermeer en Frans Hals dat Du Jardins werk echt buiten de boot valt. Het past niet in de puzzel, ondanks vele recente pogingen van musea om het beeld bij te stellen (zoals in tentoonstellingen van Nicolaas Berchem of Frans van Mieris). Du Jardin is te klassiek, te eclectisch, te fijn geschilderd en misschien wel te beschaafd.

Het Rijksmuseum maakt helaas minder waar dan het in de publiciteit belooft: de tentoonstelling is in het museum moeilijk te vinden en beslaat slechts één zaal – en elders hangt nog een groepsportret. Maar wat belangrijker is: het museum helpt de bezoeker niet erg om in Du Jardin een begrijpelijk hoofdstuk van de Gouden Eeuw-mythe te zien.

De tentoonstelling is ingedeeld naar genre en formaat, maar kop en staart ontbreken. Er is letterlijk geen begin. Of het moet de zeepbellenjongen zijn, die Du Jardin pas op rijpe leeftijd schilderde. Het ‘einde’ bestaat uit een groot groepsportret van de regenten van de Amsterdamse vrouwengevangenis het Spinhuis, dat tegenover de Nachtwacht is gehangen. De minder opmerkzame bezoeker denkt dan allang uit de tentoonstelling gelopen te zijn. Het stuk gaat geen dialoog aan met de Nachtwacht, of het moet de scherpe contrasten met de losse stijl van Rembrandt willen illustreren.

Het initiatief een relatief onbekende en lang onbeminde meester af te stoffen is te roemen. Het past in een trend van tentoonstellingen die soms vergeten parels op blijken te leveren, zoals Carel Fabritius. Maar het Rijksmuseum houdt het bij een vlakke vertelling over de veelzijdigheid van Du Jardin. Daarmee wordt helaas onvoldoende begrijpelijk gemaakt wat het museum schalt: dat Du Jardin een veelgeprezen en duurbetaalde schilder was, in het Amsterdam waar ook Rembrandt rondliep.

Een koe, die veel weg heeft van de beroemde stieren van Paulus Potter, wordt gemolken door een herderinnetje. Haar vieze voeten staan lekker voor in het beeld, alsof ze zo zijn geplukt van een Italiaans barokschilderij waarin vuige straathoeren als model voor Madonna staan. De herder staat er, voor een herder, wel heel klassiek bij. Zou zo een standbeeld van een Renaissancemeester kunnen zijn. En dan is er het typisch Hollandse wolkendek. Dat lijkt weliswaar meer op een set decorpanelen dan op een werkelijk dreigende lucht, maar toch. Voilà de kunsthistorische collage.

Karel du Jardin was een schilder die veel kon, zegt het Rijksmuseum over de zeventiende-eeuwse schilder. Het doelt daarbij overigens niet op zijn gave om meerdere motieven in een schilderij te verwerken, maar op zijn vakkundigheid in drie genres. Du Jardin schilderde portretten, landschappen en historiestukken – verhalende schilderijen.

Daarom zijn er zo divers mogelijke werken bij elkaar gehangen. Statige portretten die doen denken aan de Vlaamse schilder Anthony van Dyck, zoals het grote Portret van Johan Reynst (circa 1670), met een chique hazewindhond aan zijn zijde. Klassiek-renaissancistische werken zoals Allegorie op de vergankelijkheid (1663), waarin een kind à la Botticelli’s Venus op een schelp uit de zee komt aandrijven. Het kind is omgeven door zeepbellen en houdt een gevaarlijk stokje in zijn hand, waarmee maar gezegd wordt: die bellen kunnen zomaar vernietigd worden. Elders hangen er landschapjes die baden in warm, ‘zuidelijk’ licht.

Karel du Jardin was een Hollandse schilder die veel reisde en een voorbeeld nam aan diverse internationale kunstenaars. Hij werkte vooral in Amsterdam voor rijke burgers, maar ook in Parijs, Rome, Venetië en Den Haag. Hij werd rijk genoeg om twee panden in de Amsterdamse grachtengordel te kunnen kopen.

Als je de schilderijen ziet, lijkt het vreemd dat hij op hetzelfde moment, in dezelfde plaats als Rembrandt werkte. Ons huidige beeld van de schilderkunst uit de Gouden Eeuw is zó bepaald door grote meesters als Rembrandt, Vermeer en Frans Hals dat Du Jardins werk echt buiten de boot valt. Het past niet in de puzzel, ondanks vele recente pogingen van musea om het beeld bij te stellen (zoals in tentoonstellingen van Nicolaas Berchem of Frans van Mieris). Du Jardin is te klassiek, te eclectisch, te fijn geschilderd en misschien wel te beschaafd.

Het Rijksmuseum maakt helaas minder waar dan het in de publiciteit belooft: de tentoonstelling is in het museum moeilijk te vinden en beslaat slechts één zaal – en elders hangt nog een groepsportret. Maar wat belangrijker is: het museum helpt de bezoeker niet erg om in Du Jardin een begrijpelijk hoofdstuk van de Gouden Eeuw-mythe te zien.

De tentoonstelling is ingedeeld naar genre en formaat, maar kop en staart ontbreken. Er is letterlijk geen begin. Of het moet de zeepbellenjongen zijn, die Du Jardin pas op rijpe leeftijd schilderde. Het ‘einde’ bestaat uit een groot groepsportret van de regenten van de Amsterdamse vrouwengevangenis het Spinhuis, dat tegenover de Nachtwacht is gehangen. De minder opmerkzame bezoeker denkt dan allang uit de tentoonstelling gelopen te zijn. Het stuk gaat geen dialoog aan met de Nachtwacht, of het moet de scherpe contrasten met de losse stijl van Rembrandt willen illustreren.

Het initiatief een relatief onbekende en lang onbeminde meester af te stoffen is te roemen. Het past in een trend van tentoonstellingen die soms vergeten parels op blijken te leveren, zoals Carel Fabritius. Maar het Rijksmuseum houdt het bij een vlakke vertelling over de veelzijdigheid van Du Jardin. Daarmee wordt helaas onvoldoende begrijpelijk gemaakt wat het museum schalt: dat Du Jardin een veelgeprezen en duurbetaalde schilder was, in het Amsterdam waar ook Rembrandt rondliep.

Amsterdam, Rijksmuseum (Stadhouderskade 42): selectie topstukken (landschappen en portretten) van de 17de-eeuwse Amsterdamse schilder Karel du Jardin (1626-1678), t/m 16 maart; dagelijks 9-18u. Tel. 020-6747000.

Een weide met vee en een herder en herderin die een roodbruine koe melken van Karel du Jardin. Beeld
Een weide met vee en een herder en herderin die een roodbruine koe melken van Karel du Jardin.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden